Er was eens…|Verhaal

Afgelopen januari gepubliceerd (in twee delen) op de site: Voorleestuin.be

Er was eens een kind, een jongetje, dat vaak Roodkapje werd genoemd. Dit kwam niet omdat hij altijd een roodkapje ophad. Nee natuurlijk niet. Dit kwam door zijn oma, die altijd rode mutsjes voor hem haakte. Vroeger. En hem dan Roodkapje noemde. Oma hield van gekke namen. Oma noemde zijn mama altijd Muisje en als ze papa nodig had riep ze: ‘hee bolle!’

Dat was heel gek want papa was juist helemaal niet bol.

‘Doe je rits eens dicht,’ zei mama terwijl ze het mandje op de grond zette om zelf zijn rits dicht te doen.

‘Dat kan ik zelf wel hoor,’ zei hij streng. Mama vergat soms dat hij geen kleuter meer was.

‘En je capuchon?’ Ze ging al met haar handen naar hem toe maar hij schudde snel zijn hoofd. Hij ging natuurlijk niet met een mandje én een rode capuchon op naar oma. Wat dacht mama wel niet zeg!

‘Je weet de weg? Op de stoep blijven, dan linksaf om het park heen…’

‘ja- ha,’ zuchtte hij. ‘Daarna weer naar links en de derde straat naar rechts.’

Mama knikte tevreden. ‘En niet door het park dus he?’

‘Nee-hee.’ Hij stak zijn hand uit en pakte het mandje aan. ‘Als ik straks terug ben mag ik nog gamen, he?’

‘Ga nu maar.’ Mama duwde hem zachtjes de goede richting op.

Het mandje was niet licht. Er zaten wat dingen in om oma op te vrolijken, had mama verteld.

Oma was thuis van haar werk, ze was gevallen met haar fiets. Ze had zo’n snelle fiets. ‘Levensgevaarlijk die dingen!’ riep papa een paar dagen geleden toen mama de telefoon uitdrukte en vertelde wat er was gebeurd met oma.

Hij wisselde voor de vierde keer van hand. Het mandje leek steeds zwaarder te worden.

Wat zou er inzitten?

Hij zette het op de grond en keek: een tijdschrift, een reep chocolade (He, jammer met nootjes, die lustte hij niet) een klein bakje druiven (die gaat oma straks aan hem geven, oma vindt fruit belangrijk. Iets met vitamines ofzo) de zelfgemaakte cake van mama, waar papa en hij geen plakje van mochten proeven, een spuitbus slagroom én een bosje tulpen.

Toen hij weer verder wilde lopen zag hij dat hij precies bij het bruggetje stond. Het bruggetje waar ze vaak de eendjes voeren, het bruggetje naar het park.

Als hij over het bruggetje, over het slingerende fietspad langs de glijbaan en de wipkip zou lopen zou hij sneller zijn. Als hij deze weg zou nemen zou hij vast en zeker twee keer zo snel zijn. Mama zei zelf altijd dat dit de snelste weg was naar oma.

In de verte zag hij de bovenkant van de glijbaan, hoorde hij kinderen lachen en een fietsbel vrolijk rinkelen. Oma vindt het vast fijn als hij er eerder is. Ze is dol op chocolade met nootjes.

Zijn voetstappen klonken gek op de brug. Hij zag tussen de kieren door een witte en een bruine eend. Jammer dat hij geen brood mee had, dacht hij.

‘Ho! Pas op!’ Vlak voor zijn voeten stopte een fietswiel. Hij keek op.

De geschrokken meneer stapte af en zette zijn fiets tegen de reling. In zijn hand hield hij een zak vol met brood.

‘Daar deed ik je bijna pijn, jongeman.’ De stem van de man klonk donker en boos, maar hij glimlachte.

Tussen zijn donkere, lange haren en wilde baard glommen zijn groene ogen en witte tanden.

‘Sorry meneer, ik keek naar de eenden.’

‘Houd jij ook zo van eenden? Hier. Help mij maar even.’ Een harige hand met lange vuile nagels graaide in de zak brood en gaf hem drie sneetjes oud witbrood.

‘Of heb je haast?’

‘Een beetje,’ zei hij en gooide ondertussen stukjes brood naar de twee eenden.

‘Waar moet je heen met dat mandje? Ziet er goed uit.’ Hij veegde met de mouw van zijn vest wat kwijl van zijn mond.

‘Mooi he? zei hij en stak zijn twee armen naar voren. ‘Echt wol. Weet je waar dat van gemaakt is?’

Natuurlijk wist hij dat, hij was geen peuter meer. ‘Ja van een schaap.’

‘Bingo!’ zei de baard en hij geeft hem nog een half sneetje krentenbrood.

‘Waar ging je heen zei je nou?’

‘O, naar mijn oma. Ze heeft een zere rug ik ga haar wat spulletjes brengen.’

‘Alleen? En je weet de weg? Daar geloof ik niks van!’ De groene ogen van de man keken hem verbaasd aan.

‘Pfff, ik ben er al duizend keer geweest. Het fietspad af, het andere bruggetje over en meteen naar rechts. Daarna de eerste straat links en dan het eerste huis. Simpel.’

Nog voordat de man iets kon zeggen, zei hij: ‘Ja ik weet wat links en rechts is, ik ben al groot.’

De twee harige handen hielden de broodzak op zijn kop en schudden de kruimels in het water.

‘Waarom pluk je onderweg niet nog wat bl… eh brámen voor je oma? Die zijn hartstikke gezond. Daar zal ze blij mee zijn. Weet je waar ze groeien?’ Met een puntige nagel wees hij naar een klein zijpaadje waar alle mensen altijd met de honden lopen. Het was niet ver van het pad. Bramen zijn natuurlijk ook fruit. Met vitamines. Hij kon best even stoppen om wat bramen te plukken nu hij toch de snelle weg had genomen.

Hij drukte op de bel: Ding-Dong!

En nog eens.

Toen deed hij het klepje van de brievenbus open en riep: ‘Oma?’

‘De sleutel ligt onder de mat!’ riep een krakerige stem terug.

Was oma soms verkouden, of deed haar rug zo veel pijn dat ze niet goed meer kon praten?

‘Hoi Oma! Ik ben het,’ riep hij en hij keek oma’s woonkamer door. De gordijnen waren gesloten, het was donker maar op de bank onder een stapel dekens zag hij iets bewegen.

‘Kom verder kindje,’ zei ze weer met schorre stem en een hand met een paarse handschoen aan kwam onder de dekens vandaan. Ze wenkte hem: ‘Kom eens hier.’

Stapje voor stapje schuifelde hij dichterbij.

Ze had ook een paarse glittermuts op zag hij toen hij vlak naast de bank stond. Hij kon alleen één oor zien, de rest hield ze onder de dekens.

Hij kreeg een gekke kriebel in zijn buik.

‘Oma ik heb lekkere dingen voor je mee van mama,’ zei hij zachtjes.

‘Dank je, dank je, kindje.’

Hij keek nog eens naar het oor van oma. Wat was hij gek groot, dat was hem nog nooit opgevallen.

‘Oma, waarom steekt uw oor zo uit?’

‘Dat, kindje is om je beter te kunnen horen.’

Hij keek naar de paarse handschoen.

‘Oma waarom heeft u van die gekke handschoenen aan?’

‘Dat kindje…ehh, bemoei je daar eens even niet mee! Ja?!’ zei de stem boos.

‘Nou, oma wat geeft u een grote mond!’ zei hij geschrokken.

De dekens kwamen langzaam in beweging.

Oma ging rechtop zitten. Deed haar handschoenen uit.

Een hand met vieze, lange nagels trok de paarse muts van haar hoofd.

‘Grote mond? Grote mond! Dat maak ik zelf wel uit. Kom hier jij!’ Van onder de dekens sprong de harige man op hem en greep hem bij zijn arm.

‘Natuurlijk heb ik een grote mond. Ik sterf van de honger. Meekomen jij, kleintje!’ Hij sleurde hem mee naar de grote voorraadkast.

‘Waar is oma? Wat heb je met mijn oma gedaan?’ riep hij boos.

‘Houd je snavel jij!’ Met een harde duw smeet hij hem in de kast en draaide hem op slot.

Het was donker in de kast. Alleen door het sleutelgat scheen een straaltje licht. ‘Hoi Roodkapje,’ klonk er vanuit het donker achter hem. Het was de stem van oma. ‘Oma. Noem me toch niet altijd zo,’ zuchtte hij terwijl hij zijn oog tegen het sleutelgat aan drukte.

De gordijnen waren dicht, maar alle lichten brandden.

In een grote sporttas zag hij oma’s laptop, haar tablet en zilveren kandelaars gepropt zitten.

‘Zo, dat is dat,’ mompelde de man tevreden en ritste de tas dicht.

‘En nu eerst ETEN!’ Hij vulde een pan met water en zette het vuur hoog.

Nadat hij groentes in het kokende water had gedaan, pakte hij de grootste snijplank en het scherpste mes.

Hij legde het mes naast de plank op de keukentafel en zei: ‘Alleen het vlees nog. Ik heb genoeg voor drie weken soep.’ En hij keek naar de kastdeur. Hij stond op, pakte de sleutel van tafel en liep op de kast af toen…

Ding-Dong.

‘Wel getverderrie,’ mopperde de man.

Ding- Dong.

‘Dat is de buurvrouw, mevrouw Jager,’ zei oma tegen de dichte deur.

‘Stil daarbinnen! Laat ik jullie niet nog eens horen of er zwaait wat!’ gromde de man hen toe.

De voordeur werd geopend.

‘HELP, HELP, MEVROUW JAGER, HELP ONS! HIJ HEEFT ONS OPGESLOTEN!! Met voeten en vuisten ramde hij tegen de dichte kastdeur.

Er klonk gestommel, geschreeuw en gegil vanuit de woonkamer. Toen werd het stil.

Voetstappen kwamen langzaam op de kastdeur af, de sleutel ging in het slot en langzaam, heel langzaam ging de deur open.

En daar in de deuropening stond het allerkleinste en waarschijnlijk ook het alleroudste vrouwtje dat hij ooit zag. Met in haar hand een grote bruine handstas. Ze klopte even op de tas en zei: ´Ik had knikkers voor je mee, kindje. Drie grote zakken. Deze tas weegt een ton. Daar had die vuilak niet van terug.´ Ze sloeg een oude hand voor haar mond. ‘Pardon,´ zei ze.

Oma schonk de thee in en mevrouw Jager verdeelde de chocolade op een schaaltje.

‘Nou jongen. Je hebt gelijk, ik zal je geen Roodkapje meer noemen. Je bent al zo groot. En moedig, erg moedig. Ik durfde mij niet te verroeren.’

Ze keek hem aan. ‘Hoe zal ik je dan noemen. Iets met held? Super Hero?’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee oma. Ik weet hoe u mij kan noemen: Sil. Want dat is tenslotte gewoon mijn naam.’

Oma lachte en proostte met de thee. ‘Op Sil, zei ze blij. Sil proostte mee. Voorzichtig.

‘Was er niet een tv programma vroeger? Sil de Strandjutter?’ Oma keek mevrouw Jager vragend aan.

‘Omá…’ zei Sil streng.

‘Sorry Sil.’

En ze leefden nog lang en gelukkig.

One Comment on “Er was eens…|Verhaal

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: