Lunchtijd

De deuren sloten achter haar. Ze liep naar de derde deur rechts, klopte even en stapte naar binnen. ‘Verrassing!’ riep ze en propte haar handschoentjes in haar schoudertas.

‘Zo, kom je eindelijk eens kijken wat ik doe om al die jurken te kunnen kopen voor je?’ lachend zette hij een klein glazen flesje naast een injectienaald en keek naar zijn vrouw. ‘Ben je lopend?’ vroeg hij. Ze knikte.

‘Kom, kom. Moet je kijken, ik heb net de derde testgroep geprepareerd.’ Hij gebaarde dat ze naast hem moest komen staan. Samen keken ze naar een van de vijf identieke kooien vol witte ratten. Ze telde er 15 per kooi.

‘Wat moet ik zien?’ haar aandacht al verliezend keek ze van de ene kooi naar de ander en kneep ondertussen in het achterste van haar man. ‘Ik heb Erik en Lisa uitgenodigd voor de borrel vanavond. Dan zitten we in totaal op drie extra man in huis. Dat mocht toch? O, en had je het nog gehoord van Arend Everts? Je weet wel, van nummer acht?’

Berend kijkt zijn vrouw vragend aan en ze antwoordt door een onzichtbaar touw boven haar hoofd omhoog te trekken, haar hoofd scheef te houden en haar tong naar buiten te laten bungelen.

‘Zat hij niet al maanden thuis? Was hij van “Café Nooitgenoeg”?

Lena knikt. ‘Afgelopen donderdag was hij officieel failliet verklaard.’

‘Heftig.’  Berend wrijft even over het kleine baardje op zijn kin, denkt na en kijkt dan weer naar de krioelende beesten.

‘Deze groep heb ik net geïnjecteerd. Die andere twee daar gister en eergister en de kooi daar op het einde blijft virusvrij. Binnen niet al te lange tijd,’ hij keek even op zijn horloge, ‘zal het kunstmatige toegevoegde hormoon dat angstgevoelens opwekt vrijkomen. Nog voor de eerste rat ziekteverschijnselen krijgt.’

‘Heb je die arme beestjes ziek gemaakt?’

‘Niet zieker dan een normale rattengriep. Alleen de zwakkeren zullen het er wat zwaar mee krijgen. Nee, waar het om gaat is het volgende: Ik wil onderzoeken of ze door de toegevoegde angstige gevoelens heftiger zullen reageren op de zieke ratten, hun omgeving en hoe ze omgaan met eten.’

Lena keek nu op haar eigen horloge. ‘Hmm, oké. Waarom zou je iets onderzoeken dat niet bestaat?  Ze zag in de een na laatste kooi een grote, goed doorvoede rat een wat magerdere soortgenoot aanvallen. Met zijn scherpe rattentandjes trok hij plukken haar en stukken oor van de minder fortuinlijke kamergenoot. ‘Getver, Berend. Kijk daar.’

In zijn handenwrijvend liep Berend op de kooi af en greep naar zijn notitieblok. ‘Had je mijn lunch mee?’ vroeg hij zonder omkijken. Lena haalde een lichtblauwe broodtrommel en een flesje water uit haar tas en zette het op zijn bureau. ‘Goed. Dan zal ik je maar weer alleen laten met je maatjes.’ Ze liep richting de deur. ‘Ik denk dat ik liever met de trein terugga?’

Berend keek op van zijn schrijven. ‘Maar je hebt niets mee zeker?’

Lena schudt haar hoofd en antwoord: ‘Alleen handschoenen, maar die had ik op de heenweg ook al aan.’

Berend loopt naar zijn bureau en trekt de onderste lade open. ‘Alstublieft mevrouw, één mondkapje, verse wegwerphandschoentjes en een flacon ontsmettingsgel voor uw handen.’

Lachend pakt Lena het aan, stopt het in haar tas. ‘Als jij vanavond de wijn haalt, kun je dan meteen even in de supermarkt hier om de hoek kijken of er nog toiletpapier is? We hebben nog maar drie rollen.’

Berend knikt, buigt naar haar toe en geeft haar een kus. ‘Tot vanavond schat.’

De buitendeuren sissen weer open en sluiten weer achter haar. Zonder opletten stapt ze naar buiten en botst bijna tegen een man met een blauw colbertje, een witte bloes die strak om zijn buik spant en spijkerbroek aan. ‘Jezus kun je niet uitkijken! Anderhalve meter, bitch!’ schreeuwt hij haar toe terwijl hij snel een stap opzij doet. Dan kijkt hij haar aan, knijpt zijn ogen tot spleetjes en een lachje verschijnt. Hij doet een klein stapje haar kant op, opent zijn mond en hoest in haar gezicht.

Sluitingstijd

 

Ze draaide de deur op slot, bleef even staan en zag het oranje lampje geruststellend knipperen. Het alarm zou de rest van de nacht zijn werk doen. Het was een rustige dinsdagavond geweest in Snackbar “de Smikkel Corner”. De miezerregen liet de frituuraroma’s uit haar haren ontsnappen. Snel liep ze in de richting van de Herenweg, op weg naar haar huis en de douche.

‘Dat je nog gaat douchen op dat tijdstip,’ had haar collega vanmiddag weer eens gezegd. Dat jij dat níet doet, had ze zelf gedacht. ‘Belachelijk dat je als vrouw zo laat nog alleen over straat gaat,’ hoorde ze nu ook haar moeder weer zeggen. De stemmen hielden haar gezelschap in de stille straten.

De donkere vensters leken haar te observeren; hoe ze daar liep met haar schouders naar achter en haar rug recht. ‘Straal dan in ieder geval zelfverzekerdheid uit,’ was haar moeder verder gegaan met haar waarschuwingen. Ze hoorde twee paar voetstappen: die van haarzelf en haar echo. Nonchalant keek ze over haar schouder. Niets natuurlijk.

Soms na een vervelende klant eerder op de avond, deed ze op de terugweg naar huis alsof ze belde. Dan bleven de echo’s hardnekkig niet op haar eigen stappen lijken, bleef haar ademhaling onregelmatig en haar hartslag te snel. Nu niet. Het was een rustige dinsdagavond geweest die overgegaan was in een rustige dinsdagnacht.

Ze sloeg linksaf de Van der Veldenlaan in en wist dat als ze straks de Holleweg opliep, na twaalf huizen de lichten van nummer 138 zouden branden. Voor het raam, de televisie luid tetterend, zat hij iedere avond- althans op de avonden dat ze langsliep in ieder geval- en keek naar buiten. Ze zwaaide altijd, hij zwaaide nooit terug.

Het was een rustgevend ijkpunt, die norse grijzende meneer met de grote neus op nummer 138. Haar telefoon piepte, niet geruststellend. Het geluid dat de batterij het opgaf. Ze graaide in haar bruine schoudertas en zag wat ze vermoedde. Leeg. Nog zeven huizen en ze zou weer voor niets zwaaien, opgelucht dat ze er bijna was. Ze stak een verdwaalde Mentos in haar mond.

Nog vijf huizen. Ze kon de blauwe schittering van zijn televisiescherm al op de stoeptegels zien. Achter haar klonk het geratel en gepiep van een oude stations fiets die rap naderde. Ze hield haar rug recht en voelde haar hart even een glijder maken.

‘…ja en toen zei ik tegen hem dat hij hem maar…’ De stem van de jonge fietsster kwam dichterbij, was naast haar en verdween voor haar in de semi-vochtige nacht. Zie je nou wel mam, dacht ze en haalde toch opgelucht diep adem. Een grote teug.

Haar ogen keken naar de zijne. Haar hand hield ze omhoog. Ze zwaaide ongecontroleerd. Haar andere hand krabte aan haar keel, alsof ze de vastgeschoten Mentos van buitenaf probeerde te bereiken.

Zijn ogen waren op haar gericht terwijl ze op haar knieën viel, haar ogen wegdraaiden en haar hoofd met een doffe klap de klinkers raakte. Snot liep uit haar neus en bloed uit haar wenkbrauw.

Wie durft te zeggen dat mannen geen twee dingen tegelijk kunnen, dacht hij vanachter het dubbele glas en liet zijn vingers over de puntjes in zijn boek glijden terwijl de herhaling van het late journaal door zijn warme woonkamer klonk.

De Klok (deel drie)

De deur is geeneens op slot. Renate had zichzelf binnen kunnen laten, denkt Sanne terwijl ze de deur opent. ‘Hoi,’ zegt ze tegen haar grote zus. Haar grote zus die altijd alles zo goed voor elkaar heeft maar nu met een slordige staart en een bleek gezicht voor haar staat. Mama, er is wat met mama, denkt ze meteen. ‘Wat eh, kom je doen?’
‘Neem jij ooit wel eens je telefoon op? Thuis zit je de hele dag met dat ding aan je hand geplakt,’ zegt de oudere, dunnere en betere versie van Sanne tegen haar en loopt langs haar de keuken in. ‘San, je moet niet schrikken,’ begint Renate.
Zie je, toch mama. Of misschien pap ook al mankeert hij nooit iets. Sanne begint al een beetje te huilen zonder de boodschap gehoord te hebben. Visioenen van auto ongelukken, hartaanvallen op de fiets of een overval op de supermarkt waarbij toevallig haar moeder neergestoken wordt schieten door haar hoofd. ‘Is het mama?’ fluistert Sanne, bang om het hardop te zeggen.
Renate schudt haar hoofd en pakt Sannes handen. ‘Nee, het is erg maar niet zo erg. Het is oma. Minnie is gisternacht in haar slaap overleden.’

‘Wat?’ Sanne lacht door haar tranen heen. Wat is dit voor stomme grap. Renate kan haar gewoon zien zitten als ze nu de woonkamer in kijkt. Sanne draait zich om. De bank is leeg. ‘Wacht even Naat.’ Sanne loopt de kamer door het halletje met de badkamer in. De badkamerdeur staat open, de badkamer is leeg. Met twee treden tegelijk stuift ze de trap op. Het bed in de slaapkamer, de enige slaapkamer, is leeg, opgemaakt en oma’s spullen- het koffertje- staan er niet meer.
Van beneden klinkt de stem van Renate. Of het wel goed gaat met Sanne. Of ze ook naar boven moet komen. Sanne roept terug dat ze er aan komt en gaat zitten op de rand van het bed. Ze houdt haar gezicht in haar handen en staart naar haar voeten en het beige tapijt. Vanonder het bed steekt een klein vierkant doosje. Met haar linkerhand pakt ze het, het blijkt een luciferdoosje te zijn van hotel/ restaurant “de Klok”. Dat staat er met sierlijke, ouderwetse letters op.
Achter haar moeder loopt Renate en daarachter Sanne. Renate houdt haar rechterhand lichtjes op de schouder van mam. Wanneer Sanne langs de kist loopt legt ze even haar hand erop en kijk naar de foto van Minnie, genomen tijdens de familie kerstfotoshoot afgelopen feestdagen. Ze straalt. Ze draagt de kleine oorbelletjes met zilveren schelpjes. Sanne glimlacht en veegt een traan van haar gezicht.
Zondagavond was ze direct met Renate mee naar huis gegaan, naar mama. In de auto probeerde Sanne aan Renate uit te leggen dat ze oma nog had gezien. Met de nadruk op probeerde, want hoe leg je zoiets uit zonder voor complete mafkees gezien te worden. Renate had geantwoord dat mensen dat vaker inbeelden na een overlijden. Ze ratelde nog iets over dat Sanne eens wat minder zou moeten drinken en sinds de breuk met Ferdi zichzelf niet was. Ze ging aan het feit voorbij dat Sanne tot een uur geleden nog helemaal niet van op de hoogte was van Minnie’s overlijden, maar toen ze naar het bleke gezicht van haar zus keek en haar zenuwachtig op haar lip zag bijten hield ze er maar over op. Wie weet had ze het zich wel ingebeeld? Als dat zo was, dan was het misschien toch tijd dat kaartje van de psycholoog dat mam haar drie weken geleden had gegeven uit haar nachtkastje op te diepen en een afspraak te maken.

De kist is gesloten. Gelukkig. Oma had altijd gezegd: ‘Ik ga daar niet een beetje te schande liggen. Geen aapjes kijken als ik daar dood lig te zijn.’ Meestal ging ze daarna nog minutenlang door met omschrijvingen van overledenen waar ze de afgelopen jaren wel in de kist had kunnen kijken. Fraai waren deze beschrijvingen niet, wel gedetailleerd.

‘Alsjeblieft,’ zegt haar vader en geeft haar een witte kop en schotel aan. Koffie. Geen crematie zonder koffie.
‘Dank je, pap.’ Voorzichtig neemt ze een slokje. Hij smaakt zoals verwacht. ‘Hey, pap?’
‘Hmm?’
‘Heeft oma het wel eens over ene Thomas gehad?’ vraagt Sanne aan haar vader.
‘Niet dat ik mij kan herinneren, maar…’ hij kijkt peinzend.
‘Wat?’ Sanne neemt een tweede slokje en besluit dat het tevens het laatste slokje was en snel zet ze het fantasieloze kopje op een sta tafel achter haar.
‘O, ik weet het al. Ik heb het er net nog met je zus over gehad. Kijk, die meneer daar,’ hij wijst naar een dunne, lange man met donkergrijs haar. Hij staat aan de andere kant van de koffiekamer en houdt zich vast aan de leuning van een stoel. ‘Je zus en ik wilde je moeder er niet mee lastigvallen maar we konden hem niet plaatsen. Hij is geen familie in ieder geval en verder hebben we hem nooit gezien. Hij heet Thomas, zei Renate.’ Sannes’ vader kijkt trots. Meestal is het haar moeder die de roddels en achterklap bij houdt bij dit soort gelegenheden.
‘Echt?’ fluistert Sanne.
Haar vader knikt, maar als ze aanstalten maakt naar de andere kant van de zaal te lopen pakt hij haar bij de arm. ‘Over tien minuten moeten we de zaal uit en je hebt tante Aaf nog niet gesproken,’ zegt hij streng. Sanne knikt en loopt snel naar tante Aaf die naast haar moeder en hun twee broers aan de grote tafel in het midden van de ruimte staat zitten. Haar moeder plukt aan het kleine, nepplantje dat op een papieren kleedje staat dat voor kant moet doorgaan. Sanne probeert de zogezegde Thomas aan de andere kant in de gaten te houden maar wanneer ze voor de derde keer opkijkt van de priemende oogjes en maar door kakelende mond van tante ziet ze hem niet meer. Zenuwachtig scant ze de zaal af met haar ogen. Hij is weg. Ze mompelt een excuus loopt vlug naar de deur.

Het is belachelijk heet voor een namiddag in mei. Achter haar klinkt het monotone gezoem van de ringweg Alkmaar en voor haar strekken de groene velden, onderbroken door slootjes, voor haar uit tot ze overgaan in de duinen van Egmond. Ze loopt rechts om het crematorium heen en gaat op een bankje aan de slootkant zitten. Haar telefoon gaat. Het is Ferdi. Ze drukt hem weg. Het is goed met hem. Ze heeft gehoord, of eigenlijk via de Facebookpagina van een vriend van een vriend gelezen, dat Bente met vriendinnen op vakantie is. Nu is ze zeker goed genoeg. Het arme ex-je mag op komen draven omdat meneer slecht alleen kan zijn. ‘Kus m’n reet,’ zegt ze tegen het weggedrukte telefoontje.
‘Nou, nou…’ klinkt er van rechts achter haar en als ze echt dat slechte hart zou hebben wat ze vaak ten onrechte denkt, was hij er nu mee gestopt. Ze draait zich om op het bankje en voelt het ruwe hout over haar zwarte panty schuren. Achter haar staat, met zijn beide handen de knop van een zwart glanzende wandelstok omklemmend, de lange, magere heer.
‘Thomas?’ vraagt Sanne.
‘In hoogst eigen persoon,’ zegt de oude Thomas en maakt een hoffelijke buiging. ‘En u moet Sanne zijn,’ zegt hij tot Sannes’ verbazing.
‘Je oma heeft een foto van je laten zien,’ verklaart hij en dat roept nog meer vragen op.
‘Wilt u misschien even komen zitten?’ Sanne wijst naar de plek naast haar en Thomas loopt stram maar zeker om het bankje heen. Net als oma kreunt hij bij het zitten gaan.
‘Over twintig minuten wordt ik opgehaald. Het lijkt mij aangenaam die tijd met u hier door te brengen.’ Hij glimlacht naar haar en zijn stem is donker en met een accent dat wel Duits moet zijn.

Thomas glimlacht. ‘De liefde van haar leven. Dus toch,’ zegt hij en lacht nu zelfs even hardop. Sanne heeft hem in grote lijnen verteld wat ze van oma gehoord heeft. Hij onderbrak haar niet, knikte vaak bevestigend. Als Sanne eraan denkt dat ze het verhaal pas afgelopen weekend heeft gehoord gaan de haartjes op haar armen, ondanks de buitentemperatuur van woestijnhoogte, omhoog. Ze weet honderd procent zeker dat ze oma nooit eerder over Thomas heeft gehoord.
‘Alleen oma zei dat u na dat half jaar niet terug was gekomen?’
‘Klopt. Dat van die brieven, daar had haar vader goed over nagedacht. Ik tekende uiteindelijk bij. Vrijwillig. Na anderhalf jaar zagen we elkaar weer.’ Thomas z’n gezicht betrekt. ‘Er kan veel gebeuren in anderhalf jaar.’
Sanne kijkt op haar mobiel. De twintig minuten zijn bijna voorbij. ‘Hoe ging dat?’
‘Per ongeluk.’
‘Hoezo?’
‘Ik had haar nog niet verteld dat ik weer terug was. Ik liep door de dorpsstraat ter hoogte van waar nu die boekwinkel zit en nog geen twee meter voor mij liep ze. Gearmd met wat later bleek jouw opa. Ik bleef een klein eindje achter ze aanlopen en bij de boulevard aangekomen sloegen ze rechtsaf naar de vuurtoren. En toen ik haar van opzij zag, verdween het laatste beetje hoop dat het ooit nog weer zou worden hoe het was.’ Hij slikt even, wrijft door zijn haar.
Weer gaat Sanne haar telefoon. Ze ziet Thomas kijken naar het beeldscherm waar in grote letters Ferdi staat. ‘Niet opnemen. Je oma heeft mij over hem verteld. Het is een sukkel. Iemand als jij verdient beter.’ Hij klopte even op haar knie.
‘Heeft u mijn hele liefdesleven besproken of hoe zit dit?’ Ze word zelfs even een klein beetje boos op Minnie. Heeft mama dat bemoeierige dus toch van haar, denkt ze.
‘Nee kind, dat kwam terloops ter sprake. Ik ken iemand precies als jij. Kiest altijd de verkeerde, zit altijd in een relatie die vanaf dag een al gedoemd is te mislukken. Minnie en ik wilde jullie aan elkaar voorstellen binnenkort. Alleen je weet hoe ze is, ze wilde hem eerst zelf goedkeuren. Ik zat zaterdag klaar met Job om haar te ontmoeten, alleen, naja zoals je begrijpt is dat niet doorgegaan.’
Ze zwijgen beide een moment.
‘Wat was het dat u zag, toen oma daar naar de vuurtoren liep?’ verbreekt Sanne de stilte. Thomas beeldt met zijn beide handen een dikke buik uit. ‘Jouw moeder was onderweg. Ik bleef staan en keerde om. Pas drie weken later, of misschien zelfs wel vier nodigde ik haar en haar man via een brief uit wat te drinken in “De Klok”. Ik had inmiddels van Els vernomen dat ze getrouwd was en had mijn verkering met Brechtje in ere hersteld. De ochtend voor de koffie afspraak vroeg ik haar zelfs ten huwelijk.’
‘Dat moet een verdomd ongemakkelijke ontmoeting zijn geweest zeg.’
‘Dat was het zeer zeker. En pijnlijk. Ook voor je oma.’
‘Hoezo?’
‘Later vertelde ze mij dat ze daar, toen ze mij daar naast Brechtje zag zitten, inzag dat ze een verkeerde keuze had gemaakt.’ Thomas heft zijn handen op in een gebaar dat moet zeggen: maar helaas…
‘Ze liet mij voelen hoe de baby schopte. Ze legde haar hand op mijn hand en het deed zo’n pijn te beseffen dat het anders had kunnen, nee had moeten zijn.’ Even veegt hij snel langs zijn ogen. Sanne legt even haar hand op zijn schouder.
‘Ik gaf haar mijn adres, ik had een kamer gevonden in IJmuiden, en al na een week schreef ze mij. We schreven over en weer over ons leven. Mijn eerste kind werd een jaar na dat van haar geboren. We leken wel een soort van penvriendinnen.’ Thomas lacht. ‘En dit hebben we nooit iemand verteld,’ hij kijkt haar streng aan, ‘en ik zou het op prijs stellen dat je het voor je houdt, maar ieder jaar in mei spraken we af voor een kop koffie.’
Sanne maakt aanhalingstekens met haar vingers in de lucht en vraagt: ‘Een kop koffie?’
Thomas kijkt haar met een blanco uitdrukking aan en laat zijn handen in zijn schoot rusten en zegt: ‘Koffie. Gewoon koffie. Oké, soms een wijntje of een biertje. Met bitterballen als je oma niet aan de lijn was. Bij het afscheid haalden we vaak nog een ijsje die we ieder alleen opaten, wanneer onze wegen weer scheidden. Minnie nam altijd die vrolijke spikkeltjes op haar ijsje de laatste jaren.’ Zijn ogen krijgen iets wazigs en hij kijkt naar de duinen in de verte.
Sanne voelt haar gezicht nat worden. Haar schouders schokken. ‘Wat een rotverhaal eigenlijk,’ zegt ze tussen twee snikken door.
Thomas haalt zijn schouders op: ‘Zo is het leven nu eenmaal kindje.’
Uit haar, voor de gelegenheid van haar zus geleende zwarte tasje haalt Sanne een luciferdoosje. ‘Kijk,’ zegt ze en opent het doosje. Op de plek waar de lucifers hadden gelegen liggen twee kleine, zilveren schelpjes.
Thomas pakt het doosje aan en haalt de oorbellen er voorzichtig even uit en doet ze dan terug. ‘Die heb ik haar voor haar vijftigste verjaardag gegeven.’
‘Ze droeg ze altijd, zelfs op die foto…’
‘Op de kist, ik zag het,’ vult Thomas haar aan en hij veegt nu ook een traan weg. Samen zitten ze in de warme, windstille voorjaarszon en kijken naar het trillen van de lucht in de verte en de wazige duinen.
Dan geeft hij het doosje weer terug. ‘Hier houd jij ze maar.’
‘Ik heb geen gaatjes.’ Sanne gaat harder huilen.
‘Dan laat je ze schieten.’

Dan voelt ze opeens een hand op haar schouder. ‘Gaat het een beetje?’ klinkt er vanachter het bankje. Hij leunt dichterbij om Thomas een klopje op zijn schouder te geven en ze ademt diep door haar neus in. Nu weet ze ook weer waarom de stem van Thomas ergens vaag bekend voorkwam.
Sanne staat op en draait zich om. ‘Hoi, ik ben Sanne,’ zegt ze en ze steekt haar hand uit.
‘Job, ik ben de kleinzoon van,’ zegt de man die een jongere versie van Thomas lijkt, dan richt hij zich tot Thomas: ‘Ga je mee?’
Thomas staat op. ‘Sanne, ik weet niet of jij die koffie heb geproefd hier, maar ik kan wel een beter bakkie gebruiken. Kunnen we je uitnodigen?’ Hij wijst naar de zwarte auto die bij Job moet horen. ‘Gewoon koffie natuurlijk he,’ Hij knipoogt.

De Klok (deel twee)

De voorjaarswind is fris, de lucht strakblauw en het ruizen van de zee overstemd alle knagende en malende gedachten. Het natte zand perst zich tussen haar tenen door bij iedere stap, zo nu en dan raakt een golf water haar voeten. Het water is steenkoud. Ze kijkt naar rechts waar oma tegen het duin aan zit en haar gezicht naar de zon opheft. Ze steekt haar hand naar Minnie op, maar oma heeft haar ogen waarschijnlijk gesloten. Een ouder echtpaar met labrador blijft stil staan en kijkt van Sanne naar oma en weer terug. ‘Ze heeft haar ogen dicht,’ zegt Sanne omdat ze vermoedt dat het stel denkt dat er iets mankeert aan oma. De vrouw schudt even licht met haar hoofd, een meeuw die vlak naast oma was neergestreken vliegt op en Sanne bijt op haar tong. Nu niet gaan uitleggen dat ze de meeuwen niet voert. Niet nodig San, je hoeft je niet voor alles te excuseren. ‘Fijne dag nog,’ knikt ze naar de vrouw die dezelfde kleding als haar man aanheeft- blauw windjack, beige wandelbroek en Teva sandalen.
‘Ik zou hier voor altijd kunnen blijven zitten,’ zucht oma Minnie en opent haar ogen. Sanne gaat naast haar zitten in het mulle zand, vouwt haar jas op en legt hem achter haar hoofd tegen de helling van het duin.
‘Oma?’
‘Wat kindje?’
‘Wist u zeker dat die Thomas de liefde van uw leven was?’ Sanne voelt een steek in haar buik, ze sluit even haar ogen.
‘Zo zeker als dat jij weet dat Ferdi dat niet was,’ zegt Minnie en legt haar oude, droge hand op die van Sanne.
Verbaasd kijkt Sanne opzij. ‘Na bijna zes weken weet ik nog steeds niet of ik de juiste beslissing heb gemaakt. Ik ben mijn huis kwijt, mijn halve vriendengroep, ik woon weer bij mijn ouders en…’ een snik ontsnapt. Ze wil niet weer gaan janken. Na de vierde ruzie in een week, die keer ging het over dat Ferdi eerder zou kunnen bellen als hij moest overwerken zodat Sanne wist wanneer ze zouden kunnen gaan eten, was ze zo kwaad geworden dat ze haar tas inpakte. Ze vertrok, riep in waas van woede dat ze niet meer terug zou komen en dat nam Ferdi wel erg serieus. Gretig serieus. Een dag later appte hij haar dat haar spullen in de garage stonden en of ze haar sleutels in de brievenbus wilde gooien als ze klaar was. Ze had een uur lang naar het berichtje gekeken om het te bevatten.
‘Luister eens naar wat je zegt.’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Je mist je leven met hem. Je mist hem niet,’ zegt oma Minnie. Sanne gaat rechtop zitten.
‘Ik heb geen leven gehad met Thomas. Daar duurde het te kort voor en waren wij te jong voor, maar o, wat heb ik hem vaak gemist. Ik mis hem nog altijd, bijna iedere dag. Zijn stem, hoe hij zijn handen meebewoog wanneer hij iets vertelde, zijn accent, zijn hartslag die waarbij ik inslaap viel als ik naast hem lag en zijn geur. Bovenal zijn geur. Hij rook zo goed.’ Minnies ogen krijgen weer die waas. Gelukkig huilt ze nu niet, denkt Sanne.
‘Accent?’ vraagt ze.
‘Zijn moeder was weduwe en is na de oorlog samen met Thomas naar Nederland gekomen. Meneer Van Heesteren, de bakker tegenover de vuurtoren, was vlak na de oorlog naar zijn dochter in Duitsland op bezoek gegaan. Die woonde daar al sinds ’28, vlak na het overlijden van haar moeder was ze verhuisd. En toen hij terugkwam was hij hertrouwd met Lidy, de moeder van Thomas. Nou, dat schijnt hem nogal wat klanten gekost te hebben. Zo vlak na de oorlog met een Duitse trouwen…’.
De meeuw is weer terug. Brutaal loopt hij paraderend rond Sannes tas. ‘Zullen we nog een stukje lopen?’ vraagt Sanne en oma knikt.

‘Tsja en toen kwam het afscheid. Eerst was het nog een week en opeens was het nog maar een paar uur voordat hij zou vertrekken.’ Sanne en oma lopen gearmd door de Julianastraat, Sanne draagt de boodschappentas en oma een zak witte kadetten.
Na een korte strandwandeling wilde oma graag door het dorp wat lopen. Langs de voormalige bakkerij, het huis waar oma vaak bij Els logeerde, ze wipten even binnen bij de grote kerk aan het begin van de dorpsstraat, haalde nog een ijsje voor Sanne aangezien de snackbar er recht tegenover zat en via de supermarkt weer terug naar het zomerhuisje. Onderwijl vertelde oma dat ze op die stormachtige middag Thomas ontmoette terwijl hij haar en Els de koffie serveerde. Nee, hij werkte er niet daar in ‘De Klok’. Zijn vriendinnetje was de serveerster en hij was even aangewipt voor een praatje. Het water was te ruw geweest om er met de boot op uit te gaan dus Thomas was die dag vrij geweest.
Hij had de koffie neergezet, was teruggekomen met een kannetje room die ze had aangepakt en even raakten hun handen elkaar. Gegeneerd keek oma hem aan. En toen was het gebeurd, had ze glimlachend verteld.
Brechtje, die op dat moment glazen stond te spoelen achter de toog had een glas, waarschijnlijk opzettelijk had Thomas later gezegd, laten vallen en hij was haar gaan helpen om de scherven op te ruimen. ‘En kindje, toen hij vooroverboog met de koffie, nog voordat ik hem had gezien, eigenlijk wist ik het toen al. Met deze jongen wil ik trouwen. Is dat gek?’ Had Minnie gezegd en haar rimpelige wangen kregen een kleur.
De verkering met Brechtje werd diezelfde avond nog beëindigd en via een oudere heer die aan zijn koffie met een neutje had gezeten aan de bar en de vader van Els kende, kwam hij erachter waar hij haar kon vinden. Oma woonde in Egmond- Binnen in die tijd en op een avond, vlak na de avondboterham, was hij er op de bonnefooi heen gefietst. Hij had gedacht dat hij aangekomen in het dorp, slechts een paar kilometer verderop, wel zou weten hoe hij het zou aanpakken maar halverwege op de Hereweg fietste in te tegenovergestelde richting iemand hem tegemoet. Die iemand was van plan om Els te vragen mee te gaan naar ‘De Klok’.
‘Nu moet je niet denken dat ik een, hoe noemen jullie dat, een sloerie was, maar nog geen half uur nadat we remden, de handen schudden en in de berm naast onze fietsen gingen zitten, zoenden we voor de eerste keer.’ De kleur op oma’s wangen werd dieper rood. Sanne had gelachen. Een jonge vrouw met een piepklein hondje, zo eentje die in een tasje past, had haar verbaasd nagekeken.
Oma had verder verteld. Sanne zag de straten waar zij doorliepen veranderen in de straten van de jaren vijftig. Stelde zich voor hoe Minnie, net 17 jaar, hand in hand over de boulevard en het strand had gelopen met haar Thomas, koffie hadden geschonken uit de oranje thermosfles in de bijbehorende bekertjes, zittend op een plaid in de beschutting van een duinpan. Af en toe keek ze opzij naar de oude dame en het leek of de rimpels vervaagden, de ogen sprankelender werden en het haar weer bruin. Het verhaal bracht het meisje van 17 weer tot leven.

‘Afscheid?’ vraagt Sanne verbaasd.
‘Wacht kindje, je gaat te ver.’
‘O, dat spijt me,’ zegt Sanne en schaamt zich dat ze al een uur lang blijf doorvragen over Thomas. Maar oma vertelt hoe alleen oude mensen kunnen vertellen: vol beeldende details, zonder haast en met liefde. Het deed haar eindelijk eens niet aan Ferdi denken.
‘Nee sufferd. Kijk, we lopen al te ver, we zijn dat steegje voorbij. Kom eerst die boodschappen in de koelkast, beentjes omhoog en een koud wijntje erbij. Dan vertel ik verder.’ Oma loopt de schaduw in en de bocht om. Even lijkt het alsof Sanne alleen is. Ze stelt zich voor dat ze nu alleen, met de tv, haar kibbeling en kadetjes zou gaan eten. Hoe ze tóch haar laatste procenten van haar telefoonbatterij zou besteden aan het bekijken van Ferdi’s Facebookpagina. Ze zou eerst boos zijn, verdrietig, en na het derde biertje zou ze zichzelf ervan proberen te overtuigen dat Bente en Ferdi al een relatie hadden voordat Sanne haar spullen uit de garage ophaalde op die druilerige ochtend in maart. Dan zou ze de maanden voorafgaande aan die laatste ruzie in haar gedachten uitpluizen op verdachte omstandigheden en voordelen van twijfel zou ze direct van tafel vegen. Bij het vierde biertje zou ze huilen. Bij het vijfde het eerste berichtje aan Ferdi typen.
Ze loopt de haakse bocht in de steeg om en glimlacht: de deur van het zomerhuisje staat open, de namiddagzon schijnt door de half open luxaflex en midden in de baan zon die door het kleine huisje snijdt staat oma. En Sanne ziet haar toekomst. Ze denkt: zo zie ik er ook uit als ik 80 ben. En weer, voor slechts een ogenblik, ziet ze oma als meisje, als jonge vrouw.. Een melancholische snik wil ontsnappen, maar dan roept oma: ‘Wijnen, wijnen, wijnen.’ Ze houdt een koude fles witte wijn omhoog en lacht naar Sanne.

‘Nee ik heb genoeg gehad,’ zegt Minnie en legt haar hand op het halfvolle glas. Sanne schenkt alleen zichzelf bij. Op het kleine, witte salontafeltje staat de lege schaal van de kibbeling en een halve bak salade. De kadetten waren ze eigenlijk helemaal vergeten denkt Sanne maar ze heeft het idee dat ze ploft, die zijn voor morgen. Ze pakt haar mobiel en drukt hem aan.
‘Ik zet hem zo weer uit hoor,’ zegt ze terwijl ze haar codes invoert. In beeld verschijnt drie gemiste oproepen van “Thuis” wat niet haar oude huis maar haar ouderlijk huis betekent. Geen voicemailberichten. ‘Mama heeft al drie keer gebeld, ’mompelt ze en haar duim twijfelt boven het groene belknopje.
‘Ach Sanne, wacht nog even met terugbellen. We hebben het zo gezellig en je kent je moeder, zodra ze hoort dat ik hier ben staat ze over een half uur op de stoep.’ Oma slaat haar benen over elkaar, leunt achterover naast haar op de bank. ‘Ik zou je nog vertellen over de dag dat Thomas wegging.’
Sanne drukt de telefoon weer uit. Zonder Facebook te bekijken.
Oma Minnie gaat verzitten, schikt het witte kussentje met de geborduurde vuurtoren erop nog even achter haar rug en doet haar teenslippers uit. ‘Je was klaar met eten toch?’ ze kijkt Sanne aan en die knikt. Minnie legt haar voeten op tafel. ‘Zo dat is beter. Thuis heb ik daar een poef voor, maar dit is ook goed.’ Oma sluit even haar ogen en wrijft over haar gezicht. ‘Hoe laat is het eigenlijk?’ vraagt ze dan opeens.
‘Tien over zeven,’ antwoordt Sanne en vraag: ‘Bent u moe?’
‘Een beetje meisje. Maar dat ben je als je zo oud bent als ik vrijwel altijd. Ik zal er een beetje vaart in gooien. Dit deel van het verhaal is mijn minst favoriet ook.’
Ze vertelt Sanne dat in 1956 de dienstplicht in Duitsland voor het eerst na de oorlog weer ingevoerd was. Thomas was 18 geworden en opgeroepen. Op 26 september moest hij zich melden. Het was maar voor een half jaar. Maar als je 17 en 18 bent lijkt een half jaar een eeuwigheid. Een aantal weken hadden ze gedaan alsof die dag gewoon nooit zou komen. Negeren en doorgaan. Ze hadden een heerlijke zomer, het leek ook wel iedere dag mooi weer. Zoals zomers wel vaker de neiging hebben te zijn in je herinneringen. Maar het werd september. En toen werd het 25 september en met de belofte iedere week minimaal 1 keer te schrijven vertrok hij. ‘Wij hadden toen nog niet van die handige dingetjes,’ zegt Minnie en wijst naar de stille mobiele telefoon.
‘En schreef hij?’
‘Trouw twee keer per week, maar mijn vader was slim. Je weet, hij was het niet zo erg eens met de relatie.’
Sanne kijkt oma afwachtend aan en vraagt: ‘Dus hij verstopte al zijn brieven zodat u dacht dat hij u was vergeten?’
Oma schudt haar hoofd. ‘Nee hij was slimmer. De eerste twee brieven kreeg ik, daarna hield hij de derde achter, vervolgens de vijfde ook en zelfs de zesde. Niet alleen leek het of hij niet zo’n zin had om te schrijven, ik antwoordde natuurlijk zelf ook alleen op de brieven die ik wél las. Thomas dacht dus hetzelfde: dat de liefde aan het verwateren was.’
Sanne begrijpt het.
‘Maar uiteindelijk kwam hij toch terug na zes maanden?’
Oma schudt haar hoofd. ‘Nee kindje, dat liep anders.’
Opeens kijken ze alle twee naar links, naar de enige deur van het huis. Er wordt geklopt. Hard.
‘Sanne?’ klinkt er vanachter de deur, gevolgd door drie extra roffels op het hout. ‘Sanne!’
Sanne kijkt naar oma. ‘Dat is Renate. Wat moet die nou hier?’
Oma pakt even Sannes’ hand en zegt: ‘Doe maar open. Je kan haar daar niet laten staan toch?’
Terwijl Sanne naar de deur loopt fluistert oma achter haar: ‘Laat je niet op je kop zitten, meisje.’

De Klok (Deel 1)

De bus remt, haar hand glijdt bijna van de buis en haar weekendtas valt van haar schouder. Dan staat hij stil, sissen de deuren open en steekt ze de zweterig geworden hand op om naar de chauffeur in zijn achteruitkijkspiegel te zwaaien. ‘Bedankt!’ roep ze en stap op de eerste trede.
Het is maar twaalf kilometer van waar ze opstapte op station Alkmaar tot hier bij de bushalte in Egmond aan zee en toch lijkt het vijf graden koeler. Terwijl de bus de hoek om rijdt haalt ze haar spijkerjasje uit haar tas. Zeewind, denk ze en snuift een diepe teug frituurlucht naar binnen. De bushalte is nog op dezelfde plaats als in haar jeugd, naast de snackbar. Precies dezelfde snackbar zelfs. Ze ziet voor zich hoe ze als 15 jarige, na een dag op het strand met warrige haren en zand op plekken waar je het dagen later nog terugvindt, hier een patatje at voordat ze de bus terug nam.
De deur van het okergele, houten gebouw staat open en de ijsmachine bromt ontspannen. ‘Discodip?’ vraagt de geblondeerde medewerkster van een jaar of vijftig, te zien aan de grijzende slapen waar niet meer tegenop te verven is, aan een jongetje dat zijn vijf euro al op de balie heeft gelegd en zijn hand er stevig opdrukt. Hij knikt driftig.
Discodip. Wanneer heeft ze dat voor het laatst geproefd? Ze voelt al bijna de minuscule kleurige balletjes kraken tussen haar kiezen wanneer ze in haar zak graait naar geld. Opeens heeft ze onbedwingbare behoefte aan discodip. Kan dat eigenlijk wel?, denkt ze even. Een volwassene met discodip? Zolang het niet op een radarhorentje zit, moet het kunnen besluit ze en met vaste stem bestelt ze: ‘Een oubliehoorn met discodip, alstublieft.’ Ze voelt het brok in haar keel al een stuk minder dan toen ze de buschauffeur gedag zei. En zoals dat altijd gaat wanneer je er aan denkt, zijn ze meteen weer terug die ingehouden tranen, samengeklonterd tot een bonk massief verdriet. Verdomme, denkt ze en zegt: ‘Bedankt en een fijne werkdag verder,’ waarna ze snel een flinke hap van het koude softijs neemt. Alleen is niet eenzaam, alleen zijn is goed voor me, herhaalt ze terwijl ze snel het hoorntje draait om een lauwe, regenboogkleurige druppel ijs op te likken voor hij haar hand raakt. Op een vreemde manier troosten de knapperige bolletjes haar en het ijs laat het verdriet langzaam weer wegsmelten.

‘Alstublieft, één Hertog Jan.’ Sanne knikt naar het meisje met het zwarte schort en glimlacht. De hoge paardenstaart zwaait vrolijk van links naar rechts als ze terug naar binnen loopt met het lege dienblad.
Sanne hoort de “één” echoën als uit een muziekinstallatie op de kermis: ‘één, één, één, we hebben een…’ Verliezer denkt ze. Niks winnaar, een verliezer. Dames en heren, hier op het terras alleen aan een tafeltje, u zult haar allen hebben gezien zit een dikke vette verliezer. De stem in haar hoofd begint nu op haar moeders stem te lijken.
Het is nu vijf weken en vier dagen geleden dat Sanne met rode ogen en een grote koffer op de stoep stond bij “familie Tamminga”, zoals in sierlijke letters geschreven stond op het bordje naast het huisnummer. Uiteraard cadeau gedaan aan paps en mams door haar zus Renate en niet door haar. Natuurlijk niet door haar. Want Sanne is niet attent, Sanne vergeet altijd alles, ach onze Sannie moet je dat maar niet kwalijk nemen, dat warhoofd.
Sanne neemt een grote slok, likt het schuim van haar bovenlip en kijkt zo nonchalant mogelijk rond. Het terras is klein en druk. Links van haar zit en dame wiens hand licht beeft als ze het koffiekopje naar haar lippen brengt. Ze zijn rood en zoals bij vele oudere dames, loopt de lippenstift in de kleine groefjes rond haar lippen weg van de oorspronkelijk bedoelde plek. Tegenover haar zit een kale man die telkens op zijn horloge kijkt.
Het rechtertafeltje heeft een stoel van Sanne geleend. ‘Nee, pak maar hoor,’ had ze monter gezegd toen de vriendin met de dikke billen en een sportlegging aan haar vroeg of de stoel bezet was. Nu zitten er drie meiden in sportkleding aan een wijntje. ‘Wijnen, wijnen, wijnen…’ hadden ze gegiecheld na het eerste gezamenlijke slokje.
Ze heeft het tafeltje aan de rand van het terras weten te bemachtigen en kan dus doen wat mensen altijd zeggen dat ze doen op het terras: lekker naar voorbijgangers kijken. Aan de overkant van de straat zit een boekhandel, waar zeven kaartencarrousels buiten staan. Ze zou eigenlijk best een kaartje naar huis kunnen sturen. Ja, hij zou waarschijnlijk gelijk met haar aankomen of pas als ze al terug is, maar het zou wel attent zijn. Maar dat schijn ik niet te zijn, denkt ze verbitterd en neemt nog een slok. De gele boodschappentas van de Jumbo die naast haar weekendtas onder haar tafeltje staat glijdt scheef en een bakje gezouten nootjes en drie blikjes Heineken rollen eruit. Ze bukt zittend op haar stoel.
‘O, excuses,’ zegt degene die haar stoel, terwijl ze net onder tafel de boel in de tas propt, ruw aanstoot. Wanneer ze weer recht gaat zitten merkt ze dat haar stoel niet verder naar achter kan. Ze leunt tegen te rugleuning en voelt even haar achterhoofd zacht aangeraakt worden door een ander achterhoofd. Snel gaat ze rechterop zitten.
Ze wil weer verder kijken naar de Duitse toeristen met kindertjes die zelfs in mei nog hun kinderen in skibroeken en mutsen meetorsen, naar de kaarten die door voorbijgangers rondgedraaid worden in hun rekken- zeehondjes, de vuurtoren, een ondergaande zon- en de locals die elkaar tegenkomen met hun hondjes aan de riem en een boodschappentas onder de arm. Het gaat niet. Haar achterbuurman z’n stem trilt door zijn rugleuning tegen de hare door. Hij praat tegen een oudere man. Niet dat ze dat kan horen aan zijn stem, maar hij noemde hem opa. Opa heeft dezelfde brom, plus een Frans accent. Of Duits. Ja, inderdaad dat kan ik niet horen, dat verschil. Dom ja. Ferdi had haar er vaak, met een klein minachtig glimlachje, om uitgelachen. Maar aan hem ging ze deze drie dagen vakantie niet denken. En daarna ook niet meer.
Nu ze er op let lijkt ze zelfs zijn lichaamswarmte te kunnen voelen en telkens als hij beweegt en ze haar hoofd een klein beetje opzij houdt ruikt ze hem. Meer waarschijnlijk is het zijn parfum. Niemand ruikt zo goed van zichzelf. Wanneer heb ik voor het laatst zo dicht bij iemand gezeten? Iemand voelen praten? En daar is hij weer: een goede portie zelfmedelijden en eenzaamheid. Godver, denkt ze en neemt snel een grote slok.
Dan voelt ze toch haar schouders schokken. Ze veegt over haar wangen en houd haar blik op de kaartencarrousel die recht voor haar staat.
‘Gaat het?’ bromt de stem door de stoel en een hand knijpt even zacht en vriendelijk in haar schouder. De trillingen werken blijkbaar twee kanten op. Op dat moment gaat de telefoon van de oudere man en na slechts 1 keer overgaan neemt hij op. De hand verdwijnt van haar schouder op het moment dat de oudere man de beller bedankt voor het telefoontje. ‘Wat? Opa, wat is er?’ klinkt er bezorgt achter haar.
Ze schuift haar tafeltje naar voren, pakt de tassen van de grond mompelt wat richting het tafeltje achter haar en stuift weg.

Haar wangen gloeien, een straaltje zweet glijdt langs haar rug en de schaduw van de steeg zorgt voor kippenvel op haar blote armen. Aan het eind van de steeg haalt ze een sleutel uit het kleine zakje van haar hardloopbroek en opent de donkergroene deur. Op de mat trapt ze meteen haar zanderige schoenen uit en met een helder rinkeltje gooit ze de sleutel op het roestvrijstalen aanrechtblad.
Voordat ze wegging en nadat ze haar spullen het smalle trapje naar de slaapkamer opsleepte had ze de luxaflex bijna dichtgedraaid. Niet alleen scheen de namiddagzon fel naar binnen, ook de bewoners van Julianalaan 6, de eigenaren van het zomerhuisje waar haar broer Tim met zijn vriendin Lisa woont, hadden vrij zicht. Nu de zon gedraaid is lijkt het al te schemeren in huis. Ze drukt niet alleen de verlichting aan maar meteen ook de televisie; licht en stemmen vullen de kleine woonkamer. Een tweepersoonsbankje, een vierkante eettafel met twee stoelen en een wit keukenblokje houden haar de komende twee dagen gezelschap.

‘Nee dat meen je niet!’ roept ze vol verontwaardiging naar het beeldscherm waarop een bloedmooi, vals zingend meisje wordt doorgelaten naar de volgende ronde van de Voice of Holland. Ze neemt een laatste slok uit het vierde blikje bier en kijkt op haar telefoon. Nul berichten, nul oproepen. Valt mee van mam, denkt ze. Ze ziet voor zich hoe die nu op haar roodgeel geruite stoel met de tablet opschoot Sudoku speelt. Uiteraard mét dat bijgeleverde pennetje met rubber puntje. Pa zal nog wel aan de eettafel zitten, gebogen over zijn modelvliegtuigje. Vergrootglas voor zijn oog, minuscuul tubetje lijm in zijn hand. Het zal pa zijn geweest die heeft gezegd nog niet te bellen. Het was ook hij die voorstelde om er even tussenuit te gaan nu Tim naar zijn schoonouders was met Lisa. Dan ben je 36 en woon je weer op je oude zolderkamertje en zit je tussen pa en ma in aan de gekookte piepers om half zes.
De batterij van haar mobiel geeft 21% aan. Is er boven een stopcontact naast het bed? Dan ziet ze in gedachten het stopcontact naast haar bed thuis op het zolderkamertje. Mét haar oplader er nog in. ‘Ah, Fuck,’ zegt ze en ziet haar telefoon op rood springen: 19%. Ze checkt nog een laatste keer Facebook en Whatsapp en met een laatste definitieve veeg over het scherm gaat hij op zwart. Ze moet er niet aan denken dat ze van de trap sodemietert vannacht en met een uitstekend bot uit haar bovenbeen onderaan de trap nog drie dagen moet liggen creperen voordat iemand haar vindt. Omdat ze niet kon bellen. Omdat haar telefoon weer eens leeg was. Haar hart bonst even vier slagen snel achter elkaar. Ze ademt diep en rustig in. En uit. Nu is niet echt de tijd om rampscenario’s te visualiseren, San. En kom op, nu hoef je ook niet de constante toevoer aan foto’s op zijn tijdlijn te zien waarin zíj in jouw huis zit als een soort fittere, jongere, blondere versie samen met hem zogezegd te “genieten met zijn tweetjes”.
Kan ze vannacht de televisie aan laten staan? Of zal dat juist eng zijn wanneer ze ’s nachts wakker wordt en stemmen hoort die ze niet direct kan plaatsen? Uit dus. Ze poetst haar tanden in het kleine keukentje, drinkt nog wat slokken water tegen een eventuele kater en houdt zich extra goed vast aan de leuning als ze de trap oploopt.
Het zal niet voor het eerst zijn dat ze na een kwartier in bed liggen zichzelf terminale kanker heeft ingebeeld of een- door de paniek van het organiseren van haar uitvaart in haar hoofd opkomende hartkloppingen- een ernstige hartafwijking. Dus ze beroept zich op schaapjes tellen voor de professionele piekeraar. Ze is inmiddels bij de tafel van 16.
‘Tweeëndertig,’ fluistert ze voordat ze merkt dat ze door de kier in de gordijnen de eerste tekenen van de ochtend kan zien. Ze heeft geslapen. Goddank. Dan stopt ze met ademen. Niet omdat ze alsnog sterft aan een zelfverzonnen aandoening, maar om beter te kunnen luisteren. Ze hoort wat. Maar is het buiten?
Het is binnen. Ze ademt trillend in en uit. Het is zeker binnen, ze herkent het geluid van de houten stoel die over het laminaat krast. Heel zacht. Of? Ze laat zich weer achterover zakken. Kappen Sanne. Drie keer zestien is 48, vier keer zestien…langzaam wordt haar hartslag weer normaal.
Wanneer ze voor de tweede keer wakker wordt straalt de zon door de kier in de verschoten rode, iets te kleine gordijnen. De nacht lijkt lang geleden, haar maag knort.
De trap kraakt. Ze doet haar haar in een klein staartje en springt de laatste trede met twee voeten tegelijk naar beneden. ‘Niet schrikken,’ klinkt er vanachter de half open deur en nog nooit schrok iemand niet bij het horen van deze woorden. Dus nu ook niet. ‘Oma?’ verbaasd ziet ze oma op het grijze bankje zitten met haar benen naast elkaar, haar handen in haar schoot en een klein, bruin leren koffertje naast haar voeten.

‘Als je het niks vindt, gewoon zeggen kindje. Dan neem ik een kamer in Zuiderduin. Je weet ik houd van zwemmen, ik heb mijn badpak mee. Ze hebben daar een zwembad las ik op dat internetgedoe. Evelien, je weet wel die mijn voeten doet heeft dat gister voor mij opgezocht. Op zo’n slim telefoontje.’
‘Alstublieft, koffie met drie schepjes suiker.’ Sanne zet twee grote grijsgroene mokken op het bijzettafeltje en gaat naast oma op de bank zitten. ‘En mama heeft u niet gestuurd?’ Ze kijkt afwachtend naar de gerimpelde magere vrouw met de lange grijze vlecht. Met 81 jaar, een spijkerbroek, teenslippers mét roze gelakte nagels en met een koffer vanaf de bushalte komen lopen. Hoeveel oma’s kunnen dat? Ze schudt nee op Sannes vraag en ze gelooft haar. ‘Ik heb wijn mee,’ zegt ze en wijst naar de koffer. Sanne knuffelt haar oma. ‘Op 1 voorwaarde, ik ga op het luchtbed en u neemt het bed. Het is hoog en stevig.’
‘Je doet alsof ik een patiënt bent,’ zucht oma Minnie, die eigenlijk Mien- kort voor Hermien- heet maar weigert te reageren op die naam. Maar ze lacht erbij en neemt een slok van de koffie.
‘Och, kindje kijk nou toch,’ Minnie staat in de dorpsstraat stil, mensen passeren haar links en rechts, en kijkt naar de restanten- voornamelijk bestaande uit de schoorsteen en de openhaard- van hotel/ restaurant ‘De Klok’. Om het uitgebrande gebouw staan hekken met reclamedoeken maar toch is de troosteloosheid erachter niet te missen.
Sanne kijkt naar het einde van de straat waar na het zebrapad en de parkeerplaats, het strand en de zee op hen wachten. Maar oma blijft staan en zucht nog eens. Ze pakt haar bij de ellenboog en leidt haar achteruit naar een bankje. ‘Ja dat was een behoorlijke brand. Bent u er wel eens geweest?’
‘In dat gebouw heb ik de liefde van mijn leven ontmoet.’ Oma Minnies ogen staan wazig maar in haar gedachten ziet ze het haarscherp voor zich. Hoe de haard knisperde, dat ze haar natte regenjas voorzichtig aan de kapstok hing en samen met Els een tafeltje uitkoos bij het raam.
‘Maar u kwam opa toch tegen op de bruiloft van uw zus?’ Sanne kijkt bezorgd naar de waterige ogen van haar oma. Zal ze dan nu toch beginnen te dementeren? Het begint altijd met iets kleins, zo klein dat het nog prima verborgen te houden is en voor je het weet leggen ze de afstandsbediening in de magnetron en zetten de soep op hoog vuur om vervolgens te gaan douchen. Ze raakt even haar arm aan.
‘Ik heb het niet over opa.’
Sanne slikt. Beter dan dement.
‘Het was voor opa,’ snel kijkt ze even naar opzij, naar haar kleindochter, ‘en je opa was een prima vent hoor, hij deed alles voor me en ik ben nooit iets te kort gekomen.’
‘Maar?’ vraagt Sanne.
‘Maar hier in ‘de Klok’ op 16 maart 1956 om tien over drie in de namiddag tijdens een fikse voorjaarsstorm ontmoette Thomas. En dat zal ik nooit vergeten.’ Snel veegt Minnie langs haar wang.
‘Huilt u?’
‘Nee,’ antwoordt ze en veegt een tweede traan weg. ‘Kindje, kom. Je wilde naar het strand dus hoppakee!’ Oma drukt zich omhoog van het bankje en steekt haar hand uit naar Sanne.

Zwarte randjes

(schrijfopdracht waarbij een dagelijkse bezigheid uitmondt in een horrorscenario.)

Tevreden kijkt ze om zich heen. De witte tegels glimmen, de meeste zwarte vlekjes op de voegen zijn verdwenen en het ruikt niet meer naar een nooit uitgepakte gymtas nu de laatste was draait. In de toiletpot is het water nog blauw van de W.C Eend. Dom, denkt ze, want ik moet de emmer er nog in leegkiepen. En terwijl ze dat doet, hij bijna leeg is ziet ze het gele doekje mee de pot in glijden. Shit. Zonder nadenken grijpt ze met haar linkerhand in het schuimende water. Tot halverwege haar onderarm zit ze nu in de pot en meent het doekje te voelen; met twee vingers probeert ze het vast te grijpen terwijl ze met haar andere hand zichzelf aan de toiletrolhouder vasthoudt.
Als ze haar hand wil terugtrekken lijkt het of het doekje haar bij de vingers vastheeft. Ze laat het los maar voelt het nu trekken aan haar wijs- en middelvinger. Eerst zacht, dan met iets meer kracht tot ze ergens gekraak hoort- niet haar vingers, het doet geen pijn- en met een ongekende kracht de pot ingetrokken wordt.
Met de snelheid van een achtbaan, maar de engte van een suisbuis schiet ze, hoofd eerst en op haar buik, door de donkerte. De geur van de W.C. Eend reikt duidelijk niet tot hier, denkt ze en probeert niet te kokhalzen.
Na een eeuwigheid die dertig seconde duurde valt ze in een grijs bassin met een laag drab op de bodem en kijkt ze voorzichtig om zich heen. Was dit haar badkamer? Hij is precies zo maar dan helemaal anders.
Er is een deur. Met een trillende hand opent ze hem en ziet de buitenlucht: grauw, donkergrijs met zwarte wolken die met verontrustende snelheid voortjagen. Het huis om de kamer heen is weg. Enkele delen van de buitenmuur staan als rotte tanden in een mond op de vermolmde funderingsbalken.
Buiten is alles anders en toch hetzelfde. De straat is de straat, de supermarkt om de hoek is er ook maar alles is donker, verlaten en op de gure, gierende wind na is het stil. Zo stil dat haar oren gaan suizen. En fluiten. Steeds iets harder. De schelle toon zit nu niet meer alleen in haar oren. Haar hele hoofd gonst en piept en ze doet haar handen voor haar oren. Het helpt niet. Boven de huizen vliegen honderden blauwzwarte vogels kriskras door maar raken elkaar niet. Ze gaan snel. Net even te snel. Het maakt haar draaierig.
Ze wordt misselijk, de hoge toon is nu overal, de pijn nu ook in haar nek en ze sluit duizelig haar ogen. Alles draait en niet zo misselijk ook.
Haar maag draait mee en ze geeft over. Ze is blijkbaar gaan liggen want ze voelt het warme braaksel langs haar wang en haar oor stromen.
Ook aan de andere kant van haar hoofd voelt ze iets warms. Ze voelt aan haar voorhoofd en kijkt naar haar hand. Rood. Bloed. Ze knippert tegen het felle licht. Het felle licht van haar eigen badkamer dat reflecteert op de witte, schone tegels.
Ze gaat zitten. Haar hoofd bonst, op de wc zit een veeg bloed en de toiletrolhouder ligt in stukken naast de pot. Langzaam schudt ze de duisternis helemaal van zich af en haalt opgelucht adem. Die na een fractie stokt bij de aanblik van een glanzende, zwartblauwe veer die ze uit haar warrige haar vist.

Oude vrouw

Schrijfoefening. 300 woorden over een oude vrouw/geest in de buik. (Dat was de opdracht, ik verzin dat niet zelf :-))

 

Er zit een oude vrouw in mij. Nog niet heel lang, een paar jaar. Het was november 2015 toen mijn vriendinnen en ik na een middagje borrelen giechelend onze vingers op het borrelglaasje legden en fluisterden: ‘Kunnen wij contact krijgen met de contactgeest?’
De lampen begonnen te flikkeren, een koude tocht streek langs mijn wang en via mijn neusgaten gleed ze naar binnen. Het voelde als een neus vol chloorwater in het zwembad en mijn ogen traanden er even van. Daarna merkte ik een tijd niets.
Hoe anders is het nu.
Na een maand of twee, ergens in januari 2016 kwam ze voor het eerst naar de oppervlakte en nam mij over. Ik kon alles zien maar kon niets doen. Zij deed het woord én Zij deed wat ze wilde.
Ondertussen is het 2020 en heb ik haar nog steeds niet onder controle. Wel ‘voel’ ik haar aankomen, op komen zetten als een ongewenste menstruatie en krijg ik het meestal wel voor elkaar haar ’s nachts de vrijheid te geven. Zodat niemand het merkt. Zodat niemand haar opmerkt.
Het begint meestal met iets onopvallends. Ik dring opeens voor in de rij van de supermarkt of ik maak mij druk over het niet op tijd bezorgd worden van het gratis lokale krantje. Vervolgens kom ik opeens thuis uit de winkel met een tube Kukident of een pak Always Discreet.
Een of twee avonden later is het dan zover. Ik sluip blootsvoets, in het donker van de trap af, mijn heup speelt op en mijn spieren zijn stijf. Ik schep de advocaat in een glas, zet de rode kunstgeraniums op de vensterbank en druk de televisie aan. Met mijn sudokuboekje op schoot, Candycrush aan op de Ipad, kijk ik afleveringen van Heel Holland Bakt, de Rijdende Rechter en Tussen Kunst en Kitsch.

De blokkade

  • Ingezonden voor de schrijfwedstrijd De blokkade. (500 woorden/ thema: een blokkade in welke vorm dan ook. Ik heb er twee in verwerkt)

 

De Blokkade
‘Ik houd van je,’ zegt hij.
Haar blik blijft onveranderd.
‘Ik houd van je,’ zegt hij nogmaals en weer kijkt ze hem strak aan. Haar ogen lachen, maar haar mond blijft stil.

Het is op de dag af drieëntwintig jaar geleden dat ze zich aan elkaar verbonden. Het is alsof de jaren voorbij zijn gevlogen en tegelijk stil hebben gestaan; aaneengeregen en samengeklonterd tot één geheel. Ze had ’s avonds in de bruidssuite haar witte, gladde bruidsjapon over de stoel gehangen. Terwijl ze haar kousen afstroopte, keek ze hem aan en zei: ‘Ik houd van je.’ Hij knikte, liep op haar af en gaf een kus op haar nog opgestoken blonde haar.

Winter 2005. De houtkachel loeide, ze had haar sokken uitgedaan en hij masseerde, zoals altijd wanneer ze een lange dag had gewerkt, haar voeten. Naast haar op het tafeltje stond een glas rode wijn, hij schonk haar nog even bij. Bijna spinnend als een kat leunde ze tegen hem aan en zei: ‘Ik houd van je.’
‘Hmm…’ antwoordde hij en gaf een kus in haar nek.

Ze werd nooit boos. Nergens om, al die jaren niet. In ieder geval niet op hem. Soms kreeg hij tranen in zijn ogen wanneer hij de keuken inliep en ze geconcentreerd in de pannen roerde, de kinderen bezig hield die aan tafel speelden en de oventimer instelde. Dan liep hij op haar af, omhelsde haar van achter en mompelde dat hij zo vreselijk blij met haar was.
‘Ik houd ook van jou, schatje,’ zei ze dan.

Hij had geprobeerd zijn blokkade te omzeilen door op haar verjaardag kaartjes te kopen- en natuurlijk een cadeau- met het opschrift: I love you. Hij wist dat het niet telde, het maakte het zelfs schrijnender. Na een aantal van deze kaartjes stapte hij dan ook over op afbeeldingen met hartjes. Hij wist zeker dat ze wist hoeveel hij van haar hield. Hij hield van haar vanaf de eerste dag dat ze elkaar ontmoetten aan de rand van het zwembad in Lunteren. Ze waren beide 17 jaar en nog met hun ouders mee op vakantie. Dat schepte een band en vanaf die augustus- een eeuwigheid geleden, voelend als gister- werd deze nooit verbroken.

Hij keek haar nog steeds aan. Zij keek even strak terug.
‘Ik houd van je,’ zei hij voor de derde keer.
Weer zweeg ze.
Hij gaf een kus op haar koude wang en zette de foto terug op de schouw.
Naast de urn.
Haar lichaam had zijn eigen blokkade gecreëerde in de vorm van vernauwde aders.

‘Kom je pap?’
Hij draait zich om en loopt naar de deuropening, naar zijn dochter.
‘Zal ik thee zetten?’ vraag hij en slaat een arm om haar heen. Ze knikt en zegt dat het gebak al in de keuken staat.
Hij geeft haar een kus op haar haren en zegt: ‘Ik houd van je.’
‘Hmmm…’antwoordt ze en ze aait even over zijn rug.

Aan Mary-Ann

 

Aan Mary- Ann,
Gister zag ik om de hoek bij mevrouw Jeffries de fonkelende weerspiegeling van de kersballen door de ruiten van haar etalage. Ze lagen in groepjes van drie tussen de bollen wol, gedrapeerde stalen stof en het garen en lint in vele kleuren. Het witte lint bewaart ze tegenwoordig in de la. Uit het zicht.

En het is de aanblik van die overal opduikende versieringen, het geluid van de knisperende sneeuw onder mijn schoenen en de opgetogen sfeer die mijn hart de afgelopen dagen weer vaker samen doet knijpen. Kerstmis is nog maar een paar dagen verwijderd van nu, en daarmee de eerste verjaardag van jouw dood ook. Die van je geboorte, 9 december 1879, heb ik in stilte proberen te vieren. Hoe moeilijk het ook is, de woede die jouw leegte een periode had gevuld is inmiddels vervangen voor iets beters. Niet iets beters dan jou natuurlijk, maar beter dan leegte en beter dan woede.

Deze ‘troostprijs’ en de adembenemende afschuw van de herinneringen samen- in schril contrast met elkaar- doen mij dit schrijven. Zodat het verleden en de toekomst, die elkaar nooit zullen kennen, nooit zonder elkaar zullen zijn.

Beginnen bij het begin is het makkelijkst en dat zal ik dus doen.

‘Haal het eruit! Nu!’ Zweet, ondanks de koude decembernacht en mijn slecht verwarmde kamer, gutst van mijn lijf. Mevrouw Andrews zakt door haar knieën en verdwijnt achter het laken waaronder mijn opengesperde benen liggen. ‘Ademen. Het is nog niet zover. Je moet ademen,’ klinkt er vanonder mij en een nieuwe, ondragelijke pijnscheut laat mij een onverwacht harde gil geven. Wanneer de wee zakt klinkt er vanuit de hoek vlak naast het oliekacheltje een geïrriteerde zucht en het omslaan van een bladzijde. Op dit moment maakte het mij niet meer uit hoe ze het eruit trekken, al was het mootje voor mootje, áls het er maar uitkwam. En snel.

En het is waar wat ze zeggen: als de baby er eenmaal is, is alle ellende vergeten. Uiteraard was je de mooiste baby van de wereld, met je kleine donkere haartjes, je piepkleine nageltjes en je priemende oogjes. Ik moet uren naar je gekeken hebben, en als ik mijn ogen dicht doe zie ik je zo duidelijk voor mij dat het soms even lijkt alsof ik je zachte huilen ergens hoor. Hoe je oma erover dacht weet ik niet; zij bladerde gestaag door in haar boek, onderwijl de schaarse warmte met haar grote rokken tegenhoudend.

Niet alleen die eerste uren beleefde ik in een roes, ook de dagen erna leken aaneen geregen tot een lange oneindige dag en nacht samen. We leefden in een ritme van slapen en eten en weer slapen. Ergens op- vermoedelijk- de derde dag werd er op de deur geklopt.

‘Binnen?’ roep ik, mezelf afvragend wie het kon zijn. Mijn oudste zusje klopt niet en zij was tot nu toe mijn enige bezoek geweest op jouw oma na.
‘Stoor ik?’ Met zijn zwarte hoed vol natte sneeuw in zijn hand stapt hij mijn zolderkamer binnen. De kamer die hij en zijn vrouw voor mij huren totdat hun zoon aanmeert en mij kan huwen zoals afgesproken. Hij veegt voorzichtig wat sneeuw van zijn lange, wollen jas en trekt hem uit. Zoekend kijkt hij de ruimte in om een plek te vinden deze op te hangen. Ik wil allerminst ondankbaar klinken maar erg rijkelijk ingericht is de kamer niet. Ik zie dat hij zich hiervoor geneert en legt dan de jas maar naast de mat op de grond.
Hij buigt zich over mij en mijn baby en geeft ons beiden een kus. ‘Gefeliciteerd,’ zegt hij zacht en gaat op de rand van het bed zitten. Uit een jute zak haalt hij een stuk brood, een brok worst en een fles melk. Ik herken het receptuur inmiddels, alleen ben ik blij de norse blik van mevrouw niet te hoeven doorstaan. ‘Met de hartelijke groeten van mijn vrouw,’ zegt hij en zijn hand gaat naar zijn vestzak. ‘Ik hoor dat je zuster iedere dag langskomt?’ Ik knik. Hij legt een hand vol munten op de stoel naast het bed en vluchtig schieten mijn ogen er even heen. ‘Laat haar wat extra’s voor je kopen, maar..’ hij brengt zijn wijsvinger naar zijn lippen. Ik knik weer. Ik zal het voor me houden.
En dat deed ik.
Je veranderde per dag, en de tijd leek voorbij te vliegen en tegelijkertijd stil te staan. Om de dag zat jouw oma een uurtje naast de kachel te lezen zonder al te veel woorden met mij te wisselen. Ik probeerde meestal wat weg te dommelen in de hoop dat de tijd wat sneller ging, ze haar boek met een plof dichtklapte en naar de deur zou lopen. Zonder om te draaien mompelde ze dan iets en verdween. Zo niet deze keer. Je was ruim twee weken oud inmiddels.
Wanneer moeder- zoals ze graag genoemd wordt- is gaan zitten opent ze niet direct haar boek. ‘Doris?’ zegt ze met haar diepe, droge stem. Ik kijk op van het voeden. ‘Ja, moeder?’ Moeder haalt een stuk papier, een brief zo leer ik al snel, tussen de bladzijden van het boek. Ze opent de brief en laat hem aan mij zien. Ik kan vanaf mijn plek slechts de zwierige lijnen van de tekst ontwaren. ‘Ik zal het kort houden. Dat is vaak beter,’ zegt ze en steekt de brief weer terug. ‘Het is een brief van Edward, de broer van Henry die samen met onze James vaart. Het schip is nooit aangekomen in de haven. Hij schrijft dat wij op een behouden terugvaart beter niet zullen wachten.’ Wanneer ze dit zegt bet ze even haar ogen, die gewoon droog zijn gebleven en kijkt mij strak aan. Het duurt even voordat haar woorden doordringen. ‘Ik kan je misschien beter alleen laten nu.’ Ze staat op en loopt naar de deur. Dit maal draait ze zich wel om en spreekt zo duidelijk dat het op mijn ziel krast: ‘Je begrijpt dat onze wegen binnenkort zullen scheiden. Ik zal de huur deze week nog betalen, denk alvast na over wat je gaat doen.’
De 24 uur daarna drong de volle ernst van de situatie steeds iets meer door. Eve, je tante, opperde dat ik weer in het café kon komen werken en mijn oude kamer terug kon nemen. Dat zou diensten van 12 uur betekenen en slapen met zijn vieren op 1 kleine, gehorige kamer. Onmogelijk met een kleintje erbij.
In plaats van de gebruikelijke 48 uur is moeder dit keer na een dag alweer terug. ‘Heb je er al over na kunnen denken?’ vraagt ze en gaat op de rand van het bed zitten. Ik haal mijn schouders op. Meer kan ik niet. Mijn verdriet heeft geen kans omdat de radeloosheid groter, veel groter is op dit moment. ‘Is je oude baan geen optie?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Je snapt dat wij dat,’ ze wijst naar het onschuldige, zich van nog niets bewuste hoopje naast mij, ‘niet in huis kunnen nemen. Het is een bastaard.’ Ze kijkt me aan alsof ik het zou begrijpen. Ze knikt kort. ‘Goed. Ik kan je wel op een andere manier helpen.’ Ze vouwt een krantenknipsel open die ze al die tijd al vast bleek te hebben.
Vriendelijk, kinderloos echtpaar zoekt kind om liefdevol te verzorgen.
Ik begrijp het niet helemaal maar ze gaat verder: ‘Ik heb al contact opgenomen en vader en ik zijn bereid de som geld die het echtpaar vraagt als onkostenvergoeding te betalen. Jij hoeft alleen de kleertjes mee te geven.’ Ze kijkt mij aan. ‘Je weet dat je aanstaande vrijdag hier uit moet?’ Ze maakt een wijds gebaar met haar arm. Ik knik. ‘Het zal een veel beter leven krijgen dan jij een kind ooit zal kunnen geven. Wat als het ziek wordt? Hoe wil je dat betalen?’
Ik kijk hoe mijn dochter naast mij ligt te slapen. ‘Wanneer?’ Het is het enige dat ik kan zeggen.
‘Morgen. Ik zal hem om negen uur ophalen.’
‘Haar.’
‘Wat?’
‘Haar. Het is een meisje.’
‘Nou, ook goed. Dat zal wel goed zijn.’

‘Ho, kijk uit!’ Eve, mijn collega en zus weet nog net op tijd mijn dienblad vol glazen vast te pakken voordat ik de hele stapel eraf had laten glijden. Ze neemt het blad uit mijn handen en brengt het naar de bar. ‘Hier, ga even zitten,’ zegt ze en schuift een stoel naar achter bij het enige lege tafeltje in de zaak. Ze ziet mij twijfelen, maar de baas is even weg en ik ga zitten. Gulzig, alsof het water is, drink ik de pint bier die ze voor mij neerzet leeg. ‘Heb je het adres?’ vraagt ze en ik knik. Vanmorgen na mijn zoveelste nacht waarin ik, zodra ik mijn ogen dichtdeed, alleen maar mijn Mary-Ann voor me zag en als ik wel wegzakte in een droom belandde over Mary- Ann, vallend door de zwarte ruimte gevuld met witte linten, ben ik naar het huis van vader en moeder gegaan. James’ vader en moeder, welteverstaan. Ik wachtte tot moeder het pand verliet voor haar wekelijkse kappersbezoek en speldde vader een verhaal over wat vergeten kledingstukken die ik na wilde laten sturen op de mouw.
Ik haal het zorgvuldig opgevouwen en weggestopte briefje uit mijn schortzak en kijk naar vaders sierlijke handschrift. Eve leest met mij mee. ‘Dat is niet eens zo gek ver. Half uurtje lopen vermoed ik. Ik heb daar in die buurt wel eens een, eh laten we zeggen een kennis gehad.’ Ze knipoogt bij het woord kennis. ‘Wil je haar terughalen?’
Ik haal mijn schouders op. ‘Niets liever, maar dan. Wat doe ik dan?’ Tranen zijn niet meer te stoppen. Eve geeft mij haar zakdoek. ‘Dat zie je dan maar weer. Kijk hoe je eruit ziet, zo kan het niet langer. We kunnen het met de andere meiden bespreken toch? Wie weet zijn ze coulant en laten ze jullie samen boven verblijven? Desnoods betaal je wat extra’s. Ik geef je mijn deel van de fooien wel.’
Ik knik. ‘Ik zal het morgenochtend vragen. Ik weet waar het is maar evengoed, ga jij dan overmorgen met mij mee?’
Eve buigt voorover en geeft me een kus op mijn wang. ‘Natuurlijk, wat dacht jij dan.’
Opgelucht over mijn beslissing en met nog maar drie uren op de klok voor deze dienst sta ik met nieuwe energie op. Ik voel mij stukken lichter dan een kwartier geleden. We zien wel hoe het afloopt, maar ik kom je halen, fluistert het zacht door mijn hoofd.

Pets! Een harde klap op mijn achterste en een arm om mijn schouders. De bierwalm slaat in mijn gezicht als hij begint te praten. ‘Ben jij niet het schatje van Jamie? Wat is het met je aan de hand man.’ Hij gaat met zijn vingers onder mij ogen over mijn donkere wallen. ‘Zo erg is het toch allemaal niet,’ zegt hij en boert tegelijk. Ik probeer niet te kokhalzen én mijn geduld te bewaren. ‘Wat weet jij daar nou van?’ zeg ik neutraal en probeer de zware arm langzaam van mijn schouder te drukken.
Hij geeft mij een natte kus en zegt: ‘Ach meissie? Hoelang nog voor ze terug zijn? Een week? Kijk niet zo sip, volgend jaar kunnen jullie weer samen de feestdagen vieren hoor.’ En petst nog eenmaal op mijn billen bij deze laatste woorden.
‘Hoe dan? Heb jij niet gehoord dat ze nooit aangekomen zijn?’ vraag ik bars.
‘In de haven? Daar liggen ze toch al weken? Man, voordat die kapitein toch weer eens beter was. Als het goed is zijn ze rond vijf januari weer in onze wateren.’
‘Wat?’
‘Wat wat?’ Hij kijkt mij nu even verward aan.
´Komen ze terug?’ Mijn stem klinkt iel, de wereld draait en het volgende moment zit ik in de keuken op de grond met een natte lap op mijn voorhoofd en een bezorgde zus naast mij. Eén minuut, hooguit, duurt het voordat ik mijn conclusies heb getrokken. Ik sta op, geef mijn sputterende zus de natte doek, een kus en smeek of ze mijn dienst af kan maken. Nog voordat ze antwoord kan geven ren ik de deur uit.

Drie ferme roffels op de deur. Met een zwaai opent hij en een grote, boerse vrouw staat in de deuropening. Ze is imposant en even aarzel ik. ‘Goedenavond, ik ben Doris de moeder van Mary-Ann. Ik, eh, kom haar ophalen. Het geld mag u vanzelfsprekend houden.’ Ik doe mijn handen in mijn zij om daadkrachtig over te komen.
‘Ach kindje. Dat gaat niet zomaar.’ Ze glimlacht naar mij. ‘Kom maar even binnen.’ Ze leidt mij aan mijn arm de lange hal door naar een verwarmde achterkamer. In de hoek staat een wieg. ‘Ligt ze daar?’ Ik probeer mijn stem normaal te houden en mijn instinct om het bundeltje in de wieg op te pakken en ermee weg te rennen tegen te houden.
‘Nee kindje, ze is al geplaatst. Bij een zeer net echtpaar. Erg blij waren ze met eh, hoe zei je ook al weer dat jij haar noemde?’
‘Mary- Ann.’
Ik loop naar het wiegje en zie een stukje van een kaal babyhoofdje. Mary- Ann had zwarte haartjes. Een vlieg landt op het stukje blote huid en ik steek mijn hand uit om hem weg te wapperen. Hard grijpt de mevrouw mijn pols beet en veegt snel de vlieg van het tere kopje af.
‘Anders maak je hem wakker,’ verklaart ze. Ze wijst naar een theepot die op de tafel staat omringd door vele witte linten. Kort en lang. Een huivering trekt langs mijn ruggengraat en ik bedank. Wanneer ik de deur uitloop bots ik bijna tegen een jong meisje met een bundeltje dekens in haar armen. Een zacht gehuil klinkt eruit en ze wiegt het ongeduldig heen en weer. Haar ogen staan dof. Een traan rolt over haar wang en valt op de dekentjes.

Vanachter de haag van de buren zie ik de vrouw het bundeltje en een envelop aannemen. Het meisje druipt af met schokkende schouders. Als ik op mijn tenen ga staan zie ik dat de vrouw de baby op de tafel legt- het huilen overgegaan in krijsen -en naar het wiegje loopt. Alles in mij zegt weg te gaan en toch blijf ik staan. Ik schrik op uit mijn gedachten wanneer de voordeur in het slot valt.
Met een donkere omslagdoek om loopt de vrouw snel haar tuinpad af en slaat rechtsaf richting het plantsoen. In het schijnsel van de bijna volle maan zie ik het blauw van het dekentje uit de wieg in haar armen. Omwikkeld met de witte linten, als een rollade.

Ik weet niet waarom maar ik loop haar achterna. Aan het begin van het plantsoen, net na de grote eik stroomt rechts de rivier, vlak voordat hij afbuigt. Ik blijf uit het zicht en mijn maag trekt samen als ik een zachte plons hoor. Wanneer ik haar voetstappen niet meer kan horen loop ik naar de oever en zie enkel nog het wit van de linten in het donkere water. Met trillende vingers, van de spanning en de kou- ik moest tot aan mijn knieën het water in- knoop ik de linten los. De knoop in mijn maag bereikt een hoogtepunt als ik de dekentjes openvouw en zeer respectloos geef ik over, vlak naast het ooit mooie maar al zeer lang dode jongetje.

Wanneer er niets meer anders dan gal over is, merk ik de alarmbellen in mijn hoofd op. Ik doe mijn ogen dicht en de baby op de tafel verschijnt. Maar ook de realisatie dat ik de voetstappen de tegenovergestelde richting van haar woning op hoorde gaan. Nu of nooit, schreeuwt iets in mij. Nu! Ik sta op, laat het arme jongetje naast mijn braaksel liggen en ren zo snel het gaat met mijn natte schoenen en kousen terug naar het huis.
De deur is afgesloten, maar met een losse straatkei is het raam vrij eenvoudig van zijn glas te ontdoen. En daar, tussen de witte linten ligt het fragiele blonde meisje, uitgeput te slapen. Het dekentje gaat langzaam op en neer. Ik neem haar voorzichtig op, klim door het raam en maak dat ik weg kom.

In de eerste instantie zag de politie in mijn een labiele, hysterische vrouw die een baby ontvreemd had. Na een half uur besloten ze toch een agent langs de rivieroever te sturen, waarna het balletje aan het rollen kwam.
De rest, de arrestatie, het proces en zelfs de executie, is geschiedenis. Het is allemaal terug te lezen en op te zoeken. En nergens, lieve Mary-Ann wordt jouw naam nog genoemd. Jij was er slechts één van de geschatte vierhonderd jonge kinderen die dit monster om het leven bracht. En waarom? Uit waanzin? Nee. Voor geld. Gewoon voor ordinair geld. Zodra ze de poen binnen had moest ze van de baby af. Die zou alleen maar kosten. Ze was er zeer gedreven in en in de rivier en achtertuin zijn slechts een fractie van haar slachtoffertjes teruggevonden. Op de algemene begraafplaats zijn ze samen begraven én hebben James en ik een monumentje laten plaatsen.

Vergeet alsjeblieft nooit, dat zonder jou ze nu nog haar zaakjes voort zou zetten, ze de kindjes een wit lintje om de nek zou slaan en strak zou trekken. Zo strak. Zo strak als haar strop. Ik zal het zeker niet vergeten.

Weldra wordt je broertje geboren- of zusje natuurlijk. En ik zal zorgen dat hij over jou zal horen. Vader heeft nadat moeder verdween een grote investering gedaan waarmee een tehuis opgezet wordt voor ongehuwde jonge moeders. Jouw naam zal prijken op de gevel, jouw verhaal zal verteld worden. En vele moeders en kinderen zullen jou voor altijd dankbaar zijn. Jouw dood zal niet voor niets zijn.
Dankjewel, Mary-Ann. Tot weerziens, ooit.

P.S.
Het verhaal is plots voorbij. Dat is hoe het gaat. Alles komt in chaos tot een climax, voor je het zelf goed en wel beseft. Het is de tijd erna, de lange lege dagen waarover niets te schrijven valt die nog veel gruwelijk zijn…

Al eens geweest|Verhaal

‘Wat doe je?’ Jens kijkt naar zijn bijrijder. Ze ziet er goed uit en het valt hem op dat ze nieuwe kleren aanheeft. Hij gaat er niets over zeggen, dat zal te geforceerd overkomen.
‘Mijn oren zitten dicht. Heb jij er geen last van?’ Ze doet haar gladde, blonde haar achter haar oren, om het er meteen weer weg te halen. Ze moet stoppen met die gewoonte, ze weet dat Jens het lelijk bij haar vindt staan. Ook houdt ze op met dat idiote openen en sluiten van haar mond, als een aangespoelde vis, om haar oren te laten ploppen.                 Een gevoel van al eens geweest, een déjà-vu, schiet van haar hoofd naar haar buik. Ze zegt het niet hardop want Jens gaat ongetwijfeld uitvoerig uitleggen hoe dat werkt, met je hersenen en de hele kleine vertraging in het bewust meemaken.
Jens lacht: ‘We rijden in de Ardennen. Zo hoog is dit nu ook weer niet.’
Anna haalt haar schouders op. ‘Wel lief van pa en ma dat we de auto meekregen.’ Ze veegt denkbeeldig stof van het dashboard weg met haar hand.
De telefoon van Jens geeft een melding en de naam Amanda verschijnt in beeld.
‘Ja hartstikke lief.’ Beetje jammer dat het een Fiat Multipla is en jij net al een selfie van ons op Facebook gepost heb in dit slechtste excuus voor een auto, denkt hij.
Hij ziet dat ze naar zijn telefoon kijkt. Wanneer je het beeldscherm naar boven legt, heb je niets te verbergen. Dat weet ze zelf ook. Hij voelt dat ze zich inhoudt, maar de kwestie Amanda is uitvoerig besproken. Alsof hij met dat kind ook maar íets zou willen. En alsof een 18 jarige interesse zou hebben in haar 35 jarige werkgever. Trouwens, dan had hij haar nooit onder haar eigen naam opgeslagen in zijn telefoon. Hoe dom kun je zijn.
‘Wel even wennen. Het is toch wat anders dan de Mercedes hoor,’ zegt hij en frummelt aan de knopjes waarna de blowers op volle kracht door de auto blazen. ‘Sorry!’
Een onbekende, donkergroene folder waait haar schoot in. Ze gaat even met haar hand over haar nog platte buik en denkt aan de fles alcoholvrije champagne in haar koffer.
‘Wat is dat?’ Jens wijst naar de folder. Anna bladert langs verschillende monumenten en foto’s van immense begraafplaatsen. ‘Verdun, zegt je dat wat?’ Op de achterkant van de folder staat een getekende afbeelding van een soldaat en een verhaal in een olijk lettertype. ‘De legende van de laatste dag,’ begint Anna met een sinistere stem.
‘… de dood kwam te plots om door te dringen. Zo wordt ook vandaag de dag de geest van de onbekende soldaat nog dolend door de bossen gezien. Nog altijd opzoek naar de vijand, nog altijd klaar om te doden,’ sluit ze af.
Lachend drukt Jens voor de derde keer een beller weg. Ze kijkt hem vragend aan. ‘Ik heb vrij, Arend zoekt het maar uit,’ zegt Jens en hij legt zijn telefoon met het scherm naar beneden terug.
Jens wijst naar de navigatie en ze buigt naar voren. Verdun is verder op de aangegeven route al zichtbaar. ‘Wil je er even stoppen om iets te bekijken?’ Anna haalt haar schouders op. ‘Nah, ik heb niet echt iets met geschiedenis. Dit is de eerste wereldoorlog toch?’ ze tikt even met haar roze gelakte nagel op de folder. Jens knikt. ‘Laten we maar gewoon door rijden.’

‘Daar! Stop daar!’ Anna wijst naar een onverharde afslag die uitmondt in een kleine parkeerplaats.
Jens draait de aangewezen weg op. ‘Kan je het echt niet even ophouden? Na de oorlog zijn deze bossen uitgeroepen tot rustplaats van de gesneuvelden. Dat las je net zelf voor.’ Anna kijkt hem bijna wanhopig aan. Wat wil hij dan? Dat ze op de stoel pist?
‘Kijk,’ zegt Jens en wijst naar een bord. Anna schiet de auto uit, holt langs het bord en opent ondertussen haar broeksknoop. ‘Verboden te picknicken, verboden voor muziek maar ik zie nergens verboden te plassen staan,’ schreeuwt ze naar de man in de Fiat die alleen zijn hand opsteekt. Zelf weten.
Anna loopt een eindje achter het bankje de bosjes in maar ze ziet geen geschikte plaats om ongezien te hurken.
Ze hoort weer het geluid van Jens zijn telefoon en flarden van het gesprek. ‘…ik zei toch dat je niet moest bellen!’ en even later: ‘Ik ben een weekend weg. Ja, natuurlijk met haar.’ Hele zachte, kleine alarmbelletjes gaan rinkelen terwijl ze terug naar de parkeerplaats loopt. Klein en zacht genoeg om te negeren. Ze wijst naar Jens dat ze de andere kant even probeert. Hij heeft de telefoon niet meer in zijn hand ziet ze, hij leunt tegen de zijkant van de auto en eet een bagel uit de papieren broodzak en zwaait terug.
Aan deze kant zit het vol geulen en kuilen en nog geen twee meter van het pad kan ze ongezien haar broek laten zakken en zakt ze door haar knieën. Ze heeft zo lang de plas opgehouden dat hij niet meteen komt. Ze luistert naar het ruizen van de bomen en het ontbrekende vogelgekwetter. Hier in de bossen, waar zo velen hun dood vonden houden zelfs de vogels stil… Ze probeert te lachen om zichzelf en haar angst om een kindersprookje achterop een toeristenfolder. Maar net als wanneer je misselijk bent en alleen nog maar en zoet en vet eten kan denken, zo moet ze nu aan alle naargeestige feitjes uit de folder denken. Er vallen vandaag de dag nog altijd slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Nee, niet door een uit het leven weggerukte dolende soldatenziel maar door nog op scherp staande munitie die overal nog in de grond zit. Niet vaak meer. Maar toch.
Eindelijk komt dan de plas en terwijl ze de denkbeeldige handgranaten waar ze op staat negeert, met één hand haar broek uit de plaslinie naar voren trekt reikt ze met haar vrije hand naar iets wits vlak naast haar half in de grond. Het is wit, niet groter dan een vingerkootje, met minuscule gaatjes en mos op de oppervlakte en…het ís een vingerkootje. Snel laat ze het botje los.

En dan: Pang!

Een knal, zo’n oorverdovende, doet alles stilstaan. Behalve haar plas, die nu recht haar nieuwe witte sneakers instraalt.
‘Godverdomme, Jens!’ Ze moet even bijkomen, op adem komen, uitdruppen en hijst dan furieus haar broek op. Achter haar staat Jens met een grote grijns en een kapotte broodzak in zijn handen. ‘Sorry. Maar je reactie was het zeker waard. Kom je?’ Hij draait zich om en loopt van de kuil- de bomkrater- weg.
‘Hoeveel kilometer is het nog?’ Is het eerste en enige dat Anna zegt wanneer ze de weg weer opdraaien. Jens zijn vinger wijst naar de navigatie. Hij houdt wijselijk zijn mond. Ze moet zeker ongesteld worden, denkt hij. Gelukkig is ze aan de pil en kan ze die doorslikken- wel zo handig op vakantie.
Weer zijn ringtone. Met een schuin oog ziet hij Arend weer in beeld verschijnen. “Arend” met twee aanhalingstekens, denkt hij. Ook ziet hij Anna’s vinger de groene knop op het beeld indrukken. Nee!
Iedereen zwijgt, de temperatuur in de auto lijkt vijf graden te zijn gedaald en toch breekt het zweet hem uit.
‘Jens?’ zegt een vrouwenstem nogmaals vanuit de nieuwste Samsung. ‘Jens, lul, je wordt vader.’ Hij voelt het bloed uit zijn gezicht trekken. Anne staart met grote, onbegrijpende ogen naar de telefoon en denkt: hoe kan zij dat weten, ik heb het nog tegen niemand verteld. Natuurlijk duurt het maar twee seconden voordat ze snapt wat er bedoeld wordt. Maar twee seconden zijn soms lang genoeg.

Een vrachtwagen, volgeladen met vers gekapt hout, van die mooie op elkaar gestapelde, ronde stammen weegt rond de veertigduizend kilo. Een fiat Multipla dertienhonderd, met bagage en twee personen ietsjes meer natuurlijk.

Twee seconden zijn kort, maar zoals gezegd soms lang genoeg.

Wanneer de chauffeur- die het wel overleefde maar zichzelf na deze dag omschoolde tot kraanmachinist en nooit meer door de bossen van Verdun reed- een biertje of twee, drie teveel opheeft, wil hij nog wel eens vertellen over het ongeluk. Over hoe hij moest uitwijken voor iemand die zich verkleed had als een soldaat. Je weet wel, een ouderwetse uit een van de oorlogen. Over de klap, de ingeblikte man en de aan stukken gereten vrouw, verspreid in bijna ontelbare delen over de het slagveld van Verdun. Over hoe hij haar blonde haar tussen de nog niet ontsproten bosjes zag liggen aan de linkerkant van de weg, en een been met een witte sneaker aan de rechterkant. Over hoe het geeneens meer de schijn van een kans had.

‘Wat doe je?’ vraagt Jens.
‘Mijn oren zitten dicht. Heb jij er geen last van?’ zegt Anna en ze doet haar gladde, blonde haar achter haar oren, om het er meteen weer weg te halen.
Dan houdt ze op met dat idiote openen en sluiten doen van haar mond om haar oren te laten ploppen.

Een gevoel van al eens geweest, een déjà-vu…