Zomersneeuw| verhaal

“Lentebloemen?” roept ze verrast, of enigszins sarcastisch; het is tenslotte geen lente meer. Ze buigt met haar gezicht richting de verse narcissen die ik voor haar meegebracht heb. Diep inhaleert ze de geur.

“Zoals ik altijd al zeg, mijn reuk is weg.” Resoluut trekt ze haar hoofd terug en vraagt mij de bloemen in een vaas te zetten. Op de salontafel. Maar ik moet wel opletten dat ik de juiste vaas pak, niet die hele zware want dan kan ze zelf het water niet verversen. Er is, zo moet ik weten, niemand om haar daarbij te helpen, ze zal dat allemaal alleen moeten doen, ze ratelt door vanuit de keuken waar ze voor mij uit heen is gelopen. Leunend op haar stok.

Bijna voel ik mij schuldig over de meegebrachte bloemen.

De sleutel uit het sleutelkastje naast de voordeur stop ik in mijn broekzak voordat ik op mijn tenen reik naar een vaas.

Een lichte. Maar ook weer niet te licht, dan kiept hij weer snel.

Over drie uur zal ik de deur weer voor haar afsluiten. In gedachten herhaal ik de code: een, negen, twee, vijf. 1925. Gister is ze 92 jaar geworden.

Zomerzon werpt brede banen licht tussen de lamellen door.

Ze zit midden op de groene ribfluwelen bank in een van deze banen met haar ogen dicht. Als een kat.

Haar smalle enkels en polsen verraden de breekbaarheid van haar lichaam onder de dikke lagen kleding. Ze is licht; het is alsof de kussens haar niet hoeven te dragen.

Haar handen, knokige dooraderde klauwtjes, liggen ineengevouwen in haar schoot. Zacht wrijft ze deze over en langs elkaar.

Ik schraap mijn keel. Zweet loopt in kleine straaltjes van mijn rug. Niet vanwege het harde werken. Mevrouw heeft alles al brandschoon. Soms verdenk ik haar ervan de dag voor mijn wekelijkse komst zelf snel het hele huis door te werken. De deuren en ramen zitten potdicht. De zon beukt meedogenloos op de ramen en mijn hoofd bonkt licht.

Vandaar.

“Wat is er kindje, ben je klaar? Zou je anders de koffie voor ons willen zetten? De kopjes heb ik al voor ons klaar gezet.”

Zonder morsen schenk ik het water en schep de koffie in de machine. Uit de servieskast pak ik onze kopjes en zet ze klaar. De koelkast zoemt en trekt mijn aandacht. Ik trek hem open. Wat houdbare producten, ongeopend en het koelen niet waard staan voor een pak melk en een pot mayonaise. Maanden over datum. De koffie pruttelt dat ze klaar is terwijl ik de koelkast bevrijd van de dingen die niet meer kunnen.

Herfstbladeren, eikeltjes en twee kleine vogeltjes sieren mijn kopje. Mevrouw heeft dat met de kleine aardbeitjes erop. We nippen en ze vraagt of ik alle natte doeken te drogen heb gehangen. Ik knik. De stofzuiger staat weer uit elkaar gehaald in de krappe trapkast. Ze vouwt haar handen om het kopje. “Kindje, ik kan ze niet meer warm krijgen. Zelfs nu niet. Moet je voelen.” Haar uitgestoken hand raakt met de vingertoppen de mijne en ik voel vier koude puntjes. Denk ik. Ik knik. Of er nog iemand op haar verjaardag is geweest, vraag ik haar en neem een grotere slok van mijn koffie.

Haar blik wordt troebel. “Wie zou er op mijn verjaardag moeten komen? Er is niemand meer over. Niemand. Dat is de ellende van oud worden. Ik ben altijd maar alleen.”

Ik slik.

“Maar morgen is het donderdag, dan komt uw zoon toch?”

Ze zucht. Diep. “Ja, morgen komt Rob. Dan doen we even wat boodschapjes.” Ze kijkt op van haar kopje en vraagt of ik heb gezien hoe leeg de koelkast is. Ik beaam. Maar voor vanavond heeft ze nog soep verzekert ze mij. En in de vriezer ligt brood.

“Honger heb ik niet hoor. Wel gehad. Heb ik je wel eens verteld over die winter? Wanneer was het ook alweer?” Haar blik gaat op oneindig en mijn gedachten ook. Ze vertelt.

Dan schuift een wolk voor de zon. Een kleine windvlaag bevestigt het weerbericht van vanmorgen en de klok begint te slaan. Het is twaalf uur en ik moet verder. Mijn kopje is leeg. Op de tafel naast de narcissen mag ik hem laten staan. Zij zal ze later opruimen. Want ze heeft verder weinig omhanden, zegt ze.

Winterjassen opzij drukkend vind ik mijn eigen spijkerjasje terug. ‘Dat is toch veel te koud!’ Ze loopt op mij toe maar ik heb al braaf mijn jas dichtgedaan, tot de laatste knoop aan toe. Goedkeurend knikt ze naar me. “Ga maar snel kindje, anders kom je nog te laat.” Ze doet een pas naar achter, richting haar leven, naar de rest van deze stille dag. De deur draai ik achter mij in het slot, al twee jaar lang.

Het slot van mijn fiets knerpt open en trekt de aandacht van de overbuurman. Geknield zit hij in zijn tuintje de zwarte aarde tussen de strijdende struikjes om te woelen met wat gereedschap. Hij staat op, klopt zijn handen onhandig af aan de zijkanten van zijn broek en maakt aanstalten mijn kant op te komen. Het pad aflopend ga ik hem vanzelf tegemoet.

“Goedemorgen. Of nee, goedemiddag alweer!” zegt hij, ietwat nerveus glimlachend.

“Hoi.” Ik zet mijn trappers recht. Startklaar.

“Jij bent de oude hulp toch? Mag ik wat vragen?”

Ik moet lachen. “Zo oud ben ik toch ook weer niet?”

Schaapachtig kijkt hij mij aan, ik ben minimaal twintig jaar jonger.

“Nou ja, je begrijpt me wel.”

Ik snap hem niet.

“Eh, weet je misschien wanneer het te koop komt?” Hij wijst naar het huis waar ik net de deur van heb dichtgedraaid.

Ik haal mijn schouders op. “Nee, geen idee. Dat zal haar zoon wel weten denk ik?”

Hij vraagt mij of ik het niet weet.

Wat zal ik niet weten? Ik heb geen idee, kijk hem aan en schud mijn hoofd.

Hij haalt een zanderige hand door zijn haar. Stof dwarrelt om zijn gezicht. “Twee maanden geleden zat ik daar ook.” Hij wijst in de richting van zijn tuintje. “Een tuin vergt toch meer aandacht dan je zou denken, zelfs een van dit formaat.” Het is een klein tuintje.

“Het was een warme lente dag geweest, rond een uur of zeven stopte er een politieauto bij haar voor de deur. Later hoorde ik dat zij kwamen vertellen dat haar zoon overleden was. Auto ongeluk.”

Ik blijf hem aankijken.

“Diezelfde nacht overleed ze. Rob was de enige die ze nog had. Wij, mijn vrouw en ik, vermoeden dat ze van verdriet gestorven is.”

Hij kijkt naar zijn handen en pulkt de prut onder zijn nagels vandaan.

“Ow…kee?”

Ik zet mijn voet op het pedaal en stap op de in beweging gebrachte fiets.

“Ik moet gaan, ik ben al laat.”

De wind waait de bloesem uit de kersenboom in haar tuin de straat door.

Het dwarrelt op mijn haar, schouders en in mijn gezicht. Als zomersneeuw ligt het op mij en mijn hart, dat de gemiste slagen inhaalt.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: