De Klok (deel drie)

De deur is geeneens op slot. Renate had zichzelf binnen kunnen laten, denkt Sanne terwijl ze de deur opent. ‘Hoi,’ zegt ze tegen haar grote zus. Haar grote zus die altijd alles zo goed voor elkaar heeft maar nu met een slordige staart en een bleek gezicht voor haar staat. Mama, er is wat met mama, denkt ze meteen. ‘Wat eh, kom je doen?’
‘Neem jij ooit wel eens je telefoon op? Thuis zit je de hele dag met dat ding aan je hand geplakt,’ zegt de oudere, dunnere en betere versie van Sanne tegen haar en loopt langs haar de keuken in. ‘San, je moet niet schrikken,’ begint Renate.
Zie je, toch mama. Of misschien pap ook al mankeert hij nooit iets. Sanne begint al een beetje te huilen zonder de boodschap gehoord te hebben. Visioenen van auto ongelukken, hartaanvallen op de fiets of een overval op de supermarkt waarbij toevallig haar moeder neergestoken wordt schieten door haar hoofd. ‘Is het mama?’ fluistert Sanne, bang om het hardop te zeggen.
Renate schudt haar hoofd en pakt Sannes handen. ‘Nee, het is erg maar niet zo erg. Het is oma. Minnie is gisternacht in haar slaap overleden.’

‘Wat?’ Sanne lacht door haar tranen heen. Wat is dit voor stomme grap. Renate kan haar gewoon zien zitten als ze nu de woonkamer in kijkt. Sanne draait zich om. De bank is leeg. ‘Wacht even Naat.’ Sanne loopt de kamer door het halletje met de badkamer in. De badkamerdeur staat open, de badkamer is leeg. Met twee treden tegelijk stuift ze de trap op. Het bed in de slaapkamer, de enige slaapkamer, is leeg, opgemaakt en oma’s spullen- het koffertje- staan er niet meer.
Van beneden klinkt de stem van Renate. Of het wel goed gaat met Sanne. Of ze ook naar boven moet komen. Sanne roept terug dat ze er aan komt en gaat zitten op de rand van het bed. Ze houdt haar gezicht in haar handen en staart naar haar voeten en het beige tapijt. Vanonder het bed steekt een klein vierkant doosje. Met haar linkerhand pakt ze het, het blijkt een luciferdoosje te zijn van hotel/ restaurant “de Klok”. Dat staat er met sierlijke, ouderwetse letters op.
Achter haar moeder loopt Renate en daarachter Sanne. Renate houdt haar rechterhand lichtjes op de schouder van mam. Wanneer Sanne langs de kist loopt legt ze even haar hand erop en kijk naar de foto van Minnie, genomen tijdens de familie kerstfotoshoot afgelopen feestdagen. Ze straalt. Ze draagt de kleine oorbelletjes met zilveren schelpjes. Sanne glimlacht en veegt een traan van haar gezicht.
Zondagavond was ze direct met Renate mee naar huis gegaan, naar mama. In de auto probeerde Sanne aan Renate uit te leggen dat ze oma nog had gezien. Met de nadruk op probeerde, want hoe leg je zoiets uit zonder voor complete mafkees gezien te worden. Renate had geantwoord dat mensen dat vaker inbeelden na een overlijden. Ze ratelde nog iets over dat Sanne eens wat minder zou moeten drinken en sinds de breuk met Ferdi zichzelf niet was. Ze ging aan het feit voorbij dat Sanne tot een uur geleden nog helemaal niet van op de hoogte was van Minnie’s overlijden, maar toen ze naar het bleke gezicht van haar zus keek en haar zenuwachtig op haar lip zag bijten hield ze er maar over op. Wie weet had ze het zich wel ingebeeld? Als dat zo was, dan was het misschien toch tijd dat kaartje van de psycholoog dat mam haar drie weken geleden had gegeven uit haar nachtkastje op te diepen en een afspraak te maken.

De kist is gesloten. Gelukkig. Oma had altijd gezegd: ‘Ik ga daar niet een beetje te schande liggen. Geen aapjes kijken als ik daar dood lig te zijn.’ Meestal ging ze daarna nog minutenlang door met omschrijvingen van overledenen waar ze de afgelopen jaren wel in de kist had kunnen kijken. Fraai waren deze beschrijvingen niet, wel gedetailleerd.

‘Alsjeblieft,’ zegt haar vader en geeft haar een witte kop en schotel aan. Koffie. Geen crematie zonder koffie.
‘Dank je, pap.’ Voorzichtig neemt ze een slokje. Hij smaakt zoals verwacht. ‘Hey, pap?’
‘Hmm?’
‘Heeft oma het wel eens over ene Thomas gehad?’ vraagt Sanne aan haar vader.
‘Niet dat ik mij kan herinneren, maar…’ hij kijkt peinzend.
‘Wat?’ Sanne neemt een tweede slokje en besluit dat het tevens het laatste slokje was en snel zet ze het fantasieloze kopje op een sta tafel achter haar.
‘O, ik weet het al. Ik heb het er net nog met je zus over gehad. Kijk, die meneer daar,’ hij wijst naar een dunne, lange man met donkergrijs haar. Hij staat aan de andere kant van de koffiekamer en houdt zich vast aan de leuning van een stoel. ‘Je zus en ik wilde je moeder er niet mee lastigvallen maar we konden hem niet plaatsen. Hij is geen familie in ieder geval en verder hebben we hem nooit gezien. Hij heet Thomas, zei Renate.’ Sannes’ vader kijkt trots. Meestal is het haar moeder die de roddels en achterklap bij houdt bij dit soort gelegenheden.
‘Echt?’ fluistert Sanne.
Haar vader knikt, maar als ze aanstalten maakt naar de andere kant van de zaal te lopen pakt hij haar bij de arm. ‘Over tien minuten moeten we de zaal uit en je hebt tante Aaf nog niet gesproken,’ zegt hij streng. Sanne knikt en loopt snel naar tante Aaf die naast haar moeder en hun twee broers aan de grote tafel in het midden van de ruimte staat zitten. Haar moeder plukt aan het kleine, nepplantje dat op een papieren kleedje staat dat voor kant moet doorgaan. Sanne probeert de zogezegde Thomas aan de andere kant in de gaten te houden maar wanneer ze voor de derde keer opkijkt van de priemende oogjes en maar door kakelende mond van tante ziet ze hem niet meer. Zenuwachtig scant ze de zaal af met haar ogen. Hij is weg. Ze mompelt een excuus loopt vlug naar de deur.

Het is belachelijk heet voor een namiddag in mei. Achter haar klinkt het monotone gezoem van de ringweg Alkmaar en voor haar strekken de groene velden, onderbroken door slootjes, voor haar uit tot ze overgaan in de duinen van Egmond. Ze loopt rechts om het crematorium heen en gaat op een bankje aan de slootkant zitten. Haar telefoon gaat. Het is Ferdi. Ze drukt hem weg. Het is goed met hem. Ze heeft gehoord, of eigenlijk via de Facebookpagina van een vriend van een vriend gelezen, dat Bente met vriendinnen op vakantie is. Nu is ze zeker goed genoeg. Het arme ex-je mag op komen draven omdat meneer slecht alleen kan zijn. ‘Kus m’n reet,’ zegt ze tegen het weggedrukte telefoontje.
‘Nou, nou…’ klinkt er van rechts achter haar en als ze echt dat slechte hart zou hebben wat ze vaak ten onrechte denkt, was hij er nu mee gestopt. Ze draait zich om op het bankje en voelt het ruwe hout over haar zwarte panty schuren. Achter haar staat, met zijn beide handen de knop van een zwart glanzende wandelstok omklemmend, de lange, magere heer.
‘Thomas?’ vraagt Sanne.
‘In hoogst eigen persoon,’ zegt de oude Thomas en maakt een hoffelijke buiging. ‘En u moet Sanne zijn,’ zegt hij tot Sannes’ verbazing.
‘Je oma heeft een foto van je laten zien,’ verklaart hij en dat roept nog meer vragen op.
‘Wilt u misschien even komen zitten?’ Sanne wijst naar de plek naast haar en Thomas loopt stram maar zeker om het bankje heen. Net als oma kreunt hij bij het zitten gaan.
‘Over twintig minuten wordt ik opgehaald. Het lijkt mij aangenaam die tijd met u hier door te brengen.’ Hij glimlacht naar haar en zijn stem is donker en met een accent dat wel Duits moet zijn.

Thomas glimlacht. ‘De liefde van haar leven. Dus toch,’ zegt hij en lacht nu zelfs even hardop. Sanne heeft hem in grote lijnen verteld wat ze van oma gehoord heeft. Hij onderbrak haar niet, knikte vaak bevestigend. Als Sanne eraan denkt dat ze het verhaal pas afgelopen weekend heeft gehoord gaan de haartjes op haar armen, ondanks de buitentemperatuur van woestijnhoogte, omhoog. Ze weet honderd procent zeker dat ze oma nooit eerder over Thomas heeft gehoord.
‘Alleen oma zei dat u na dat half jaar niet terug was gekomen?’
‘Klopt. Dat van die brieven, daar had haar vader goed over nagedacht. Ik tekende uiteindelijk bij. Vrijwillig. Na anderhalf jaar zagen we elkaar weer.’ Thomas z’n gezicht betrekt. ‘Er kan veel gebeuren in anderhalf jaar.’
Sanne kijkt op haar mobiel. De twintig minuten zijn bijna voorbij. ‘Hoe ging dat?’
‘Per ongeluk.’
‘Hoezo?’
‘Ik had haar nog niet verteld dat ik weer terug was. Ik liep door de dorpsstraat ter hoogte van waar nu die boekwinkel zit en nog geen twee meter voor mij liep ze. Gearmd met wat later bleek jouw opa. Ik bleef een klein eindje achter ze aanlopen en bij de boulevard aangekomen sloegen ze rechtsaf naar de vuurtoren. En toen ik haar van opzij zag, verdween het laatste beetje hoop dat het ooit nog weer zou worden hoe het was.’ Hij slikt even, wrijft door zijn haar.
Weer gaat Sanne haar telefoon. Ze ziet Thomas kijken naar het beeldscherm waar in grote letters Ferdi staat. ‘Niet opnemen. Je oma heeft mij over hem verteld. Het is een sukkel. Iemand als jij verdient beter.’ Hij klopte even op haar knie.
‘Heeft u mijn hele liefdesleven besproken of hoe zit dit?’ Ze word zelfs even een klein beetje boos op Minnie. Heeft mama dat bemoeierige dus toch van haar, denkt ze.
‘Nee kind, dat kwam terloops ter sprake. Ik ken iemand precies als jij. Kiest altijd de verkeerde, zit altijd in een relatie die vanaf dag een al gedoemd is te mislukken. Minnie en ik wilde jullie aan elkaar voorstellen binnenkort. Alleen je weet hoe ze is, ze wilde hem eerst zelf goedkeuren. Ik zat zaterdag klaar met Job om haar te ontmoeten, alleen, naja zoals je begrijpt is dat niet doorgegaan.’
Ze zwijgen beide een moment.
‘Wat was het dat u zag, toen oma daar naar de vuurtoren liep?’ verbreekt Sanne de stilte. Thomas beeldt met zijn beide handen een dikke buik uit. ‘Jouw moeder was onderweg. Ik bleef staan en keerde om. Pas drie weken later, of misschien zelfs wel vier nodigde ik haar en haar man via een brief uit wat te drinken in “De Klok”. Ik had inmiddels van Els vernomen dat ze getrouwd was en had mijn verkering met Brechtje in ere hersteld. De ochtend voor de koffie afspraak vroeg ik haar zelfs ten huwelijk.’
‘Dat moet een verdomd ongemakkelijke ontmoeting zijn geweest zeg.’
‘Dat was het zeer zeker. En pijnlijk. Ook voor je oma.’
‘Hoezo?’
‘Later vertelde ze mij dat ze daar, toen ze mij daar naast Brechtje zag zitten, inzag dat ze een verkeerde keuze had gemaakt.’ Thomas heft zijn handen op in een gebaar dat moet zeggen: maar helaas…
‘Ze liet mij voelen hoe de baby schopte. Ze legde haar hand op mijn hand en het deed zo’n pijn te beseffen dat het anders had kunnen, nee had moeten zijn.’ Even veegt hij snel langs zijn ogen. Sanne legt even haar hand op zijn schouder.
‘Ik gaf haar mijn adres, ik had een kamer gevonden in IJmuiden, en al na een week schreef ze mij. We schreven over en weer over ons leven. Mijn eerste kind werd een jaar na dat van haar geboren. We leken wel een soort van penvriendinnen.’ Thomas lacht. ‘En dit hebben we nooit iemand verteld,’ hij kijkt haar streng aan, ‘en ik zou het op prijs stellen dat je het voor je houdt, maar ieder jaar in mei spraken we af voor een kop koffie.’
Sanne maakt aanhalingstekens met haar vingers in de lucht en vraagt: ‘Een kop koffie?’
Thomas kijkt haar met een blanco uitdrukking aan en laat zijn handen in zijn schoot rusten en zegt: ‘Koffie. Gewoon koffie. Oké, soms een wijntje of een biertje. Met bitterballen als je oma niet aan de lijn was. Bij het afscheid haalden we vaak nog een ijsje die we ieder alleen opaten, wanneer onze wegen weer scheidden. Minnie nam altijd die vrolijke spikkeltjes op haar ijsje de laatste jaren.’ Zijn ogen krijgen iets wazigs en hij kijkt naar de duinen in de verte.
Sanne voelt haar gezicht nat worden. Haar schouders schokken. ‘Wat een rotverhaal eigenlijk,’ zegt ze tussen twee snikken door.
Thomas haalt zijn schouders op: ‘Zo is het leven nu eenmaal kindje.’
Uit haar, voor de gelegenheid van haar zus geleende zwarte tasje haalt Sanne een luciferdoosje. ‘Kijk,’ zegt ze en opent het doosje. Op de plek waar de lucifers hadden gelegen liggen twee kleine, zilveren schelpjes.
Thomas pakt het doosje aan en haalt de oorbellen er voorzichtig even uit en doet ze dan terug. ‘Die heb ik haar voor haar vijftigste verjaardag gegeven.’
‘Ze droeg ze altijd, zelfs op die foto…’
‘Op de kist, ik zag het,’ vult Thomas haar aan en hij veegt nu ook een traan weg. Samen zitten ze in de warme, windstille voorjaarszon en kijken naar het trillen van de lucht in de verte en de wazige duinen.
Dan geeft hij het doosje weer terug. ‘Hier houd jij ze maar.’
‘Ik heb geen gaatjes.’ Sanne gaat harder huilen.
‘Dan laat je ze schieten.’

Dan voelt ze opeens een hand op haar schouder. ‘Gaat het een beetje?’ klinkt er vanachter het bankje. Hij leunt dichterbij om Thomas een klopje op zijn schouder te geven en ze ademt diep door haar neus in. Nu weet ze ook weer waarom de stem van Thomas ergens vaag bekend voorkwam.
Sanne staat op en draait zich om. ‘Hoi, ik ben Sanne,’ zegt ze en ze steekt haar hand uit.
‘Job, ik ben de kleinzoon van,’ zegt de man die een jongere versie van Thomas lijkt, dan richt hij zich tot Thomas: ‘Ga je mee?’
Thomas staat op. ‘Sanne, ik weet niet of jij die koffie heb geproefd hier, maar ik kan wel een beter bakkie gebruiken. Kunnen we je uitnodigen?’ Hij wijst naar de zwarte auto die bij Job moet horen. ‘Gewoon koffie natuurlijk he,’ Hij knipoogt.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: