De blokkade

  • Ingezonden voor de schrijfwedstrijd De blokkade. (500 woorden/ thema: een blokkade in welke vorm dan ook. Ik heb er twee in verwerkt)

 

De Blokkade
‘Ik houd van je,’ zegt hij.
Haar blik blijft onveranderd.
‘Ik houd van je,’ zegt hij nogmaals en weer kijkt ze hem strak aan. Haar ogen lachen, maar haar mond blijft stil.

Het is op de dag af drieëntwintig jaar geleden dat ze zich aan elkaar verbonden. Het is alsof de jaren voorbij zijn gevlogen en tegelijk stil hebben gestaan; aaneengeregen en samengeklonterd tot één geheel. Ze had ’s avonds in bruidssuite haar witte, gladde bruidsjapon over de stoel gehangen. Terwijl ze haar kousen afstroopte, keek ze hem aan en zei: ‘Ik houd van je.’ Hij knikte, liep op haar af en gaf een kus op haar nog opgestoken blonde haar.

Winter 2005. De houtkachel loeide, ze had haar sokken uitgedaan en hij masseerde, zoals altijd wanneer ze een lange dag had gewerkt, haar voeten. Naast haar op het tafeltje stond een glas rode wijn, hij schonk haar nog even bij. Bijna spinnend als een kat leunde ze tegen hem aan en zei: ‘Ik houd van je.’
‘Hmm…’ antwoordde hij en gaf een kus in haar nek.

Ze werd nooit boos. Nergens om, al die jaren niet. In ieder geval niet op hem. Soms kreeg hij tranen in zijn ogen wanneer hij de keuken inliep en ze geconcentreerd in de pannen roerde, de kinderen bezig hield die aan tafel speelden en de oventimer instelde. Dan liep hij op haar af, omhelsde haar van achter en mompelde dat hij zo vreselijk blij met haar was.
‘Ik houd ook van jou, schatje,’ zei ze dan.

Hij had geprobeerd zijn blokkade te omzeilen door op haar verjaardag kaartjes te kopen- en natuurlijk een cadeau- met het opschrift: I love you. Hij wist dat het niet telde, het maakte het zelfs schrijnender. Na een aantal van deze kaartjes stapte hij dan ook over op afbeeldingen met hartjes. Hij wist zeker dat ze wist hoeveel hij van haar hield. Hij hield van haar vanaf de eerste dag dat ze elkaar ontmoetten aan de rand van het zwembad in Lunteren. Ze waren beide 17 jaar en nog met hun ouders mee op vakantie. Dat schepte een band en vanaf die augustus- een eeuwigheid geleden, voelend als gister- werd deze nooit verbroken.

Hij keek haar nog steeds aan. Zij keek even strak terug.
‘Ik houd van je,’ zei hij voor de derde keer.
Weer zweeg ze.
Hij gaf een kus op haar koude wang en zette de foto terug op de schouw.
Naast de urn.
Haar lichaam had zijn eigen blokkade gecreëerde in de vorm van vernauwde aders.

‘Kom je pap?’
Hij draait zich om en loopt naar de deuropening, naar zijn dochter.
‘Zal ik thee zetten?’ vraag hij en slaat een arm om haar heen. Ze knikt en zegt dat het gebak al in de keuken staat.
Hij geeft haar een kus op haar haren en zegt: ‘Ik houd van je.’
‘Hmmm…’antwoordt ze en ze aait even over zijn rug.

Aan Mary-Ann

 

Aan Mary- Ann,
Gister zag ik om de hoek bij mevrouw Jeffries de fonkelende weerspiegeling van de kersballen door de ruiten van haar etalage. Ze lagen in groepjes van drie tussen de bollen wol, gedrapeerde stalen stof en het garen en lint in vele kleuren. Het witte lint bewaart ze tegenwoordig in de la. Uit het zicht.

En het is de aanblik van die overal opduikende versieringen, het geluid van de knisperende sneeuw onder mijn schoenen en de opgetogen sfeer die mijn hart de afgelopen dagen weer vaker samen doet knijpen. Kerstmis is nog maar een paar dagen verwijderd van nu, en daarmee de eerste verjaardag van jouw dood ook. Die van je geboorte, 9 december 1879, heb ik in stilte proberen te vieren. Hoe moeilijk het ook is, de woede die jouw leegte een periode had gevuld is inmiddels vervangen voor iets beters. Niet iets beters dan jou natuurlijk, maar beter dan leegte en beter dan woede.

Deze ‘troostprijs’ en de adembenemende afschuw van de herinneringen samen- in schril contrast met elkaar- doen mij dit schrijven. Zodat het verleden en de toekomst, die elkaar nooit zullen kennen, nooit zonder elkaar zullen zijn.

Beginnen bij het begin is het makkelijkst en dat zal ik dus doen.

‘Haal het eruit! Nu!’ Zweet, ondanks de koude decembernacht en mijn slecht verwarmde kamer, gutst van mijn lijf. Mevrouw Andrews zakt door haar knieën en verdwijnt achter het laken waaronder mijn opengesperde benen liggen. ‘Ademen. Het is nog niet zover. Je moet ademen,’ klinkt er vanonder mij en een nieuwe, ondragelijke pijnscheut laat mij een onverwacht harde gil geven. Wanneer de wee zakt klinkt er vanuit de hoek vlak naast het oliekacheltje een geïrriteerde zucht en het omslaan van een bladzijde. Op dit moment maakte het mij niet meer uit hoe ze het eruit trekken, al was het mootje voor mootje, áls het er maar uitkwam. En snel.

En het is waar wat ze zeggen: als de baby er eenmaal is, is alle ellende vergeten. Uiteraard was je de mooiste baby van de wereld, met je kleine donkere haartjes, je piepkleine nageltjes en je priemende oogjes. Ik moet uren naar je gekeken hebben, en als ik mijn ogen dicht doe zie ik je zo duidelijk voor mij dat het soms even lijkt alsof ik je zachte huilen ergens hoor. Hoe je oma erover dacht weet ik niet; zij bladerde gestaag door in haar boek, onderwijl de schaarse warmte met haar grote rokken tegenhoudend.

Niet alleen die eerste uren beleefde ik in een roes, ook de dagen erna leken aaneen geregen tot een lange oneindige dag en nacht samen. We leefden in een ritme van slapen en eten en weer slapen. Ergens op- vermoedelijk- de derde dag werd er op de deur geklopt.

‘Binnen?’ roep ik, mezelf afvragend wie het kon zijn. Mijn oudste zusje klopt niet en zij was tot nu toe mijn enige bezoek geweest op jouw oma na.
‘Stoor ik?’ Met zijn zwarte hoed vol natte sneeuw in zijn hand stapt hij mijn zolderkamer binnen. De kamer die hij en zijn vrouw voor mij huren totdat hun zoon aanmeert en mij kan huwen zoals afgesproken. Hij veegt voorzichtig wat sneeuw van zijn lange, wollen jas en trekt hem uit. Zoekend kijkt hij de ruimte in om een plek te vinden deze op te hangen. Ik wil allerminst ondankbaar klinken maar erg rijkelijk ingericht is de kamer niet. Ik zie dat hij zich hiervoor geneert en legt dan de jas maar naast de mat op de grond.
Hij buigt zich over mij en mijn baby en geeft ons beiden een kus. ‘Gefeliciteerd,’ zegt hij zacht en gaat op de rand van het bed zitten. Uit een jute zak haalt hij een stuk brood, een brok worst en een fles melk. Ik herken het receptuur inmiddels, alleen ben ik blij de norse blik van mevrouw niet te hoeven doorstaan. ‘Met de hartelijke groeten van mijn vrouw,’ zegt hij en zijn hand gaat naar zijn vestzak. ‘Ik hoor dat je zuster iedere dag langskomt?’ Ik knik. Hij legt een hand vol munten op de stoel naast het bed en vluchtig schieten mijn ogen er even heen. ‘Laat haar wat extra’s voor je kopen, maar..’ hij brengt zijn wijsvinger naar zijn lippen. Ik knik weer. Ik zal het voor me houden.
En dat deed ik.
Je veranderde per dag, en de tijd leek voorbij te vliegen en tegelijkertijd stil te staan. Om de dag zat jouw oma een uurtje naast de kachel te lezen zonder al te veel woorden met mij te wisselen. Ik probeerde meestal wat weg te dommelen in de hoop dat de tijd wat sneller ging, ze haar boek met een plof dichtklapte en naar de deur zou lopen. Zonder om te draaien mompelde ze dan iets en verdween. Zo niet deze keer. Je was ruim twee weken oud inmiddels.
Wanneer moeder- zoals ze graag genoemd wordt- is gaan zitten opent ze niet direct haar boek. ‘Doris?’ zegt ze met haar diepe, droge stem. Ik kijk op van het voeden. ‘Ja, moeder?’ Moeder haalt een stuk papier, een brief zo leer ik al snel, tussen de bladzijden van het boek. Ze opent de brief en laat hem aan mij zien. Ik kan vanaf mijn plek slechts de zwierige lijnen van de tekst ontwaren. ‘Ik zal het kort houden. Dat is vaak beter,’ zegt ze en steekt de brief weer terug. ‘Het is een brief van Edward, de broer van Henry die samen met onze James vaart. Het schip is nooit aangekomen in de haven. Hij schrijft dat wij op een behouden terugvaart beter niet zullen wachten.’ Wanneer ze dit zegt bet ze even haar ogen, die gewoon droog zijn gebleven en kijkt mij strak aan. Het duurt even voordat haar woorden doordringen. ‘Ik kan je misschien beter alleen laten nu.’ Ze staat op en loopt naar de deur. Dit maal draait ze zich wel om en spreekt zo duidelijk dat het op mijn ziel krast: ‘Je begrijpt dat onze wegen binnenkort zullen scheiden. Ik zal de huur deze week nog betalen, denk alvast na over wat je gaat doen.’
De 24 uur daarna drong de volle ernst van de situatie steeds iets meer door. Eve, je tante, opperde dat ik weer in het café kon komen werken en mijn oude kamer terug kon nemen. Dat zou diensten van 12 uur betekenen en slapen met zijn vieren op 1 kleine, gehorige kamer. Onmogelijk met een kleintje erbij.
In plaats van de gebruikelijke 48 uur is moeder dit keer na een dag alweer terug. ‘Heb je er al over na kunnen denken?’ vraagt ze en gaat op de rand van het bed zitten. Ik haal mijn schouders op. Meer kan ik niet. Mijn verdriet heeft geen kans omdat de radeloosheid groter, veel groter is op dit moment. ‘Is je oude baan geen optie?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Je snapt dat wij dat,’ ze wijst naar het onschuldige, zich van nog niets bewuste hoopje naast mij, ‘niet in huis kunnen nemen. Het is een bastaard.’ Ze kijkt me aan alsof ik het zou begrijpen. Ze knikt kort. ‘Goed. Ik kan je wel op een andere manier helpen.’ Ze vouwt een krantenknipsel open die ze al die tijd al vast bleek te hebben.
Vriendelijk, kinderloos echtpaar zoekt kind om liefdevol te verzorgen.
Ik begrijp het niet helemaal maar ze gaat verder: ‘Ik heb al contact opgenomen en vader en ik zijn bereid de som geld die het echtpaar vraagt als onkostenvergoeding te betalen. Jij hoeft alleen de kleertjes mee te geven.’ Ze kijkt mij aan. ‘Je weet dat je aanstaande vrijdag hier uit moet?’ Ze maakt een wijds gebaar met haar arm. Ik knik. ‘Het zal een veel beter leven krijgen dan jij een kind ooit zal kunnen geven. Wat als het ziek wordt? Hoe wil je dat betalen?’
Ik kijk hoe mijn dochter naast mij ligt te slapen. ‘Wanneer?’ Het is het enige dat ik kan zeggen.
‘Morgen. Ik zal hem om negen uur ophalen.’
‘Haar.’
‘Wat?’
‘Haar. Het is een meisje.’
‘Nou, ook goed. Dat zal wel goed zijn.’

‘Ho, kijk uit!’ Eve, mijn collega en zus weet nog net op tijd mijn dienblad vol glazen vast te pakken voordat ik de hele stapel eraf had laten glijden. Ze neemt het blad uit mijn handen en brengt het naar de bar. ‘Hier, ga even zitten,’ zegt ze en schuift een stoel naar achter bij het enige lege tafeltje in de zaak. Ze ziet mij twijfelen, maar de baas is even weg en ik ga zitten. Gulzig, alsof het water is, drink ik de pint bier die ze voor mij neerzet leeg. ‘Heb je het adres?’ vraagt ze en ik knik. Vanmorgen na mijn zoveelste nacht waarin ik, zodra ik mijn ogen dichtdeed, alleen maar mijn Mary-Ann voor me zag en als ik wel wegzakte in een droom belandde over Mary- Ann, vallend door de zwarte ruimte gevuld met witte linten, ben ik naar het huis van vader en moeder gegaan. James’ vader en moeder, welteverstaan. Ik wachtte tot moeder het pand verliet voor haar wekelijkse kappersbezoek en speldde vader een verhaal over wat vergeten kledingstukken die ik na wilde laten sturen op de mouw.
Ik haal het zorgvuldig opgevouwen en weggestopte briefje uit mijn schortzak en kijk naar vaders sierlijke handschrift. Eve leest met mij mee. ‘Dat is niet eens zo gek ver. Half uurtje lopen vermoed ik. Ik heb daar in die buurt wel eens een, eh laten we zeggen een kennis gehad.’ Ze knipoogt bij het woord kennis. ‘Wil je haar terughalen?’
Ik haal mijn schouders op. ‘Niets liever, maar dan. Wat doe ik dan?’ Tranen zijn niet meer te stoppen. Eve geeft mij haar zakdoek. ‘Dat zie je dan maar weer. Kijk hoe je eruit ziet, zo kan het niet langer. We kunnen het met de andere meiden bespreken toch? Wie weet zijn ze coulant en laten ze jullie samen boven verblijven? Desnoods betaal je wat extra’s. Ik geef je mijn deel van de fooien wel.’
Ik knik. ‘Ik zal het morgenochtend vragen. Ik weet waar het is maar evengoed, ga jij dan overmorgen met mij mee?’
Eve buigt voorover en geeft me een kus op mijn wang. ‘Natuurlijk, wat dacht jij dan.’
Opgelucht over mijn beslissing en met nog maar drie uren op de klok voor deze dienst sta ik met nieuwe energie op. Ik voel mij stukken lichter dan een kwartier geleden. We zien wel hoe het afloopt, maar ik kom je halen, fluistert het zacht door mijn hoofd.

Pets! Een harde klap op mijn achterste en een arm om mijn schouders. De bierwalm slaat in mijn gezicht als hij begint te praten. ‘Ben jij niet het schatje van Jamie? Wat is het met je aan de hand man.’ Hij gaat met zijn vingers onder mij ogen over mijn donkere wallen. ‘Zo erg is het toch allemaal niet,’ zegt hij en boert tegelijk. Ik probeer niet te kokhalzen én mijn geduld te bewaren. ‘Wat weet jij daar nou van?’ zeg ik neutraal en probeer de zware arm langzaam van mijn schouder te drukken.
Hij geeft mij een natte kus en zegt: ‘Ach meissie? Hoelang nog voor ze terug zijn? Een week? Kijk niet zo sip, volgend jaar kunnen jullie weer samen de feestdagen vieren hoor.’ En petst nog eenmaal op mijn billen bij deze laatste woorden.
‘Hoe dan? Heb jij niet gehoord dat ze nooit aangekomen zijn?’ vraag ik bars.
‘In de haven? Daar liggen ze toch al weken? Man, voordat die kapitein toch weer eens beter was. Als het goed is zijn ze rond vijf januari weer in onze wateren.’
‘Wat?’
‘Wat wat?’ Hij kijkt mij nu even verward aan.
´Komen ze terug?’ Mijn stem klinkt iel, de wereld draait en het volgende moment zit ik in de keuken op de grond met een natte lap op mijn voorhoofd en een bezorgde zus naast mij. Eén minuut, hooguit, duurt het voordat ik mijn conclusies heb getrokken. Ik sta op, geef mijn sputterende zus de natte doek, een kus en smeek of ze mijn dienst af kan maken. Nog voordat ze antwoord kan geven ren ik de deur uit.

Drie ferme roffels op de deur. Met een zwaai opent hij en een grote, boerse vrouw staat in de deuropening. Ze is imposant en even aarzel ik. ‘Goedenavond, ik ben Doris de moeder van Mary-Ann. Ik, eh, kom haar ophalen. Het geld mag u vanzelfsprekend houden.’ Ik doe mijn handen in mijn zij om daadkrachtig over te komen.
‘Ach kindje. Dat gaat niet zomaar.’ Ze glimlacht naar mij. ‘Kom maar even binnen.’ Ze leidt mij aan mijn arm de lange hal door naar een verwarmde achterkamer. In de hoek staat een wieg. ‘Ligt ze daar?’ Ik probeer mijn stem normaal te houden en mijn instinct om het bundeltje in de wieg op te pakken en ermee weg te rennen tegen te houden.
‘Nee kindje, ze is al geplaatst. Bij een zeer net echtpaar. Erg blij waren ze met eh, hoe zei je ook al weer dat jij haar noemde?’
‘Mary- Ann.’
Ik loop naar het wiegje en zie een stukje van een kaal babyhoofdje. Mary- Ann had zwarte haartjes. Een vlieg landt op het stukje blote huid en ik steek mijn hand uit om hem weg te wapperen. Hard grijpt de mevrouw mijn pols beet en veegt snel de vlieg van het tere kopje af.
‘Anders maak je hem wakker,’ verklaart ze. Ze wijst naar een theepot die op de tafel staat omringd door vele witte linten. Kort en lang. Een huivering trekt langs mijn ruggengraat en ik bedank. Wanneer ik de deur uitloop bots ik bijna tegen een jong meisje met een bundeltje dekens in haar armen. Een zacht gehuil klinkt eruit en ze wiegt het ongeduldig heen en weer. Haar ogen staan dof. Een traan rolt over haar wang en valt op de dekentjes.

Vanachter de haag van de buren zie ik de vrouw het bundeltje en een envelop aannemen. Het meisje druipt af met schokkende schouders. Als ik op mijn tenen ga staan zie ik dat de vrouw de baby op de tafel legt- het huilen overgegaan in krijsen -en naar het wiegje loopt. Alles in mij zegt weg te gaan en toch blijf ik staan. Ik schrik op uit mijn gedachten wanneer de voordeur in het slot valt.
Met een donkere omslagdoek om loopt de vrouw snel haar tuinpad af en slaat rechtsaf richting het plantsoen. In het schijnsel van de bijna volle maan zie ik het blauw van het dekentje uit de wieg in haar armen. Omwikkeld met de witte linten, als een rollade.

Ik weet niet waarom maar ik loop haar achterna. Aan het begin van het plantsoen, net na de grote eik stroomt rechts de rivier, vlak voordat hij afbuigt. Ik blijf uit het zicht en mijn maag trekt samen als ik een zachte plons hoor. Wanneer ik haar voetstappen niet meer kan horen loop ik naar de oever en zie enkel nog het wit van de linten in het donkere water. Met trillende vingers, van de spanning en de kou- ik moest tot aan mijn knieën het water in- knoop ik de linten los. De knoop in mijn maag bereikt een hoogtepunt als ik de dekentjes openvouw en zeer respectloos geef ik over, vlak naast het ooit mooie maar al zeer lang dode jongetje.

Wanneer er niets meer anders dan gal over is, merk ik de alarmbellen in mijn hoofd op. Ik doe mijn ogen dicht en de baby op de tafel verschijnt. Maar ook de realisatie dat ik de voetstappen de tegenovergestelde richting van haar woning op hoorde gaan. Nu of nooit, schreeuwt iets in mij. Nu! Ik sta op, laat het arme jongetje naast mijn braaksel liggen en ren zo snel het gaat met mijn natte schoenen en kousen terug naar het huis.
De deur is afgesloten, maar met een losse straatkei is het raam vrij eenvoudig van zijn glas te ontdoen. En daar, tussen de witte linten ligt het fragiele blonde meisje, uitgeput te slapen. Het dekentje gaat langzaam op en neer. Ik neem haar voorzichtig op, klim door het raam en maak dat ik weg kom.

In de eerste instantie zag de politie in mijn een labiele, hysterische vrouw die een baby ontvreemd had. Na een half uur besloten ze toch een agent langs de rivieroever te sturen, waarna het balletje aan het rollen kwam.
De rest, de arrestatie, het proces en zelfs de executie, is geschiedenis. Het is allemaal terug te lezen en op te zoeken. En nergens, lieve Mary-Ann wordt jouw naam nog genoemd. Jij was er slechts één van de geschatte vierhonderd jonge kinderen die dit monster om het leven bracht. En waarom? Uit waanzin? Nee. Voor geld. Gewoon voor ordinair geld. Zodra ze de poen binnen had moest ze van de baby af. Die zou alleen maar kosten. Ze was er zeer gedreven in en in de rivier en achtertuin zijn slechts een fractie van haar slachtoffertjes teruggevonden. Op de algemene begraafplaats zijn ze samen begraven én hebben James en ik een monumentje laten plaatsen.

Vergeet alsjeblieft nooit, dat zonder jou ze nu nog haar zaakjes voort zou zetten, ze de kindjes een wit lintje om de nek zou slaan en strak zou trekken. Zo strak. Zo strak als haar strop. Ik zal het zeker niet vergeten.

Weldra wordt je broertje geboren- of zusje natuurlijk. En ik zal zorgen dat hij over jou zal horen. Vader heeft nadat moeder verdween een grote investering gedaan waarmee een tehuis opgezet wordt voor ongehuwde jonge moeders. Jouw naam zal prijken op de gevel, jouw verhaal zal verteld worden. En vele moeders en kinderen zullen jou voor altijd dankbaar zijn. Jouw dood zal niet voor niets zijn.
Dankjewel, Mary-Ann. Tot weerziens, ooit.

P.S.
Het verhaal is plots voorbij. Dat is hoe het gaat. Alles komt in chaos tot een climax, voor je het zelf goed en wel beseft. Het is de tijd erna, de lange lege dagen waarover niets te schrijven valt die nog veel gruwelijk zijn…

Onverwacht|Verhaal

‘Wat doe je?’ Jens kijkt opzij naar zijn bijrijder. Ze ziet er goed uit, denkt hij en het valt hem op dat ze nieuwe kleren aanheeft. Zal hij daar iets over zeggen? Nee, dat komt geforceerd over. Hij houdt van haar. Hij weet het, daar hoeft niet speciaal een weekend weg van de gewone wereld aan gespendeerd worden.

‘Mijn oren zitten dicht. Heb jij er geen last van?’ zegt ze en doet haar gladde, blonde haar achter haar oren, om het er meteen weer weg te halen. Ze moet stoppen met die gewoonte, ze weet dat Jens het lelijk bij haar vindt staan. Ook houdt ze op met dat idiote openen en dicht doen van haar mond om haar oren te laten ploppen.

Dan een flits. Even een gevoel van al eens geweest, een déja-vu. Ze zegt het niet hardop want Jens gaat ongetwijfeld uitvoerig uitleggen hoe dat werkt, met je hersenen en de hele kleine vertraging in het bewust meemaken.

Jens lacht. ‘We rijden in de Ardennen. Zo hoog is dit ook weer niet.’

‘Wel lief van ma dat we de auto meekregen,’ zegt Anna. Ze veegt denkbeeldig stof van het dashboard weg met haar hand. Pa is gestopt met werken, sindsdien hebben haar ouders hun wereld verkleind tot hun huis en het dorp. De auto schoonmaken, vroeger een tussendoorklusje, is tegenwoordig vaste prik op zaterdagochtend. Ze doen het samen, zoals alles, in ANWB-uniform en daarna meteen door naar de Aldi en de AH voor de koopjes uit de folder. Druk een kussen op mijn hoofd in mijn slaap, mocht ik ooit zo worden, had Jens haar gevraagd toen pa en ma hen uitzwaaide. Pa zal morgen de Mercedes uit de garage oppikken na de reparatie, hij zwaaide met de sleutels in zijn hand.

De telefoon van Jens naast de versnellingspook geeft een melding en de naam Amanda verschijnt in beeld.

‘Ja hartstikke lief.’ Beetje jammer dat het een Fiat Multipla is en jij net al een selfie van ons op Facebook gepost heb in dit slechtste excuus voor een auto, denkt hij. Hij ziet dat ze naar zijn telefoon kijkt. Wanneer je het beeldscherm naar boven legt, heb je niets te verbergen. Dat weet ze zelf ook. Hij voelt dat ze zich inhoudt, maar de kwestie Amanda is uitvoerig besproken. Alsof hij met dat kind ook maar íets zou willen. En alsof een 18 jarige interesse zou hebben in haar 35 jarige werkgever. Trouwens, dan had hij haar nooit onder haar eigen naam opgeslagen in zijn telefoon. Hoe dom kun je zijn.

‘Wel even wennen. Het is toch wat anders dan de Mercedes hoor,’ zegt hij en frummelt aan de knopjes waarna de blowers op volle kracht door de auto blazen. ‘Sorry!’ Een onbekende, donkergroene folder waait haar schoot in. Ze gaat even met haar hand over haar nog platte buik en ze denkt aan de fles alcoholvrije champagne in haar koffer. Straks in de hotelkamer zal ze de fles tevoorschijn halen. Ze probeert zich zijn reactie voor te stellen. Vast blij en verrast. Zeker verrast.

‘Wat is dat?’ Jens wijst naar de folder. Anna bladert langs verschillende monumenten en foto’s van immense begraafplaatsen. ‘Verdun, zegt je dat wat?’ Op de achterkant van de folder staat een getekend plaatje van een soldaat en een verhaal in een olijk lettertype. ‘De legende van de laatste dag,’ leest Anna voor met een aangedikte sinistere stem. ‘… de dood kwam te plots om door te dringen. Zo wordt ook vandaag de dag de geest van de onbekende soldaat nog dolend door de bossen gezien. Nog altijd opzoek naar de vijand, nog altijd klaar om te doden,’ sluit ze af.

Lachend drukt Jens voor de derde keer een beller weg. Ze kijkt hem vragend aan. ‘Ik heb vrij, Arend zoekt het maar uit,’ zegt Jens en hij legt zijn telefoon met het scherm naar beneden terug.

Jens wijst naar de navigatie en ze buigt naar voren. Verdun is verder op de aangegeven route al zichtbaar. ‘Wil je er even stoppen om iets te bekijken?’ Anna haalt haar schouders op. ‘Nah, ik heb niet echt iets met geschiedenis. Dit is de eerste wereldoorlog toch?’ ze tikt even met haar roze gelakte nagel op de folder. Jens knikt. ‘Laten we maar gewoon door rijden.’

‘Daar! Stop daar!’ Anna wijst naar een onverharde afslag die uitmondt in een kleine parkeerplaats. Bankje, informatiebord en vuilnisbak. Alle ingrediënten zijn aanwezig. Jens mindert snelheid en draait de onverharde weg op. ‘Kan je het echt niet even ophouden? Na de oorlog zijn deze bossen uitgeroepen tot rustplaats van de gesneuvelden. Dat las je net zelf voor.’ Anna kijkt hem bijna wanhopig aan. Wat wil hij dan? Dat ze op de stoel pist? ‘Kijk,’ zegt Jens en wijst naar een bord. Anna schiet de auto uit, loopt langs het bord en opent ondertussen haar broeksknoop. ‘Verboden te picknicken, verboden voor muziek maar ik zie nergens verboden te plassen staan,’ schreeuwt ze naar de man in de Fiat die alleen zijn hand opsteekt. Zelf weten.

De hele weg tot hier waren de bomen knisperend groen, vers blad, bijna lichtgevend. Alles hoog is hier is ook groen, maar de lage bosschages zijn nog niet helemaal ontsproten. Ze loopt een eindje achter het bankje de bosjes in maar ze ziet geen geschikte plaats om ongezien te hurken. Ze hoort weer het geluid van Jens zijn telefoon en flarden van het gesprek. ‘…ik zei toch dat je niet moest bellen!’ en even later: ‘Ik ben een weekend weg. Ja, natuurlijk met haar.’ Hele zachte, kleine alarmbelletjes gaan rinkelen terwijl ze terug naar de parkeerplaats loopt. Klein en zacht genoeg om te negeren. Ze wijst naar Jens dat ze de andere kant even probeert. Hij heeft de telefoon niet meer in zijn hand ziet ze, hij leunt tegen de zijkant van de auto en eet een bagel uit de papieren broodzak en zwaait terug.

Aan deze kant zit het vol geulen en kuilen en nog geen twee meter van het pad kan ze ongezien haar broek laten zakken en zakt ze door haar knieën. Ze heeft zo lang de plas opgehouden dat hij niet meteen komt. Ze luistert naar het ruizen van de bomen en het ontbrekende vogelgekwetter. Hier in de bossen, waar zo velen hun dood vonden houden zelfs de vogels
stil… Ze probeert te lachen om zichzelf en haar angst om een kindersprookje achterop een toeristenfolder. Maar net als wanneer je misselijk bent en alleen nog maar en zoet en vet eten kan denken, zo moet ze nu aan alle naargeestige feitjes uit de folder denken. Er vallen vandaag de dag nog altijd slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Nee, niet door een uit het leven weggerukte dolende soldatenziel maar door nog op scherp staande munitie die overal nog in de grond zit. Niet vaak meer. Maar toch.

Eindelijk komt dan de plas, en terwijl ze de denkbeeldige handgranaten waar ze op staat negeert, met één hand haar broek uit de plaslinie naar voren trekt reikt ze met haar vrije hand naar iets wits vlak naast haar half in de grond. Het is wit, niet groter dan een vingerkootje, met minuscule gaatjes en mos op de oppervlakte en…het ís een vingerkootje. Snel laat ze het botje los.

En dan: Pang!

Een knal, zo’n oorverdovende, doet alles stilstaan. Behalve haar plas, die nu recht haar nieuwe witte sneakers instraalt. ‘Godverdomme, Jens!’ Ze moet even bijkomen, op adem komen, uitdruppen en hijst dan furieus haar broek op. Achter haar staat Jens met een grote grijns en een kapotte broodzak in zijn handen. ‘Sorry. Maar je reactie was het zeker waard. Kom je?’ Hij draait zich om en loopt van de kuil- de bomkrater- weg.

‘Hoeveel kilometer is het nog?’ Is het eerste en enige dat Anna zegt wanneer ze de weg weer opdraaien. Jens vinger wijst naar de navigatie. Hij houdt wijselijk zijn mond. Ze moet zeker ongesteld worden, denkt hij. Gelukkig is ze aan de pil en kan ze die doorslikken- wel zo handig op vakantie.

Weer zijn ringtone. Met een schuin oog ziet hij Arend weer in beeld verschijnen. “Arend” met twee aanhalingstekens, denkt hij. Ook ziet hij Anna’s vinger de groene knop op het beeld indrukken. Nee!

Iedereen zwijgt, de temperatuur in de auto lijkt vijf graden te zijn gedaald en toch breekt het zweet hem uit. ‘Jens?’ zegt een vrouwenstem naast de versnellingspook. ‘Jens, lul, je wordt vader.’ Hij voelt het bloed uit zijn gezicht zakken. Anne staart met grote, onbegrijpende ogen naar de telefoon en denkt: hoe kan zij dat weten, ik heb het nog tegen niemand verteld.

Natuurlijk duurt het maar twee seconden voordat ze snapt wat er bedoeld wordt. Maar twee seconden zijn soms lang genoeg.

Een vrachtwagen, volgeladen met vers gekapt hout, van die mooie op elkaar gestapelde, ronde stammen weegt rond de veertigduizend kilo. Een fiat Multipla dertienhonderd, met bagage en twee personen ietsjes meer natuurlijk. Twee seconden zijn kort, maar zoals gezegd soms lang genoeg.

Wanneer de chauffeur- die het wel overleefde maar zichzelf na deze dag omschoolde tot kraanmachinist en nooit meer door de bossen van Verdun hoefde te rijden- een biertje of twee, drie teveel opheeft, wil hij nog wel eens
vertellen over het ongeluk. Over hoe hij moest uitwijken voor iemand die zich verkleed had als een soldaat. Je weet wel, een ouderwetse uit een van de oorlogen. Over de klap. De ingeblikte man en de aan stukken gereten vrouw, verspreidt in bijna ontelbare delen over de het slagveld van Verdun. Over hoe hij haar blonde haar tussen de nog niet ontsproten bosjes zag liggen aan de linkerkant van de weg, en een been met een witte sneaker aan de rechterkant. Over hoe het geeneens meer de schijn van een kans had.

‘Wat doe je?’ vraagt Jens.

‘Mijn oren zitten dicht. Heb jij er geen last van?’ zegt Anna en ze doet haar gladde, blonde haar achter haar oren, om het er meteen weer weg te halen. Dan houdt ze op met dat idiote open- en dicht doen van haar mond om haar oren te laten ploppen.

Even een gevoel van al eens geweest, een déja-vu. Een flits.

1 april|Verhaal

Geschreven voor de wedstrijd Magie en Tovenaars van Schrijverspunt. Het werd niks. Ik hoop maar dat dit was omdat er te weinig tovenaars inzitten die Garrovsko heten en de vuurspuwende vulkanen met draken erop ontbreken. Niet omdat het een slecht verhaal was. 

Heiloo, 1-4-2019

Beste lezer,
Om nu meteen te beginnen met: wanneer je dit leest ben ik er niet meer, is wat cru maar hoogstwaarschijnlijk wel de waarheid. En laat het in deze brief nu juist daar om gaan. De waarheid. Dus beschouw het bij deze als gezegd. Ik ben weg. Maar waarheen, dat zal ik uitleggen, zeker niet in de laatste plaats om postuum mijn ‘gekke oma’ haar naam te zuiveren. Mocht ik onverhoopt terugkeren- ouder dan Methusalem maar ogenschijnlijk achtentwintig, dan zal ik dit verhaal uit eerste hand kunnen vertellen. Nu zal ik het moeten doen met wat ik heb, je weet wel: roeien met die riemen…

Er bestaat nog een wereld, een andere wereld dan deze. Ik begrijp dat je nu per direct de brief weg wilt gooien, maar wacht even. Ik heb bewijs. Sterker nog, ik kijk er nu naar en als jij zo dadelijk de bruine envelop die bij deze brief zit openmaakt (wacht alsjeblieft nog even, eerst verder lezen) dan heb jij het in handen. Dan heb jij bewijs dat de wereld waar vele verhalen over geschreven zijn- onder het mom van Fantasy- een realiteit is. Alleen zoals de realiteit vaker placht te doen: hij gaat je fantasie te boven. Geen onuitspreekbare namen voor landen die niet bestaan (ik noem even: de sage van Gdmorrog), weinig tot geen draken en ik meen ook niet veel mannen in lange gewaden of monnikskleden. Hoe dan wel? Ik kan je slechts een klein idee geven, een glimp, omdat dat alles is wat ik heb.

Op 30 december overleed Anna, mijn oma. De moeder van mijn moeder. Haar appartement waar zij haar laatste jaren sleet moest leeg. Ze woonde er alleen, zoals ze haar hele leven had gedaan. Met uitzondering van de tijd dat mijn moeder thuis woonde, toen waren ze met zijn tweetjes. Tijdens dit leegruimen vond ik het bewijs. Niet in een oude, eikenhouten kist met groot hangslot. Ik vond het in een grijze schoenendoos van de Scapino, achter de kunstkerstboom in de berging. Ik denk dat ze zelf niet meer wist dat het daar stond, aangezien ze, naast het roepen dat ze 150 jaar oud was, de laatste jaren van haar leven constant riep om de brieven van Xander. Wij hadden tot dan aan toe van ons leven nooit van Xander gehoord- althans niet uit haar mond. Ik weet dat het met een X moet worden geschreven omdat de schoenendoos deze brieven bevatte. Onder andere. Ook een drietal foto’s, die ik ondertussen op authenticiteit heb laten onderzoeken. De inkt waarmee de brieven geschreven zijn, is ook nagekeken omdat ik de kleur (zwart met glitter: galaxy) zo bijzonder vond. Niet alleen de kleur bleek bijzonder, er bleek een spoor onbekend DNA materiaal in te zitten. (Ik hoop dat je er niet met vette vingers aan wilt zitten? Bedankt.)

De eerste brief die ik uit zijn al geopende envelop haalde rook vreemd. Dat viel mij als eerst op, niet het sierlijke, priegelig kleine handschrift in die glitterinkt. Het rook verwachtingsvol, naar de eerste lentedag, alles wat je niet verwachtte van een oud stuk papier (gewoon wit, niet lichtbeige of perkament achtig).
Ik las het volgende:

Dus, mijn liefste Anna dan is dit het. Niet het einde, maar wel het onze. Ik respecteer jouw keuze, mijn hart zal nooit meer helen maar Markus en Aafje zullen de brokstukken bij elkaar houden. Het spijt mij dat ze niet mee kunnen, dat ik niet mee kan. Ik hoop dat jij en dat derde wonder dat je bij je draagt het beter zullen hebben. Weet dat degene die je achter laat je nooit zullen vergeten en wij hopen dat jij ons veilig kunt houden. Zwijg. Het ga jullie goed. Liefs X.
De brieven lagen blijkbaar op volgorde van nieuw naar oud en ik las de laatste paragraaf van de laatste brief. Natuurlijk begon ik hierna bij de onderste van de stapel. Om te beginnen bij het begin. Waarom ik dan meteen begin met het einde? Omdat ik de waarheid wil vertellen en dit is hoe het ging. Ik las het einde eerst. Wat niet deerde, want ik wist tenslotte hoe het met mijn oma eindigde-in het appartement dat aan de berging vastzat op haar 78ste, naakt op de badkamervloer waar wij haar na 24 lange uren pas vonden. Dood. Alleen.

Hier een fragment uit de eerste brief.

…en jou gezicht, Anna! Ik zie nog zo voor me hoe je keek toen je voor het eerst een libelle zag. ‘Libelle?’ zei je en pakte haar voorzichtig op en fluisterde: ‘een elfje…’ en gaf haar een van je speciale, heerlijke zachte kusjes op het puntje van haar neus. Ik kwam pas echt niet meer bij toen ze tegen je begon te praten! Ik had er een plaat van moeten maken, of hoe noemde jij dat? Een foto?

Opeens begreep ik hoe mijn oma altijd aan haar wonderlijke inspiratie kwam voor haar bedtijdverhaaltjes tijdens mijn vele logeerpartijen. Ik dacht dat ze een eindeloze fantasie bezat, maar de verhalen over krokodillen zo groot als draken waren herinneringen. Ze vertelde altijd dat ze niet echt vuur konden spuwen, maar dat de krachtmensen (in mijn zesjarige belevingswereld waren dit een soort tovenaars) het je wel konden laten geloven. Je zag het echt. Maar het was er niet. De brief gaat nog drie kantjes verder en ik kwam al snel tot de conclusie dat er iets was opgebloeid tussen Oma en Xander. Als je van romantisch gezever houdt, moet je het zelf maar even doorlezen. Ik ga verder met de derde brief:

Liefste,
Als je deze brief vindt, die ik in jouw zak heb gestoken vanmorgen toen Marcus en Aafje net naar mijn zus waren gebracht, is het niet gelukt. Je zult alleen zijn aangekomen in je eigen wereld en ik beloof je zo snel mogelijk de kinderen weer op te halen. Het is een enorme teleurstelling voor ons beide. Als ik niet naar jouw kant kan komen, kunnen de kinderen ook niet heen en weer reizen. Je zult terug moeten keren. Ik ga er van uit je snel weer te zien. Neem wel voldoende tijd om te genieten van alle dingen die je hier altijd zo mist. Hoe noemde je het? De regen, mist, de drukte en stoffigheid en natuurlijk je familie. Je andere familie…

Ik moest een paar keer de namen lezen, voordat er een belletje ging rinkelen. Mark en Aaf. Zij waren de kindertjes in oma’s verhalen over eenhoorns, reuze slangen, tamme mieren en pratende salamanders. De wereld die oma schetste, de wereld van Aaf en Mark was groener dan groen, de appels glommen altijd aan de bomen, de aardbeien waren immens en sappig en de hemel was immer blauw. Het rook er naar, naar…ik denk naar de brieven. Ruik er maar voorzichtig aan. Waar doet het je aan denken? Fris, schoon en bloemig? Zoiets toch? En Mark en Aaf waren bijzonder, want zij konden iets wat wij niet kunnen. Zij kenden de geheimen van de magie. Ze konden zich verplaatsen zonder reizen, konden spullen verschuiven vanaf grote afstand en praatten met elkaar zonder woorden. Ze konden zien wat er verderop gebeurde, zonder er te zijn. Zonder hun ogen. Ik was vroeger zo jaloers.

Trouwens, nog even over de foto’s. De eerste keer dat ik ze zag, daar in de berging waar ik op de grijze betonnen vloer was gaan zitten, schrok ik mij rot. Ik weet natuurlijk niet of jij mij wel eens hebt gezien, maar de foto waarop het gelukkige gezinnetje staat afgebeeld met vader moeder, zoon en dochter deed mijn hart even overslaan. Het was net of ik naar mezelf keek. Ik zou best eens met open mond hebben kunnen kijken. Maar ach, niemand zag mij. Je snapt dat ik het niet zelf was, maar blijkbaar gruwelijk veel op mijn opa lijk. Niemand had het mij ooit verteld. Natuurlijk.
Nadat ik de foto’s had bekeken, alle brieven doorgelezen en weer met de eerste die dus de laatste was eindigde, had ik mijn conclusie getrokken. Mijn besluit genomen.

Het was de p.s. onder de laatste brief die mij…wacht lees zelf maar:

Ps. Je hebt nog zeker vijf weken voordat de baby komt. Lieverd, alsjeblieft, als je ook maar een moment twijfelt kom dan terug voordat het te laat is.

Mijn moeder is een couveuse kindje. Ze kwam bijna vijf weken te vroeg ter wereld. Mijn oma had geen keuze meer.

De keren dat mijn oma, met tranen in haar ogen, uit het raam in het niets staarde zijn ontelbaar en in mijn geheugen gegrift. De verhalen die ze mij vertelde deden haar ogen altijd stralen, maar de rest van de avond hing er een grauwe sluier van melancholie over haar gezicht.

Ik heb de brieven van voor tot achter gelezen. Als jij ook die moeite neemt, weet je ook hoe je deze andere wereld kunt bereiken. Blijf maar hier. Maar ik ga. Ik ga Xander zoeken, Aafje en Marcus en vertellen hoe ze gemist zijn al die jaren.

Groeten,
Xandra

Hoe om te gaan met een agressief everzwijn|Column

Nou inderdaad, wat een aparte titel voor een blog van Maartje. En was ze niet voor het eerst in driehonderd jaar een weekend zonder kinderen weg? Hoe is dat gegaan dan? Is ze aangevallen?!
Als eerst kan ik je geruststellen. Ik heb nul everzwijnen ontmoet de afgelopen dagen. Zelfs nog nooit in mijn leven. En ja, het weekend weg was in alle opzichten geslaagd. Mooi weer, goed gezelschap, niet stilletjes geweend om het zware gemis (ik was bij de ring Amsterdam al aan het kinderloze bestaan gewend) en prachtige locaties. Dit levert dus totaal geen materiaal voor een stukje schrijven. Wie wil er nou horen hoe iemand anders genoten heeft? Men leest graag kommer, kwel en leedvermaak. Gaat niet lukken.
Ik was van plan het hele weekend maar niet meer aan te halen. Tot het woelvarken weer in mijn leven kwam. Niet in levende lijve, maar daardoor niet minder aanwezig. Want naast alle kinderachtige, irrationele angsten zoals zombies, kerkhoven, spoken en ander gespuis, heb ik ook legitieme fobieën. Hoog genoteerd in de lijst van angsten voor zaken die wel bestaan, staat het everzwijn- beter bekend als het woelvarken door mijn panische gegil: ‘kijk, daar hebben ze weer gewoeld!’
Tijdens dit weekend zaten we op een avond kinderloos te eten en te genieten van de jonge ouders die steeds roder van ellende werden door hun gillende dreumes, toen mijn vriend mij weer eens bespotte met mijn woelvarkenfobie. ‘Een varken. Wie is er nu bang voor een varken,’ zei hij spottend en ik greep naar mijn telefoon. ‘Ze zijn alleseters hoor,’ begon ik ter verdediging en typte haastig zoektermen in. ‘Als de Maffia je te pakken heeft, voeren ze je zo aan de varkens!’ zei ik en mijn vriend begon zich te schamen voor eventuele Nederlandssprekende mensen om ons heen. Ik draaf soms nogal door. Nadat google pakte, las ik snel de afmetingen van een volwassen zwijn hardop voor. Die zijn niet misselijk: kop- kont 180cm, schofthoogte 90 cm en tussen de 250 en 300 kg is geen wereldrecord. Vriend gaf me gelijk dat ze niet klein zijn. Dat moge duidelijk zijn ook. Aangezien ik een warm toetje had besteld (je kent ze wel, chococake met zacht binnenste) en we tijd moesten doden, mocht ik tips opzoeken en voorlezen over aanvallen van everzwijnen. Die komen dus gewoon voor. Inderdaad als ze jonkies hebben, maar in de Ardennen vaker dan elders. (Mijn oksels begonnen reeds te klotsen) Door de velen wegen worden er vaak zwijnen aangereden en ook door de jacht raken ze gewond. En laten die dieren nou toch een beetje knorrig worden als ze gewond zijn. En dan zetten ze de aanval in. (Iets met ik au, jij ook au?)
In de hoop jouw leven op een dag te kunnen redden, deel ik graag de tips die ik las. Ja je kan ze ook zelf opzoeken op het internet, maar ik heb er nog nader denkwerk op los gelaten. Want daar heb je tijdens de aanval zelf geen tijd voor. Ze schijnen razendsnel te zijn. Dus, stel je voor: je loopt nietsvermoedend in de Ardennen (Of op de Veluwe) te recreëren tussen de bomen en in de verte zie je een wild zwijn op je afkomen. Dan is dit de beste oplossing:

Ga nooit rennen
Superkutte tip, want het is sowieso een soort van instinctief iets én het is de enige vaardigheid waar ik nog wel eens voor oefen. Dus niet rennen. Je mag wel langzaam achteruit lopen.

Klap in de handen
De melodie/ het ritme maakt geloof ik niet uit. Ook moet je er langzaam en hard bij praten. Niet gillen. Omdat het waarschijnlijk lastig is iets zinnigs te zeggen en de herhaling van ‘braaf varkentje, braaf varkentje,’ het niet zo brave varkentje kan gaan tegenstaan, leek het mij handig om dán de tips hardop te vertellen. Hoogstwaarschijnlijk loop je er niet in je eentje en nog waarschijnlijker heeft diegene deze blog nooit gelezen. Deel dus snel, al klappend, de tips. Eventueel in zangvorm, je bent tenslotte nog steeds op een uitstapje.

Klim in een boom of op een auto
Mocht het varken nog niet invallen maar juist willen aanvallen dan is het tijd om het hogerop te zoeken. Er stond op de pagina die ik las: het everzwijn kan niet klimmen. Nee, dat leek mij ook nogal lastig met een lichaamsgewicht van 300kg en alleen een paar kleine hoefjes. De klim in de boom/ op de auto tip moet je natuurlijk ruim zien. Alles wat beklimbaar is zal voldoen. Mits hoeven er geen grip zullen hebben. Het lijkt een handige tip, totdat je eens goed kijkt naar de bomen in een bos. Ze zijn niet zo beklimbaar en al weten de zwijnen de auto’s goed te raken, ze liggen meestal niet voor het oprapen op de gele wandelroute van zeven km. Kortom: is er iets te klimmen. Doen. Zo niet dan raadt ik de volgende tip af.

Verschuil je achter een boom
Omdat ze slechte ogen hebben zou een verschuiling achter een boom kunnen werken. 1- probeer er maar helemaal achter te passen. Dat lukt maar weinig mensen. 2- Sinds wanneer houden bomen mensengeur tegen? Ik neem aan dat ze een goed ontwikkelde neus hebben om dat slechte zicht te compenseren. 3-En moet je nog klappen en praten of moet je doen of je opeens weg bent? Teveel vragen.

Hier hielden de reguliere tips op.
Mijn eigen opties (nog nooit uitgevoerd):
-Zorg dat je niet naar mens ruikt. Hoe precies? Door het insmeren met uitwerpselen van andere varkens leek mij naast goor ook riskant. Wie weet ziet hij je als een lekker wijfje of een concurrent. Veel parfum en dranklucht zou het proberen waard zijn dacht ik zo. (Nou, inderdaad. Misschien heb ik er daardoor nooit eentje in het echt gezien.)
-Lokvoer. Het wordt afgeraden de dieren te voeren, maar er moet toch een ultiem gerecht zijn dat ze alle pijn en mensenvlees meteen doet vergeten. Dit verdient nader onderzoek. Of wie het weet mag het zeggen.
-Aanval is de beste verdediging. Die snuitjes zijn vast erg gevoelig. Wandel met een stok en geef een gerichte tik op de wroetschijf van de snoet. Dit zal wel moed en precisie vereisen. En weinig tot nul dierenliefde.
– Ga voortaan wandelen met de kinderen. Hoe meer hoe beter. Lawaai zal ze op afstand houden of je kunt die pareltjes voor de zwijnen werpen. Als die weekendjes erg goed bevallen.
(Ja. Grapje. Natuurlijk.)

Ken je die mop van die vrouw die op vakantie ging?|column

Kijk, met zwembad én aan het strand.’ Vriend geeft mij zijn telefoon en ik kijk naar de zoveelste foto van een hotel, met een zwembad.
‘Ja, blauw water en een groot hotel, maar waar is het in godsnaam?’ vraag ik zuchtend en geef de telefoon weer terug. Vriend kijkt al iets minder blij, ik hoor hem nog net niet denken: daar gáán we weer. Maar inderdaad daar ga ik weer. Ik kom weer met mijn monoloog over dat ik niet aan een zwembad ga liggen, zeker niet in een bikini, en na een half uur op het strand heb ik het ook wel bekeken. En trouwens is het daar nu nog helemaal niet zo warm als op de foto’s. Als afsluiter druk ik hem het overzicht van Weeronline onder zijn neus.
We veranderen weer van land en zoeken verder. Ondertussen kruipt de datum steeds dichter bij.

‘Ik weet waar jullie heengaan. Jullie zitten straks gewoon in Heiloo. Thuis,’ zegt iemand en de rest lacht. Die denken precies hetzelfde. Wij lachen als boeren met kiespijn. Vriend heeft al meerdere uitjes en werk afgezegd en tegen ieder die dat wilde horen verteld dat hij een paar dagen heerlijk naar een warm oord gaat. Misschien zelfs wel de Canarische Eilanden.
Als we ’s avonds voor de tigste keer door alle vakantieaanbiedingen heen scrollen opper ik voor de grap om echt thuis te blijven. Hup, kinderen naar de logeeroppas en lekker uiteten, uitslapen en boekjes lezen. Opeens zit ik te janken. Ik denk dat vriend toen meteen al zijn als favorieten aangevinkte vakanties heeft gedeletet op dat moment. Hysterisch som ik alles op en gooi het lekker op één hoop: we hebben nog niemand voor de katten, Dochter moet naar haar vader in Alkmaar maar wel nog naar school in Heiloo, ik heb nog een ouderavond, we zouden drie dagen en nu zijn het er al zes en ik ben nog nooit zonder kinderen op vakantie geweest en ik heb nog nooit gevlogen.

Vriend, praktisch als mannen zijn, had juist gedacht dat het een leuke combi was: voor het eerst vliegen én voor het eerst weg zonder kinderen. Ik begon er bijna van te kotsen inmiddels. Nog even en ik zou zeker ook nog een snelcursus moeten doen voor mijn rijbewijs. Nee, die heb ik ook niet. En ja, het zou kunnen dat het leuk is dit allemaal voor mijn veertigste nog te doen maar als dat huilend en kotsend moet zie ik er de toegevoegde waarde niet van in.

‘Ja, maar jij roept altijd dat je weg wilt zonder kinderen…’ probeert hij nog wanhopig.
Het ís waar.
‘Kunnen we alsjeblieft gewoon naar België, bier drinken en dorpjes bekijken en…’ zeg ik en ik word er opeens weer een beetje blij van, van dit uitje.
‘Best. Als je maar normaal doet nu. En ik zeg wel tegen iedereen dat je niet durft te vliegen,’ zegt hij en begint te zoeken naar hotelletjes in de Ardennen. Zonder morren.
Het kan zijn dat ik toen in mijn euforie zelfs een oorlogsmuseum heb voorgesteld plus misschien een nachtje in ons ‘tweede’ huis in Frankrijk. Maar dat zeg ik liever niet want dan ben ik dus alsnog een klein beetje gewoon thuisgebleven.

De sollicitatie

‘Goedemiddag, neemt u plaats.’
‘Bedankt. Ik kom hier voor de functie…’ zeg ik en hij onderbreekt mij direct.
‘Molenaar, is het? Ja ik zie het al. U heeft zich online aangemeld?’
Ik knik.
‘Goed. U heeft de informatie die wij u mailde goed doorgenomen?’
‘Informatie? Het waren alleen foto’s.’
Hij kijkt mij aan en weer naar zijn formulieren voor zich op tafel: ‘Ja, precies. Dat bedoelde ik. Prachtig niet? Ik vind ze zelf vreselijk ontroerend. Nog steeds.
Ik zal weldra wat uitgebreider op de functie zelf ingaan. Eerst wil ik nog mededelen dat, mocht u aangenomen worden, er een ontgroeningsritueel vlak voor aanvang is. Meestal komen er het nodige bloed, poep en vaak ook hechtingen bij kijken. Heeft u daar problemen mee?’
Met grote ogen schuif ik mijn stoel naar achter en wil opstaan.
‘Wacht. Vergeet niet dat het een baan is voor minimaal 18 jaar. Op papier. In werkelijkheid is hij voor het leven.’
Ik ga weer zitten. Mijn pijngrens is vrij hoog.
‘Hoe zit u qua stressbestendigheid?’
Ik kijk hem vragend aan.
‘Kunt u presteren met jarenlang een paar uur slaap per nacht? En multitasking, is dat aan u besteed?
Ik slik. ‘Jawel…’
Hij kijkt in zijn papieren: ‘Bent u 24/7 beschikbaar?’
‘Wat is de salariëring?’ Ik durf het eindelijk te vragen.
‘Wat?’ Hij lacht. ‘Heeft u niet gelezen dat het een om een onbetaalde baan gaat?’
‘Ja, ja, natuurlijk,’ zeg ik vlug. ‘Waar kan ik tekenen?’
‘ Hier op de stippellijn. U kunt over negen maanden beginnen.’

Schrijfwedstrijd ‘Moeder’ van de VAK Delft~ Bij de zes genomineerden van de 225 geëindigd.