De Klok (Deel 1)

De bus remt, haar hand glijdt bijna van de buis en haar weekendtas valt van haar schouder. Dan staat hij stil, sissen de deuren open en steekt ze de zweterig geworden hand op om naar de chauffeur in zijn achteruitkijkspiegel te zwaaien. ‘Bedankt!’ roep ze en stap op de eerste trede.
Het is maar twaalf kilometer van waar ze opstapte op station Alkmaar tot hier bij de bushalte in Egmond aan zee en toch lijkt het vijf graden koeler. Terwijl de bus de hoek om rijdt haalt ze haar spijkerjasje uit haar tas. Zeewind, denk ze en snuift een diepe teug frituurlucht naar binnen. De bushalte is nog op dezelfde plaats als in haar jeugd, naast de snackbar. Precies dezelfde snackbar zelfs. Ze ziet voor zich hoe ze als 15 jarige, na een dag op het strand met warrige haren en zand op plekken waar je het dagen later nog terugvindt, hier een patatje at voordat ze de bus terug nam.
De deur van het okergele, houten gebouw staat open en de ijsmachine bromt ontspannen. ‘Discodip?’ vraagt de geblondeerde medewerkster van een jaar of vijftig, te zien aan de grijzende slapen waar niet meer tegenop te verven is, aan een jongetje dat zijn vijf euro al op de balie heeft gelegd en zijn hand er stevig opdrukt. Hij knikt driftig.
Discodip. Wanneer heeft ze dat voor het laatst geproefd? Ze voelt al bijna de minuscule kleurige balletjes kraken tussen haar kiezen wanneer ze in haar zak graait naar geld. Opeens heeft ze onbedwingbare behoefte aan discodip. Kan dat eigenlijk wel?, denkt ze even. Een volwassene met discodip? Zolang het niet op een radarhorentje zit, moet het kunnen besluit ze en met vaste stem bestelt ze: ‘Een oubliehoorn met discodip, alstublieft.’ Ze voelt het brok in haar keel al een stuk minder dan toen ze de buschauffeur gedag zei. En zoals dat altijd gaat wanneer je er aan denkt, zijn ze meteen weer terug die ingehouden tranen, samengeklonterd tot een bonk massief verdriet. Verdomme, denkt ze en zegt: ‘Bedankt en een fijne werkdag verder,’ waarna ze snel een flinke hap van het koude softijs neemt. Alleen is niet eenzaam, alleen zijn is goed voor me, herhaalt ze terwijl ze snel het hoorntje draait om een lauwe, regenboogkleurige druppel ijs op te likken voor hij haar hand raakt. Op een vreemde manier troosten de knapperige bolletjes haar en het ijs laat het verdriet langzaam weer wegsmelten.

‘Alstublieft, één Hertog Jan.’ Sanne knikt naar het meisje met het zwarte schort en glimlacht. De hoge paardenstaart zwaait vrolijk van links naar rechts als ze terug naar binnen loopt met het lege dienblad.
Sanne hoort de “één” echoën als uit een muziekinstallatie op de kermis: ‘één, één, één, we hebben een…’ Verliezer denkt ze. Niks winnaar, een verliezer. Dames en heren, hier op het terras alleen aan een tafeltje, u zult haar allen hebben gezien zit een dikke vette verliezer. De stem in haar hoofd begint nu op haar moeders stem te lijken.
Het is nu vijf weken en vier dagen geleden dat Sanne met rode ogen en een grote koffer op de stoep stond bij “familie Tamminga”, zoals in sierlijke letters geschreven stond op het bordje naast het huisnummer. Uiteraard cadeau gedaan aan paps en mams door haar zus Renate en niet door haar. Natuurlijk niet door haar. Want Sanne is niet attent, Sanne vergeet altijd alles, ach onze Sannie moet je dat maar niet kwalijk nemen, dat warhoofd.
Sanne neemt een grote slok, likt het schuim van haar bovenlip en kijkt zo nonchalant mogelijk rond. Het terras is klein en druk. Links van haar zit en dame wiens hand licht beeft als ze het koffiekopje naar haar lippen brengt. Ze zijn rood en zoals bij vele oudere dames, loopt de lippenstift in de kleine groefjes rond haar lippen weg van de oorspronkelijk bedoelde plek. Tegenover haar zit een kale man die telkens op zijn horloge kijkt.
Het rechtertafeltje heeft een stoel van Sanne geleend. ‘Nee, pak maar hoor,’ had ze monter gezegd toen de vriendin met de dikke billen en een sportlegging aan haar vroeg of de stoel bezet was. Nu zitten er drie meiden in sportkleding aan een wijntje. ‘Wijnen, wijnen, wijnen…’ hadden ze gegiecheld na het eerste gezamenlijke slokje.
Ze heeft het tafeltje aan de rand van het terras weten te bemachtigen en kan dus doen wat mensen altijd zeggen dat ze doen op het terras: lekker naar voorbijgangers kijken. Aan de overkant van de straat zit een boekhandel, waar zeven kaartencarrousels buiten staan. Ze zou eigenlijk best een kaartje naar huis kunnen sturen. Ja, hij zou waarschijnlijk gelijk met haar aankomen of pas als ze al terug is, maar het zou wel attent zijn. Maar dat schijn ik niet te zijn, denkt ze verbitterd en neemt nog een slok. De gele boodschappentas van de Jumbo die naast haar weekendtas onder haar tafeltje staat glijdt scheef en een bakje gezouten nootjes en drie blikjes Heineken rollen eruit. Ze bukt zittend op haar stoel.
‘O, excuses,’ zegt degene die haar stoel, terwijl ze net onder tafel de boel in de tas propt, ruw aanstoot. Wanneer ze weer recht gaat zitten merkt ze dat haar stoel niet verder naar achter kan. Ze leunt tegen te rugleuning en voelt even haar achterhoofd zacht aangeraakt worden door een ander achterhoofd. Snel gaat ze rechterop zitten.
Ze wil weer verder kijken naar de Duitse toeristen met kindertjes die zelfs in mei nog hun kinderen in skibroeken en mutsen meetorsen, naar de kaarten die door voorbijgangers rondgedraaid worden in hun rekken- zeehondjes, de vuurtoren, een ondergaande zon- en de locals die elkaar tegenkomen met hun hondjes aan de riem en een boodschappentas onder de arm. Het gaat niet. Haar achterbuurman z’n stem trilt door zijn rugleuning tegen de hare door. Hij praat tegen een oudere man. Niet dat ze dat kan horen aan zijn stem, maar hij noemde hem opa. Opa heeft dezelfde brom, plus een Frans accent. Of Duits. Ja, inderdaad dat kan ik niet horen, dat verschil. Dom ja. Ferdi had haar er vaak, met een klein minachtig glimlachje, om uitgelachen. Maar aan hem ging ze deze drie dagen vakantie niet denken. En daarna ook niet meer.
Nu ze er op let lijkt ze zelfs zijn lichaamswarmte te kunnen voelen en telkens als hij beweegt en ze haar hoofd een klein beetje opzij houdt ruikt ze hem. Meer waarschijnlijk is het zijn parfum. Niemand ruikt zo goed van zichzelf. Wanneer heb ik voor het laatst zo dicht bij iemand gezeten? Iemand voelen praten? En daar is hij weer: een goede portie zelfmedelijden en eenzaamheid. Godver, denkt ze en neemt snel een grote slok.
Dan voelt ze toch haar schouders schokken. Ze veegt over haar wangen en houd haar blik op de kaartencarrousel die recht voor haar staat.
‘Gaat het?’ bromt de stem door de stoel en een hand knijpt even zacht en vriendelijk in haar schouder. De trillingen werken blijkbaar twee kanten op. Op dat moment gaat de telefoon van de oudere man en na slechts 1 keer overgaan neemt hij op. De hand verdwijnt van haar schouder op het moment dat de oudere man de beller bedankt voor het telefoontje. ‘Wat? Opa, wat is er?’ klinkt er bezorgt achter haar.
Ze schuift haar tafeltje naar voren, pakt de tassen van de grond mompelt wat richting het tafeltje achter haar en stuift weg.

Haar wangen gloeien, een straaltje zweet glijdt langs haar rug en de schaduw van de steeg zorgt voor kippenvel op haar blote armen. Aan het eind van de steeg haalt ze een sleutel uit het kleine zakje van haar hardloopbroek en opent de donkergroene deur. Op de mat trapt ze meteen haar zanderige schoenen uit en met een helder rinkeltje gooit ze de sleutel op het roestvrijstalen aanrechtblad.
Voordat ze wegging en nadat ze haar spullen het smalle trapje naar de slaapkamer opsleepte had ze de luxaflex bijna dichtgedraaid. Niet alleen scheen de namiddagzon fel naar binnen, ook de bewoners van Julianalaan 6, de eigenaren van het zomerhuisje waar haar broer Tim met zijn vriendin Lisa woont, hadden vrij zicht. Nu de zon gedraaid is lijkt het al te schemeren in huis. Ze drukt niet alleen de verlichting aan maar meteen ook de televisie; licht en stemmen vullen de kleine woonkamer. Een tweepersoonsbankje, een vierkante eettafel met twee stoelen en een wit keukenblokje houden haar de komende twee dagen gezelschap.

‘Nee dat meen je niet!’ roept ze vol verontwaardiging naar het beeldscherm waarop een bloedmooi, vals zingend meisje wordt doorgelaten naar de volgende ronde van de Voice of Holland. Ze neemt een laatste slok uit het vierde blikje bier en kijkt op haar telefoon. Nul berichten, nul oproepen. Valt mee van mam, denkt ze. Ze ziet voor zich hoe die nu op haar roodgeel geruite stoel met de tablet opschoot Sudoku speelt. Uiteraard mét dat bijgeleverde pennetje met rubber puntje. Pa zal nog wel aan de eettafel zitten, gebogen over zijn modelvliegtuigje. Vergrootglas voor zijn oog, minuscuul tubetje lijm in zijn hand. Het zal pa zijn geweest die heeft gezegd nog niet te bellen. Het was ook hij die voorstelde om er even tussenuit te gaan nu Tim naar zijn schoonouders was met Lisa. Dan ben je 36 en woon je weer op je oude zolderkamertje en zit je tussen pa en ma in aan de gekookte piepers om half zes.
De batterij van haar mobiel geeft 21% aan. Is er boven een stopcontact naast het bed? Dan ziet ze in gedachten het stopcontact naast haar bed thuis op het zolderkamertje. Mét haar oplader er nog in. ‘Ah, Fuck,’ zegt ze en ziet haar telefoon op rood springen: 19%. Ze checkt nog een laatste keer Facebook en Whatsapp en met een laatste definitieve veeg over het scherm gaat hij op zwart. Ze moet er niet aan denken dat ze van de trap sodemietert vannacht en met een uitstekend bot uit haar bovenbeen onderaan de trap nog drie dagen moet liggen creperen voordat iemand haar vindt. Omdat ze niet kon bellen. Omdat haar telefoon weer eens leeg was. Haar hart bonst even vier slagen snel achter elkaar. Ze ademt diep en rustig in. En uit. Nu is niet echt de tijd om rampscenario’s te visualiseren, San. En kom op, nu hoef je ook niet de constante toevoer aan foto’s op zijn tijdlijn te zien waarin zíj in jouw huis zit als een soort fittere, jongere, blondere versie samen met hem zogezegd te “genieten met zijn tweetjes”.
Kan ze vannacht de televisie aan laten staan? Of zal dat juist eng zijn wanneer ze ’s nachts wakker wordt en stemmen hoort die ze niet direct kan plaatsen? Uit dus. Ze poetst haar tanden in het kleine keukentje, drinkt nog wat slokken water tegen een eventuele kater en houdt zich extra goed vast aan de leuning als ze de trap oploopt.
Het zal niet voor het eerst zijn dat ze na een kwartier in bed liggen zichzelf terminale kanker heeft ingebeeld of een- door de paniek van het organiseren van haar uitvaart in haar hoofd opkomende hartkloppingen- een ernstige hartafwijking. Dus ze beroept zich op schaapjes tellen voor de professionele piekeraar. Ze is inmiddels bij de tafel van 16.
‘Tweeëndertig,’ fluistert ze voordat ze merkt dat ze door de kier in de gordijnen de eerste tekenen van de ochtend kan zien. Ze heeft geslapen. Goddank. Dan stopt ze met ademen. Niet omdat ze alsnog sterft aan een zelfverzonnen aandoening, maar om beter te kunnen luisteren. Ze hoort wat. Maar is het buiten?
Het is binnen. Ze ademt trillend in en uit. Het is zeker binnen, ze herkent het geluid van de houten stoel die over het laminaat krast. Heel zacht. Of? Ze laat zich weer achterover zakken. Kappen Sanne. Drie keer zestien is 48, vier keer zestien…langzaam wordt haar hartslag weer normaal.
Wanneer ze voor de tweede keer wakker wordt straalt de zon door de kier in de verschoten rode, iets te kleine gordijnen. De nacht lijkt lang geleden, haar maag knort.
De trap kraakt. Ze doet haar haar in een klein staartje en springt de laatste trede met twee voeten tegelijk naar beneden. ‘Niet schrikken,’ klinkt er vanachter de half open deur en nog nooit schrok iemand niet bij het horen van deze woorden. Dus nu ook niet. ‘Oma?’ verbaasd ziet ze oma op het grijze bankje zitten met haar benen naast elkaar, haar handen in haar schoot en een klein, bruin leren koffertje naast haar voeten.

‘Als je het niks vindt, gewoon zeggen kindje. Dan neem ik een kamer in Zuiderduin. Je weet ik houd van zwemmen, ik heb mijn badpak mee. Ze hebben daar een zwembad las ik op dat internetgedoe. Evelien, je weet wel die mijn voeten doet heeft dat gister voor mij opgezocht. Op zo’n slim telefoontje.’
‘Alstublieft, koffie met drie schepjes suiker.’ Sanne zet twee grote grijsgroene mokken op het bijzettafeltje en gaat naast oma op de bank zitten. ‘En mama heeft u niet gestuurd?’ Ze kijkt afwachtend naar de gerimpelde magere vrouw met de lange grijze vlecht. Met 81 jaar, een spijkerbroek, teenslippers mét roze gelakte nagels en met een koffer vanaf de bushalte komen lopen. Hoeveel oma’s kunnen dat? Ze schudt nee op Sannes vraag en ze gelooft haar. ‘Ik heb wijn mee,’ zegt ze en wijst naar de koffer. Sanne knuffelt haar oma. ‘Op 1 voorwaarde, ik ga op het luchtbed en u neemt het bed. Het is hoog en stevig.’
‘Je doet alsof ik een patiënt bent,’ zucht oma Minnie, die eigenlijk Mien- kort voor Hermien- heet maar weigert te reageren op die naam. Maar ze lacht erbij en neemt een slok van de koffie.
‘Och, kindje kijk nou toch,’ Minnie staat in de dorpsstraat stil, mensen passeren haar links en rechts, en kijkt naar de restanten- voornamelijk bestaande uit de schoorsteen en de openhaard- van hotel/ restaurant ‘De Klok’. Om het uitgebrande gebouw staan hekken met reclamedoeken maar toch is de troosteloosheid erachter niet te missen.
Sanne kijkt naar het einde van de straat waar na het zebrapad en de parkeerplaats, het strand en de zee op hen wachten. Maar oma blijft staan en zucht nog eens. Ze pakt haar bij de ellenboog en leidt haar achteruit naar een bankje. ‘Ja dat was een behoorlijke brand. Bent u er wel eens geweest?’
‘In dat gebouw heb ik de liefde van mijn leven ontmoet.’ Oma Minnies ogen staan wazig maar in haar gedachten ziet ze het haarscherp voor zich. Hoe de haard knisperde, dat ze haar natte regenjas voorzichtig aan de kapstok hing en samen met Els een tafeltje uitkoos bij het raam.
‘Maar u kwam opa toch tegen op de bruiloft van uw zus?’ Sanne kijkt bezorgd naar de waterige ogen van haar oma. Zal ze dan nu toch beginnen te dementeren? Het begint altijd met iets kleins, zo klein dat het nog prima verborgen te houden is en voor je het weet leggen ze de afstandsbediening in de magnetron en zetten de soep op hoog vuur om vervolgens te gaan douchen. Ze raakt even haar arm aan.
‘Ik heb het niet over opa.’
Sanne slikt. Beter dan dement.
‘Het was voor opa,’ snel kijkt ze even naar opzij, naar haar kleindochter, ‘en je opa was een prima vent hoor, hij deed alles voor me en ik ben nooit iets te kort gekomen.’
‘Maar?’ vraagt Sanne.
‘Maar hier in ‘de Klok’ op 16 maart 1956 om tien over drie in de namiddag tijdens een fikse voorjaarsstorm ontmoette Thomas. En dat zal ik nooit vergeten.’ Snel veegt Minnie langs haar wang.
‘Huilt u?’
‘Nee,’ antwoordt ze en veegt een tweede traan weg. ‘Kindje, kom. Je wilde naar het strand dus hoppakee!’ Oma drukt zich omhoog van het bankje en steekt haar hand uit naar Sanne.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: