Onverwacht|Verhaal

‘Wat doe je?’ Jens kijkt opzij naar zijn bijrijder. Ze ziet er goed uit, denkt hij en het valt hem op dat ze nieuwe kleren aanheeft. Zal hij daar iets over zeggen? Nee, dat komt geforceerd over. Hij houdt van haar. Hij weet het, daar hoeft niet speciaal een weekend weg van de gewone wereld aan gespendeerd worden.

‘Mijn oren zitten dicht. Heb jij er geen last van?’ zegt ze en doet haar gladde, blonde haar achter haar oren, om het er meteen weer weg te halen. Ze moet stoppen met die gewoonte, ze weet dat Jens het lelijk bij haar vindt staan. Ook houdt ze op met dat idiote openen en dicht doen van haar mond om haar oren te laten ploppen.

Dan een flits. Even een gevoel van al eens geweest, een déja-vu. Ze zegt het niet hardop want Jens gaat ongetwijfeld uitvoerig uitleggen hoe dat werkt, met je hersenen en de hele kleine vertraging in het bewust meemaken.

Jens lacht. ‘We rijden in de Ardennen. Zo hoog is dit ook weer niet.’

‘Wel lief van ma dat we de auto meekregen,’ zegt Anna. Ze veegt denkbeeldig stof van het dashboard weg met haar hand. Pa is gestopt met werken, sindsdien hebben haar ouders hun wereld verkleind tot hun huis en het dorp. De auto schoonmaken, vroeger een tussendoorklusje, is tegenwoordig vaste prik op zaterdagochtend. Ze doen het samen, zoals alles, in ANWB-uniform en daarna meteen door naar de Aldi en de AH voor de koopjes uit de folder. Druk een kussen op mijn hoofd in mijn slaap, mocht ik ooit zo worden, had Jens haar gevraagd toen pa en ma hen uitzwaaide. Pa zal morgen de Mercedes uit de garage oppikken na de reparatie, hij zwaaide met de sleutels in zijn hand.

De telefoon van Jens naast de versnellingspook geeft een melding en de naam Amanda verschijnt in beeld.

‘Ja hartstikke lief.’ Beetje jammer dat het een Fiat Multipla is en jij net al een selfie van ons op Facebook gepost heb in dit slechtste excuus voor een auto, denkt hij. Hij ziet dat ze naar zijn telefoon kijkt. Wanneer je het beeldscherm naar boven legt, heb je niets te verbergen. Dat weet ze zelf ook. Hij voelt dat ze zich inhoudt, maar de kwestie Amanda is uitvoerig besproken. Alsof hij met dat kind ook maar íets zou willen. En alsof een 18 jarige interesse zou hebben in haar 35 jarige werkgever. Trouwens, dan had hij haar nooit onder haar eigen naam opgeslagen in zijn telefoon. Hoe dom kun je zijn.

‘Wel even wennen. Het is toch wat anders dan de Mercedes hoor,’ zegt hij en frummelt aan de knopjes waarna de blowers op volle kracht door de auto blazen. ‘Sorry!’ Een onbekende, donkergroene folder waait haar schoot in. Ze gaat even met haar hand over haar nog platte buik en ze denkt aan de fles alcoholvrije champagne in haar koffer. Straks in de hotelkamer zal ze de fles tevoorschijn halen. Ze probeert zich zijn reactie voor te stellen. Vast blij en verrast. Zeker verrast.

‘Wat is dat?’ Jens wijst naar de folder. Anna bladert langs verschillende monumenten en foto’s van immense begraafplaatsen. ‘Verdun, zegt je dat wat?’ Op de achterkant van de folder staat een getekend plaatje van een soldaat en een verhaal in een olijk lettertype. ‘De legende van de laatste dag,’ leest Anna voor met een aangedikte sinistere stem. ‘… de dood kwam te plots om door te dringen. Zo wordt ook vandaag de dag de geest van de onbekende soldaat nog dolend door de bossen gezien. Nog altijd opzoek naar de vijand, nog altijd klaar om te doden,’ sluit ze af.

Lachend drukt Jens voor de derde keer een beller weg. Ze kijkt hem vragend aan. ‘Ik heb vrij, Arend zoekt het maar uit,’ zegt Jens en hij legt zijn telefoon met het scherm naar beneden terug.

Jens wijst naar de navigatie en ze buigt naar voren. Verdun is verder op de aangegeven route al zichtbaar. ‘Wil je er even stoppen om iets te bekijken?’ Anna haalt haar schouders op. ‘Nah, ik heb niet echt iets met geschiedenis. Dit is de eerste wereldoorlog toch?’ ze tikt even met haar roze gelakte nagel op de folder. Jens knikt. ‘Laten we maar gewoon door rijden.’

‘Daar! Stop daar!’ Anna wijst naar een onverharde afslag die uitmondt in een kleine parkeerplaats. Bankje, informatiebord en vuilnisbak. Alle ingrediënten zijn aanwezig. Jens mindert snelheid en draait de onverharde weg op. ‘Kan je het echt niet even ophouden? Na de oorlog zijn deze bossen uitgeroepen tot rustplaats van de gesneuvelden. Dat las je net zelf voor.’ Anna kijkt hem bijna wanhopig aan. Wat wil hij dan? Dat ze op de stoel pist? ‘Kijk,’ zegt Jens en wijst naar een bord. Anna schiet de auto uit, loopt langs het bord en opent ondertussen haar broeksknoop. ‘Verboden te picknicken, verboden voor muziek maar ik zie nergens verboden te plassen staan,’ schreeuwt ze naar de man in de Fiat die alleen zijn hand opsteekt. Zelf weten.

De hele weg tot hier waren de bomen knisperend groen, vers blad, bijna lichtgevend. Alles hoog is hier is ook groen, maar de lage bosschages zijn nog niet helemaal ontsproten. Ze loopt een eindje achter het bankje de bosjes in maar ze ziet geen geschikte plaats om ongezien te hurken. Ze hoort weer het geluid van Jens zijn telefoon en flarden van het gesprek. ‘…ik zei toch dat je niet moest bellen!’ en even later: ‘Ik ben een weekend weg. Ja, natuurlijk met haar.’ Hele zachte, kleine alarmbelletjes gaan rinkelen terwijl ze terug naar de parkeerplaats loopt. Klein en zacht genoeg om te negeren. Ze wijst naar Jens dat ze de andere kant even probeert. Hij heeft de telefoon niet meer in zijn hand ziet ze, hij leunt tegen de zijkant van de auto en eet een bagel uit de papieren broodzak en zwaait terug.

Aan deze kant zit het vol geulen en kuilen en nog geen twee meter van het pad kan ze ongezien haar broek laten zakken en zakt ze door haar knieën. Ze heeft zo lang de plas opgehouden dat hij niet meteen komt. Ze luistert naar het ruizen van de bomen en het ontbrekende vogelgekwetter. Hier in de bossen, waar zo velen hun dood vonden houden zelfs de vogels
stil… Ze probeert te lachen om zichzelf en haar angst om een kindersprookje achterop een toeristenfolder. Maar net als wanneer je misselijk bent en alleen nog maar en zoet en vet eten kan denken, zo moet ze nu aan alle naargeestige feitjes uit de folder denken. Er vallen vandaag de dag nog altijd slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Nee, niet door een uit het leven weggerukte dolende soldatenziel maar door nog op scherp staande munitie die overal nog in de grond zit. Niet vaak meer. Maar toch.

Eindelijk komt dan de plas, en terwijl ze de denkbeeldige handgranaten waar ze op staat negeert, met één hand haar broek uit de plaslinie naar voren trekt reikt ze met haar vrije hand naar iets wits vlak naast haar half in de grond. Het is wit, niet groter dan een vingerkootje, met minuscule gaatjes en mos op de oppervlakte en…het ís een vingerkootje. Snel laat ze het botje los.

En dan: Pang!

Een knal, zo’n oorverdovende, doet alles stilstaan. Behalve haar plas, die nu recht haar nieuwe witte sneakers instraalt. ‘Godverdomme, Jens!’ Ze moet even bijkomen, op adem komen, uitdruppen en hijst dan furieus haar broek op. Achter haar staat Jens met een grote grijns en een kapotte broodzak in zijn handen. ‘Sorry. Maar je reactie was het zeker waard. Kom je?’ Hij draait zich om en loopt van de kuil- de bomkrater- weg.

‘Hoeveel kilometer is het nog?’ Is het eerste en enige dat Anna zegt wanneer ze de weg weer opdraaien. Jens vinger wijst naar de navigatie. Hij houdt wijselijk zijn mond. Ze moet zeker ongesteld worden, denkt hij. Gelukkig is ze aan de pil en kan ze die doorslikken- wel zo handig op vakantie.

Weer zijn ringtone. Met een schuin oog ziet hij Arend weer in beeld verschijnen. “Arend” met twee aanhalingstekens, denkt hij. Ook ziet hij Anna’s vinger de groene knop op het beeld indrukken. Nee!

Iedereen zwijgt, de temperatuur in de auto lijkt vijf graden te zijn gedaald en toch breekt het zweet hem uit. ‘Jens?’ zegt een vrouwenstem naast de versnellingspook. ‘Jens, lul, je wordt vader.’ Hij voelt het bloed uit zijn gezicht zakken. Anne staart met grote, onbegrijpende ogen naar de telefoon en denkt: hoe kan zij dat weten, ik heb het nog tegen niemand verteld.

Natuurlijk duurt het maar twee seconden voordat ze snapt wat er bedoeld wordt. Maar twee seconden zijn soms lang genoeg.

Een vrachtwagen, volgeladen met vers gekapt hout, van die mooie op elkaar gestapelde, ronde stammen weegt rond de veertigduizend kilo. Een fiat Multipla dertienhonderd, met bagage en twee personen ietsjes meer natuurlijk. Twee seconden zijn kort, maar zoals gezegd soms lang genoeg.

Wanneer de chauffeur- die het wel overleefde maar zichzelf na deze dag omschoolde tot kraanmachinist en nooit meer door de bossen van Verdun hoefde te rijden- een biertje of twee, drie teveel opheeft, wil hij nog wel eens
vertellen over het ongeluk. Over hoe hij moest uitwijken voor iemand die zich verkleed had als een soldaat. Je weet wel, een ouderwetse uit een van de oorlogen. Over de klap. De ingeblikte man en de aan stukken gereten vrouw, verspreidt in bijna ontelbare delen over de het slagveld van Verdun. Over hoe hij haar blonde haar tussen de nog niet ontsproten bosjes zag liggen aan de linkerkant van de weg, en een been met een witte sneaker aan de rechterkant. Over hoe het geeneens meer de schijn van een kans had.

‘Wat doe je?’ vraagt Jens.

‘Mijn oren zitten dicht. Heb jij er geen last van?’ zegt Anna en ze doet haar gladde, blonde haar achter haar oren, om het er meteen weer weg te halen. Dan houdt ze op met dat idiote open- en dicht doen van haar mond om haar oren te laten ploppen.

Even een gevoel van al eens geweest, een déja-vu. Een flits.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: