Een vleugje Realitijd| hoofdstuk 8

‘Goedemorgen,’ klinkt er opgewekt en erg dichtbij haar nog slapende hoofd. Ze voelt de warmte van zijn lichaam tegen haar linkerzij. Ze is in haar slaap dichterbij gaan liggen, of andersom, dat kan natuurlijk ook. Als ze kijkt, ziet ze dat zij zelf de boosdoener is, Bas ligt bijna op de houten rand van het bed met haar tegen zich aan gekropen. ‘O, shit, sorry,’ zegt ze en rolt zich twee maal naar rechts en weer terug in het Winnie de Poeh dekbed van Pip. De dochter van Lisa en Bas had inderdaad een hippe naam, naar tegenwoordige maatstaven. De dochter van een collega heet ook Pip en die kende weer mensen verderop in de straat die een paar maanden na de geboorte van hún Pip ook een bord in de tuin hadden staan met in grote roze letters: Pip. Dus de orignaliteitsfase van deze naam is wel op zijn retour. Met zijn zoon scoorde hij hogere ogen bij haar: Rembrandt. Hij had zijn schouders opgehaald, toen ze vroeg waar deze oprisping van originaliteit vandaan kwam. Ze had het niet kunnen laten in gedachte zijn huis de revue te laten passeren om zich proberen te herinneren of er ergens een replica van de schilder had gehangen.
‘He, die naam van je zoontje he? Was dat jou idee of dat van Lisa?’
Bas gaat rechtop zitten en pakt een klein fotolijstje van zijn nachtkastje- zo eentje met een scharniertje in het midden en plaats voor twee verschillende foto’s. Met zijn duim veegt hij een laagje stof van het glas. Het doet hem eraan herinneren hoelang hij ze al niet heeft gezien; Lisa stofte om de dag het hele huis af. Misschien moest hij zelf maar eens zulk soort dingen gaan doen? Ze zal het wel kunnen waarderen dat wanneer ze terugkomt het hele huis geen stofbende is geworden. Als ze al…snel drukt hij deze gedachten weg.
‘Mijn idee. Mijn moeder noemde mij vroeger altijd zo,’ zegt Bas en klapt het lijstje zacht dicht.
‘Waar wonen jouw ouders? Mijn moeder woont tegenwoordig vlak bij Arnhem. Pannerden? Ooit van gehoord?’ Vanonder de dekens tuurt Guusje vragend omhoog. Bas legt het fotolijstje terug op het nachtkastje.
‘Wilde je hier iets mee zeggen trouwens? Met dit gezellige samenzijn?’ Hij wijst met zijn vinger naar haar en het dekbed. ‘Ik bedoel, heb ik iets gemist, heb ik iets beloofd of herinnerde je je ineens hoe goed ik was?’
‘Nou, als je echt zo goed was dan was ik het niet vergeten denk ik. Maar sorry, nee ik had alleen een nachtmerrie.’ Guusje draait zich op haar rug en staart naar het plafond. Ze vraagt zich af of Lisa zo wel eens ligt. Misschien wel tijdens zijn zogenaamde goede kunstjes, denkt ze en schiet in de lach.
‘O, een grappige nachtmerrie. Bestaan die ook?’
‘Nee ik dacht aan jou en Lisa in dit bed. En seks.’
‘En dat is grappig?’
‘Een beetje.’
‘Je herinnert je duidelijk echt niets. Anders had je niet zo gelachen,’ zegt hij met een knipoog en stapt uit bed. ‘Kom, ben je uitgerust? We hebben een lange rit voor de boeg.’

‘Heb jij nog ruimte?’ vraagt Guusje terwijl ze voor de tweede keer al haar spullen uit de zwarte fietskrat haalt om ze er voor de derde keer, praktischer hopelijk, in te stoppen. Bas trekt het laatste gespje van zijn fietstas dicht. Of beter gezegd, van de fietstas van Berend. Zelf heeft hij alleen een racefiets voor de wekelijkse rondjes op zondagmorgen. Deze hybride fiets was een betere optie, zeker door de tassen. ‘Wat heb je in godsnaam allemaal mee?’ zegt hij als hij de gesp dicht heeft en opkijkt.
‘Gewoon wat nodig is. Ik snap niet dat jij alles in die twee tasjes hebt gekregen. Heb je extra kleren mee? Een jas? Eten? Slaapzak?’
‘Slaapzak? Wat ben jij van plan. Amsterdam is, ook al zijn we op de fiets, geen wereldreis hoor.’
‘Ik ben graag voorbereid. Wie weet vinden we iemand, misschien krijgen we informatie en moeten we ergens anders heen, naar een weet ik veel, schuilkelder ofzo. Komen we hier niet meer terug.’
Bas kijkt nog eens naar de fietskrat en de rugtas, het boodschappentasje en de twee losse flessen water die naast de fiets op de grond staan. Hij lacht. ‘Zo als het er nu voorstaat hoef je je daar geen zorgen over te maken want zo kom je niet eens weg.’
‘Ja, jezus help dan even,’ zegt Guusje en ze veegt met haar handrug zweet van haar voorhoofd.
‘Om te beginnen kan die tas op je rug natuurlijk,’ zegt Bas en hij bukt zich om de rest van de spullen in de krat te stoppen. ‘Of is dat te zwaar voor je? Moet ik hem nemen?’
Guusje schudt haar hoofd. Geen haar erop die eraan denkt. Dat zwakkere geslacht gedoe ook altijd. Ze sport ongetwijfeld meer. Maar dat ligt niet aan zijn matige sporten, eerder aan haar overmatige, dwangmatige sportiviteit. Ach, denkt ze, altijd beter dan overmatig vaak in de kroeg zitten. Al doet ze dat de laatste tijd ook veel. ‘Nee, ik red dat wel. Ik had alleen gehoopt dat het erin zou passen omdat het zo warm is. Al dat gezweet en geen schoon water…’ ze hijst de tas op haar rug. Gelukkig was ze zo slim de flessen water er niet in de doen. Hij weegt meer dan genoeg.

De lucht is zo blauw, zo ononderbroken strak, dat hij samen met de zinderende zon pijn doet aan hun ogen. Na drie kilometer had een van beide, hij gelooft dat het Guus was, geopperd om terug te gaan voor zonnebrillen maar ze rijden nog altijd door. De weilanden links en rechts van de A9 lijken een zweem geel te hebben. Hij vraagt zich af wanneer het voor het laatst geregend heeft. Of lijkt het alleen maar zo, komt het door die priemende zon dat zijn ogen het lijken af te laten weten. Zo van: hier heb je iets van groenig, je doet het er maar mee, het licht is te fel voor verder onderzoek. Hij wijkt alvast uit naar de linker rijbaan. Over enkele meters zijn ze bij de zwarte vlek uit de verte. Het blijkt een BMW C5. Met een zwierige boog rijdt hij erlangs en kijkt achter zich. ‘Hee slome, trap eens door! Nou begrijp ik waarom je een slaapzak mee hebt.’ Hij remt, zet een voet aan de grond en wacht even tot ze weer bij is.
Een koe staat monotoon te malen met haar kaken in het weiland. Een maar. Of nee, wacht. In de verte lijkt er een tweede aan te komen. Hij houdt zijn hand boven zijn ogen om het beter te zien. De koe loopt mank. Wanneer ze op twee meter van de kauwende koe is, stopt deze daarmee en draait haar kop om. Een vreemde brul ontsnapt tussen het gemalen gras vandaan en een paar klonten vallen op het geelgroene gras wanneer ze met half open mond naar de manke koe rent. Met vier zwabberende passen is ze bij haar en zet haar tanden in de nek van de ander. Bas houdt zijn andere hand ook boven zijn ogen. Hij gelooft ze bijna niet. Bloed gutst uit de nek van de koe die zich vervolgens omdraait en zo goed en kwaad als het gaat wegrent. Wanneer Guusje naast hem stopt, staat de koe weer alleen te malen. Monotoon.
‘Zag je dat?’
‘Nee, wat?’
‘Die koe. En die andere koe en…’ Bas wrijft over zijn gezicht en ogen. ‘Misschien hebben ze dorst? Wat denk jij?’
Guusje wijst naar de sloot die de koe van hen scheidt. ‘Maar even wat anders. Ik heb een probleem geloof ik.’
Bas kijkt verschrikt naar haar banden. Gelukkig lijken ze vol. Een band plakken is niet een van zijn specialiteiten. Daarna ziet hij dat ze een soort van cirkelende beweging rond haar kruis maakt. ‘O, moet je plassen? Ik zal niet kijken hoor. Geef je fiets maar.’ Hij draait zich demonstratief om in de richting van de koe- een rilling loopt over zijn bezwete rug wanneer hij in de doodse ogen van het dier kijkt- en reikt tastend naar achter om de fiets aan te pakken.
‘Nee, dat bedoelde ik niet.’
Bas draait zich om. ‘Had je dan niet naar je achterkant moeten wijzen?’ Hij steekt zijn kont naar achter en maakt een grote cirkel om dat gebied. Hij lacht. ‘Ik heb een rol wc papier mee, wacht ik zal even kijken…’ Nog voordat hij zijn fiets op de standaard heeft gezet staat Guusje naast hem.
‘Nee, ik moet niet poepen. En als ik zou moeten zou ik dat heus wel even kunnen ophouden, ik ben geen twee jaar meer.’ Ze gespt zijn fietstas open en pakt de wc rol- een halve maar, en plat geknepen. Wat een economische survivalman.
‘Ho!’ roept Bas wanneer ze een paar keer de platte rol om haar hand draait en een rolletje papier vormt. ‘Wat moet je ermee dan? Je ga daar geen zweet of zo mee afvegen, dan had je maar zelf mee moeten nemen.’ Guusje trekt haar elastische korte broek aan de voorkant naar voren en schuift het kussentje van wc papier in haar ondergoed. ‘Vrouwenproblemen, zoals jouw keurige vrouw het waarschijnlijk noemt. Oftewel, ongesteld. Jeweetwel, met bloed enzo?’ Ze tuurt omhoog naar de grote borden boven de weg. ‘Ik ga het met die drie velletjes die je mij kon sparen niet redden tot Amsterdam. Ze wijst omhoog. ‘Kijk, de eerstvolgende afslag is richting Beverwijk. Het spijt me, maar we moeten even omrijden. Of jij moet tampons bij je hebben?’
Bas zucht zacht, bijna onhoorbaar maar ze hoort het toch net, wat haar mateloos irriteert. Meteen. Hij ziet het aan de manier waarop ze op de binnenkant van haar lip begint te bijten, haar ogen staan donker. ‘Hoe kan je nou precies dat niet bij je hebben? Je hebt zo goed als je hele huisraad op die fiets getakeld,’ kan hij niet laten te zeggen. Snel stapt hij op en steekt schuin de brede, lege weg over in de richting van de afrit naar Beverwijk. Snel genoeg om de binnensmonds gemompelde scheldwoorden niet te kunnen verstaan.

‘Wat doen we? Weer op zoek naar een kroeg?’ vraagt Bas als ze de stad naderen. Guusje hield het vijfhonderd meter uit om kokend achter hem te blijven fietsen totdat ze de stilte niet langer hield. Precies de reden waardoor ik altijd met de verkeerde vriendjes eindig, dacht ze toen ze even doortrapte en weer naast Bas verder reed. ‘Verwacht ook geen medeleven als jij wat hebt,’ had ze gezegd om daarna te vragen of hij wel eens in Beverwijk geweest was. Wel eens ja, had hij gezegd net als zij. Om een keukenboer te bezoeken, vlak voor de verhuizing. Zijzelf was er eens met Kim en de zus van Kim naar de Makro geweest, de groothandel, om inkopen te doen voor een verjaardagsfeestje. Echt bekend waren ze er beide dus niet. ‘Laten we maar even kijken waar we uitkomen. Volgens mij komen we zo eerst langs de bioscoop en het station. Alhoewel dat nu niet echt hotspots zijn voor tampons of maandverband.’ Guusje wijst naar rechts, waar voor hen een groot gebouw opdoemt- de bios blijkbaar- met daarachter inderdaad de bekende kleuren van de NS. Wanneer ze af willen slaan, knijpt Bas ineens in zijn rem. ‘Wat?’ vraagt Guusje en ze stopt ook en loopt met de fiets tussen haar benen terug naar achter tot ze naast hem staat. Hij wijst. Een meter of vijftien voor hen staat een hond op de weg. Een grote, zwarte rottweiler, het soort dat in films meestal niet veel goeds voorspelt. ‘Ja een hond. En?’ Ze kijkt hem aan, trekt een wenkbrauw op. Bas haalt zijn schouders op en zegt: ‘Ik weet het niet. Het voelt niet goed.’
‘Sinds wanneer ben jij van de intuïtie?’ De hond blijft ondertussen staan waar hij staat, onbeweeglijk met zijn ogen op het fietsduo gericht. ‘Hij zal wel even weer moeten wennen om mensen te zien, dat is alles.’
‘Hij zal wel honger hebben, bedoel je,’ zegt Bas. Zijn stem klinkt anders dan normaal. Iets hoger. Bijna niet waar te nemen. Hij stapt af en pakt een cracker uit zijn fietstas. Ondertussen houdt hij zijn ogen constant op de hond. ‘Ben jij bang voor honden?’ Guusje probeert zich de voorgaande keren dat ze onderweg een hond langs de kant zagen scharrelen naar etensresten voor de geest te halen. Hij bleef alle keren op afstand, denkt ze. ‘Heb je een fobie?’ Ze lacht, eventjes en dan stopt te abrupt. ‘Bas, gatver, kijk.’ Ze fluistert, weet niet waarom en wijst naar de kant van de weg waar tussen lege flesjes ice tea, cola en fastfoodverpakkingen een grijze kat ligt. Zijn schedel is opengespleten en een drab druipt op een bruine zak met een grote gele M erop. Ze knijpt haar ogen tot spleetjes wanneer ze meent te zien dat zijn staart even kort heen en weer ging. Snel laat ze haar blik over de rest van de droge berm gaan. Geel gras, brandnetels en twee meter verder een lapjeskat, met veel wit, althans wat er over van hem is. Zijn achterlijf ontbreekt en darmen en ingewanden glimmen in de brandende middagzon. De wonden zijn vers, denkt ze en voelt zichzelf opeens een detective in een Engelse Netflix serie.
‘Sta stil,’ zegt Bas en wanneer ze haar blik weer op de weg voor haar richt ziet ze dat de hond niet meer dan vijf meter voor hen staat. Een diep gegrom, zacht maar duidelijk hoorbaar komt uit zijn binnenste. Zijn lippen zijn naar achter getrokken en ontbloten een grote rij tanden, wit met rood. ‘Loop langzaam naar achter.’ Guusje doet wat haar gezegd wordt maar wanneer ze drie passen naar achter hebben gezet, zet de hond langzaam maar zeker stappen naar voren. ‘Blijf staan. Draai langzaam je fiets om, ik houd hem in de gaten.’ Wanneer ze haar fiets heeft omgedraaid vraagt Bas of ze klaar is. ‘Als ik het zeg stap je zo snel als je kan op en fietsen we weg. Drie, twee, een…ja!’ Guus springt op haar zadel en trapt voluit op de pedalen. Pas als ze een kruising nadert, kijkt ze achter zich. Met een rood hoofd waar zweet vanaf gutst rijdt Bas een heel stuk achter haar. Ze ziet waarom het zo moeizaam gaat: de Rottweiler heeft zijn kaken vastgeklampt aan de linker fietstas en doet niet zijn best mee te rennen. Hij heeft zich schrap gezet en Bas sleurt hem daardoor achter zich aan. Guusje zet haar fiets tegen de dikke kastanjeboom langs de weg en scant snel de grond opzoek naar een tak, een takje, een twijgje, iets…er ligt niets. Zelfs geen steen. Met haar ogen op de hond en Bas die evengoed vrij snel naderen graait ze met haar hand driftig heen en weer in de gele Jumbo tas die vooraan in de fietskrat staat. Het zweet staat intussen op haar bovenlip, ze voelt een straaltje over haar rug glijden en ze moet nú iets hebben, denkt ze. Ik moet nu iets hebben. Wanneer ze echt niet langer kan wachten sluit ze haar handen om het harde voorwerp dat ze al drie keer te pakken had maar weer losliet, grist het uit de tas en gaat midden op de weg staan. ‘Hee!’ schreeuwt ze met een zo diep mogelijke stem. Ze voelt een paniekerige giechel opkomen omdat ze bijna ‘Kom van dat dak af’ voelt komen opzetten. “Hee!’ zegt ze nogmaals zo hard en laag dat het zeer doet. Bas schiet opeens langs haar, als Supermario in zijn kart met bonuspaddestoel. De reden van zijn plotselinge acceleratie staat even stil als zijzelf midden op de straat. Niet ver voor haar. Wat was het ook al weer, welke dieren moet je nu juist wel in de ogen kijken, katten of honden? Niet alleen ligt het hele internet er waarschijnlijk uit, de telefoons zijn al dagen leeg en om nu te gaan staan googlenen met deze niet zo’n vriendelijke knaap op een paar meter afstand is ook niet realistisch. De Stare Down dan maar, beslist Guus en kijkt de hond, die nog stiller dan stil staat, afgezien van een sliert kwijl die druppelsgewijs een steeds groter plasje maakt op het zwarte asfalt, onbewogen aan. ‘Whaaaa!’ weer met die boze, zware stem. Ze beweegt verder niet. Haar knokkels om het voorwerp uit de tas, nu in haar linkerhand worden wit. Ik moet hem overbluffen, bang maken. Of werkte dit alleen bij beren? Een twijfel begint op te spelen en alsof hij het ruikt, wat hij waarschijnlijk ook gewoon doet, zet de hond als antwoord een pas naar voren. De façade van haar zogenaamde moed breekt en ze doet schreeuwend een pas naar voren, smijt met de kracht van een Amerikaanse pitcher het paarse voorwerp richting de grommende hond en rent zo hard als veilig is achterwaarts weg. Ze ziet de paarse staaf tegen de dikke vacht van de hond zijn flank komen en hij maakt een sprongetje opzij. Meer niet. Wanneer de staaf de grond raakt, klinkt er een gebrom en hij trilt over het asfalt. Piepend duikt de hond naar beneden tot hij bijna met zijn buik de grond raakt en langzaam kruipt hij weg van het malle, wiebelende, paarse trilding. Met trillende handen pakt Guusje de handvaten van haar fiets beet en loopt naar Bas. ‘Dankjewel,’ zegt hij en hij meent het heus. Zijn wangen waren al rood, maar er lijken blosjes op te komen en ze ziet dat hij zijn best doet te negeren wat ze net gooide. ‘Ik wist niet dat hij nog in mijn toilettas zat,’ zegt Guusje ter verklaring. Ze wil niet dat hij denkt dat ze onzin heeft ingepakt, hij was al zo sceptisch over haar bagage. ‘Laten we maar opschieten, ik heb weinig vertrouwen in de levensduur van de batterijen.’ Ze hadden verschillende voorwerpen- zaklantarens, radio’s, klokken, de digitale thermometer en een speelgoedbrandweerauto- voorzien van nieuwe batterijen maar geen van de items werkte vervolgens langer dan 1 minuut. Te idioot, onverklaarbaar, maar zo waren de afgelopen dagen sowieso al niet helemaal normaal te noemen. Het lijkt wel of je je standaard gaat aanpassen, de absurditeit accepteert ook al is deze niet te verklaren.
‘Wel typisch trouwens.’
‘Wat?’ vraagt Guusje.
‘Dat ik als man gered moet worden door zo’n ding,’ zegt Bas en lacht schaapachtig om zijn eigen grapje.
‘Ja nu zit ik wel zonder, dus ik verwacht voor deze reddingsactie misschien wel een wederdienst.’ Ze stapt na drie keer steppen op haar fiets. Bas fiets naast haar zonder haar aan te kijken. Ongemakkelijk veegt hij zijn haar van zijn voorhoofd en kucht wat.
‘Het was een grapje hoor,’ zegt ze en geeft hem een klap op zijn schouder. ‘He, vertel eens. Waar heb je Lisa leren kennen?’

%d bloggers liken dit: