De eindbaas

Sensa zuchtte en veegde met twee handen haar haren uit haar gezicht. Denkbeeldig. Maar als ze haren had gehad, of een gezicht, had zij dit zeker gedaan. 
´Je gaat verliezen zeker?’ vroeg Ratius.
Het tweepersoonsbed waar zij hun blik op hadden gericht was rommelig. Tussen de lakens lagen twee lijven verstrengeld. De slaapkamerdeur ging open en een derde partij stampte furieus naar binnen. 
‘Die luisteren nooit meer naar hun gevoel,’ gierde Ratius.
‘Kalm even ja. Ken je de uitdrukking over het laatst lachen? Over precies 48 uur ontmoet ze de ware. Over 48 uur bedankt ze in gedachte deze twee.’ Ze wijst naar het bed.
‘Hoe gaat het bij jou? Heeft hij zijn lot al geaccepteerd?’ Nu is het Sensa die met haar collega meekijkt.
Wederom een bed. Dit maal een hoge, met witte lakens waaronder magere armen en een grauw gezicht uitsteken.
‘Zo. Die ziet er niet best uit.’
‘Dat is niet de ziekte. Hij was macrobiotisch, vegetarisch en biologisch bezig. En vergeet niet dat hij veel aan hardlopen deed.’ 
‘Longkanker was het?’
‘Jep.’
‘Zuur.’
‘Hij heeft het geaccepteerd. Zodra hij hier binnen is neem ik hem even apart. Dat heeft hij wel verdiend.’ 
‘Ratius?’
‘Ja?’
‘Kunnen we het aan de mensheid zelf overlaten? Het lijkt te werken. Ze redden het zonder De Baas.’ Ze knikt in de richting van de geknevelde oude man.
‘Ik denk het wel. Ben je klaar voor het echte werk? Ik neem het Midden-Oosten, richt jij je op Rusland.’
‘Top. Moge de beste winnen.’

Jor Veers | verhaal

 

Opeens was hij daar. Ik probeerde hem lange tijd te negeren, zoals je soms doet wanneer je een bekende tegen komt in de supermarkt met een pak condooms in je hand. 

Maar het was tevergeefs.

Ik begon mijn hand op te steken, als begroeting. Zonder naar hem op te kijken. 

Het was niet genoeg voor hem.

Op veelal ongemakkelijke en onhandige momenten sprong hij tevoorschijn. Ik hield hem zoveel mogenlijk buiten mijn gezichtsveld. Nooit keek ik hem aan. 

Zijn aanwezigheid liet mijn hart sneller slaan, mijn handen zweten, mijn mondhoek trekken en hield me uit mijn slaap. Zijn aanwezigheid nam mijn leven over.

 Op een dag was ik het beu, klaar met negeren, ik wist tóch wel dat hij er was en hij wist dat ik hem opmerkte. Ik wilde mij leven terug.

‘Wat wil je van mij?’ Ik klonk gefrustreerd. Logisch.

‘Laat me mezelf eerst even voorstellen. Mijn naam is Veers, Jor Veers. Ik ben blij dat je mij eindelijk onder ogen komt.’

Ik bekeek hem eens, voor het eerst, goed.

Hij zag er belachelijk, ridicuul uit. Grote schoenen, kleine broek, paars haar en een idioot geel hoedje. En klein. Veel kleiner dan ik dacht.

Ik schoot opgelucht in de lach. ‘Je stelt eigenlijk niet zo veel voor. Ik had je enger, veel enger verwacht.’ 

Hij knikte beleefd en zei: ‘Was dit nu zo moeilijk?’ 

Een glimlach, een knipoog en weg was hij. Voorgoed.

*

Sometimes you just have to face them. 

Cursus SUG|blog

Dit jaar word ik 40. Ja, ik ga dit het hele jaar door herhalen. Als het dan straks december is hoop ik dat de klap beter te verwerken is. Dat mijn jongste in oktober vier wordt en dus naar de basisschool gaat én de oudste 18 zeg ik minder vaak, dat is toch om te janken.

40. Echt een grote meid. Tijd om het leven eens wat serieuzer te nemen misschien. Om mij heen zie ik veel mensen zzp-er zijn of worden. Gezonde leefstijlcursussen, voedingsadvies geven, sportles of gewoon hovenier. Je kunt alle kanten op, als je voor jezelf begint. Nou, supergoed idee! Ik ging eens even een brainstorm met mezelf houden, als een soort van wijze levenscoach, om te ontdekken wat nu eigenlijk mijn ‘ding’ is.

Na lang wikken en wegen weet ik wat mijn speciale talent is. En het toffe eraan is dat het hele concept nog niet bestaat. Niemand doet het nog! Gat in de markt natuurlijk. Wat het is? Ik denk dat ik mega goed ben in SUG cursussen ontwikkelen.
Ik hoor je denken: what the fuck is SUG? (O, sorry. Alleen ik denk in zulke grove taal? Nou goed, je vroeg het je wel af toch?)
Eerst zal ik even kort mijn brainstorm samenvatten: rode draad in mijn leven én mijn levensmotto is ‘van uitstel komt afstel.’ Slap? Waarom? Helemaal niet. Je stelt iets net zo lang uit, tot het niet meer kan/hoeft/ moet. Dit is niet per definitie slecht. Het is juist heel creatief. Want het is natuurlijk niet zo dat je dingen gewoon niet meer doet, en dan helemaal nooit meer. Nee. Zo werkt de geest niet. Er moet altijd een reden zijn waarom je iets niet/later/straks of morgen gaat doen. Je kan het niet zomaar niet doen. En daar komt de SUG methode (nog te ontwikkelen) om de hoek kijken.
De Smoezen, Uitstel en Goedpraat Methode.

Nu, ik zei al dat het nog in de kinderschoenen staat. Maar ik kan een paar voorbeelden geven om te laten zien hoe het werkt.

– Je doet een HBO opleiding en hebt werkelijk geen idee waar het over gaat en het boeit je ook weinig.
Smoes: maak een baby
Uitstel: deze moet je werpen en verzorgen, de studie komt later wel weer.
Goedpraatje: Ja, ik kreeg een baby en daar moest voor gezorgd worden. Nee, die studie afmaken gaat zo niet. Te druk.

Iets minder dramatisch?

– Je moet hoognodig de badkamer schoonmaken.
Smoes: het leven is te kort, de kinderen willen aandacht. O wacht, ze spelen al maar deze Netflix serie is retegoed.
Uitstel: iedereen gaat zo weer douchen, beter doe ik het later.
Goedpraatje: De badkamer is toch oud, je ziet het geeneens wanneer ik hem schoonmaak. (Dit is meer een leugen dan een goedpraatje, ik zag het wel degelijk.)

– Je gaat vanaf nu nooit meer de badkamer zo goor laten worden.
Smoes: ik ga het nu nog niet schoonmaken het is nog maar zo kort geleden.
Uitstel: Ik moet even nieuw schoonmaakmiddel hebben. En een emmer. Dan doe ik het.
Goedpraatje: Zo lang als hij de vorige keer vies was is bijna niet haalbaar. Het valt nog wel mee nu.

– Ik ga drie tot vier keer in de week hardlopen.
Smoes: zere benen, slecht weer, kater, geen tijd, wakkere kinderen en de week is weer voorbij dus begin ik maandag wel.
Uitstel: Als ik morgen ga, dan kan ik ook donderdag en zondag. Dat komt beter uit. Beter begin ik morgen, niet nu.
Goedpraatje: nu heb ik tenminste tijd over om iets te schrijven.

– Ik ga schrijven. Misschien wel een boek. Ik heb een heel uur de tijd. Zeeën dus echt.
Smoes: Ik moet nog even douchen, iets drinken, nog meer koffie, o wacht de vaatwasser/wasmachine/droger moet nog leeg of vol, de laptoplader is kwijt, de kattenbak is vies, de tafel moet nog opgeruimd, is er nog iets lekkers in huis?
Uitstel: doet het hele huishouden want anders zit je niet lekker, ik moet eerst nog even nadenken over wát te schrijven, morgen na het hardlopen heb ik ook nog wel een uur, misschien wel twee. Ja, morgen is veel beter. Ik ben ook erg moe nu. Dat wordt sowieso een slecht verhaal.
Goedpraatje: ik schrijf wel een halfbakken blog over een onzincursus die niet bestaat. Goed plan. De tijd zit er ook op en Netflix wacht op mij. Ben benieuwd of ze zwanger is geraakt in het begin van seizoen twee…

Henk

‘Ik denk dat we het snel moeten doen. Hij hoeft niet onnodig te lijden,’ zegt Esther en trekt zorgvuldig een pluk zevenkruid eruit en drukt het bovenop de vrij volle emmer met andere onkruiden.
‘Niet zo hard, straks hoort hij ons,’ fluistert Arend. ‘Geef even die schop aan, daar naast je.’ Hij wijst naar het oude, verroeste gereedschap. Even schieten zijn ogen naar Henk, die achter in de tuin nietsvermoedend doorgaat met zijn werk.
‘Boeit me niet. Ik ben klaar met die agressieveling. Hij moet gewoon weggemaakt. Misschien kan het met die schop? Of zal de spade scherper zijn?’ Esther krijgt iets verbetens in haar blik als ze over Henk praat. Arend is verbaasd dat ze hem het mededogen van een snelle dood gunt. Hij weet hoe bang ze voor hem is. Hoe ze hem haat.

‘Zal dat niet te veel rotzooi geven? Het moet geen slachtpartij worden, we hebben zaterdag natuurlijk jouw ouders met Ank en Rie hier voor de barbecue,’ fluistert Arend. Hij blijft maar fluisteren, denkt Esther. Ze kijkt hem even aan. Als hij zich zo blijft opstellen kan hij ook een mep met de schep krijgen. Wat een watje.
‘Jij moet het doen, jouw slag zal krachtiger zijn,’ besluit Esther en gaat met het harkje door de bijna leeg getrokken border. Ze zijn lekker opgeschoten vandaag. Het nieuwe perkgoed dat al klaarstaat bij de achterdeur kan er straks in. Misschien dat ze dit jaar de viooltjes in de verre border zet. Henk zal er met z’n destructieve poten niet lang doorheen kunnen lopen. Niet als ze dit plan nu eindelijk doorzetten.
Arend gooit de schop leeg in de kruiwagen en kijkt haar verschrikt aan. ‘Moet dat?’ Hij vergeet te fluisteren en Henk kijkt even hun kant op. Arend voelt een lichte vlaag van misselijkheid.
‘Ja dat moet. Ik help je wel als hij eenmaal…’ Ze maakt een beweging met haar vinger langs haar hals en lacht erbij. Henk ziet het. Ze zwaait vrolijk naar hem. De sukkel. Ze is er klaar mee. Leven onder zijn juk, opstaan op zijn tijden, zijn eten bereiden omdat hij anders de hele buurt bij elkaar schreeuwt en dan dat vreselijk agressieve gedrag van hem. De laatste keer dat hij het op zijn heupen kreeg heeft ze de hele straat uit moeten rennen. Henk achter haar aan.
‘Geef die spade daar eens aan. Ik graaf alvast een gat.’
Arend kiept de emmer leeg in de kruiwagen en geeft hem weer terug aan Esther. ‘Wat als ik zorg dat hij morgen weg is? Hebben we nog een doos? Dan zet ik hem vanavond over het hek bij de kinderboerderij.’ Hij kijkt naar Henk, die parmantig door de tuin banjert, her en der iets van de grond oppikt met zijn snavel en blijkbaar een engeltje op zijn hanenschouder heeft.
‘Morgen. En geen dag later,’ knikt Ester.

Over vluchtgedrag, eeuwige rust en een mooi bureau|Column

Afbeelding: unsplash

Een tijdje geleden las ik een non-fictie boek van Stephen King. Ik had het al jaren geleden kunnen doen want het boek was al tijden op de markt maar om de een of andere reden koos ik normaal altijd voor de spannende, grappige en verrassende verhalen van King. Deze keer niet. Ik wilde gaan schrijven en wat doe je dan? Dan ga je uitstelgedrag vertonen, bijvoorbeeld door een boek te lezen óver schrijven. Ik vond het een prima uitstel excuus. Helaas lees ik nogal snel en kom ik ook graag onder de huishoudelijke verplichtingen uit, dus binnen een mum van tijd was het boek uit. Het was leuk, vermakelijk en vol tips. Ik had goede moed gekregen.
Een belangrijke tip die ik las was: stel jezelf een aantal woorden dat je moet schrijven, sluit jezelf op in een ruimte zonder mensen en schrijf deze woorden. Al wordt het een enorm bagger verhaal, schrijf ze maar op. Nou, dat klonk voor een dwangneuroot natuurlijk als muziek in de oren. Je moet weten, ik houd van limieten en doelen stellen. Zo zal ik met mijn vijf kilometer hardlooprondje nooit of te nimmer gaan wandelen- ik riskeer soms zelfs mijn leven door voor auto’s zomaar over te steken- en ben ik soms bijna aan het kotsten om niet onder een bepaalde tijd te lopen. En voor wie? Voor niemand of voor mezelf want ik loop alleen.
Dit afgezonderd schrijven én een bepaald aantal woorden halen was mij dus op het lijf geschreven. Dacht ik. De theorie was mooi en prachtig. De realiteit om te janken, want hoe zou ik dat moeten doen? Overdag is het niet haalbaar. Er moet gewerkt of gezorgd worden. Dus het zou in de avond moeten gebeuren. Als iedereen eens eindelijk plat ligt, de vaatwasser draait, de laatste was in de droger zit en de boel weer aan kant is, is het negen uur/ half tien. Laten we voor het gemak negen uur aanhouden. De ruimte waarin ik dat schrijven zou moeten doen; aan de eettafel of languit op mijn nieuwe bank is dan meestal bezet door dochter of vriend. De eerstgenoemde heeft een soort spraakgebrek, in de zin van dat ze niet kan stoppen met praten. Nooit. Geen moment. Ze wilde een keer graag in mijn blog voorkomen, nou bij deze dan. Yrsa Machacek is mijn allerliefste dochter maar ze houdt geen moment haar waffel. Al sta ik met mijn jas aan te zweten en al met één hand aan de deurklink om boodschappen te gaan doen, schuift ze alsnog een telefoon onder mijn neus met een filmpje dat ik écht even moet zien. Als ik weer binnenloop met twee zware tassen krijg ik meteen een update over alle komende ontslagen bij Ajax, hoe veel keer haar filmpje geliket en gedeeld is en terwijl ik de boodschappen in de kast ruim ratelt het door. Aan één stuk. Waarover weet ik niet want ik heb mezelf dan inmiddels geestelijk verwijderd uit de situatie.
Op internet lees en zie ik vaak hoe mensen schrijven aan hun mooie bureautjes. Lekkere koffie ernaast, laptop open en een mooi notitieblok met glimmende pen ernaast. Ik schrijf zelf echt niet langzaam, maar ik hoor updates over mensen die een boek schrijven dat ik bij mezelf denk: hoe dan!? Zitten deze mensen van acht tot acht aan een stuk door te tikken ofzo? Zijn ze een rijke erfgenaam, kinder- en partner- én werkloos? Ik heb dus van negen tot half elf (Oké, tien uur want ik wil ook nog een serie kijken) de tijd en dan moet ik ook nog rennend door het huis met mijn laptop opzoek naar een schuilplek. Ik hoor Stephen Kings woorden dan in mijn hoofd: sluit je ergens op. Ik denk niet dat hij het letterlijk bedoelde, maar ik vind dat wel een goed idee. Er zijn twee deuren met een slot in huis en de ene is de wc. Het is de enige wc/badkamer en dus valt deze ruimte af. Ik zou ook waarschijnlijk een aandoening oplopen door alle zwarte schimmel dus hij valt twee keer af. Blijft over: mijn slaapkamer. Geen slechte optie. Behalve dat het zo lui overkomt én het heel verleidelijk is om niet stiekem een dutje te doen. Gelukkig wordt dat altijd tegengehouden door de twee kinderen die op dezelfde verdieping in bed liggen en vragen (lees: schreeuwen) wat ik aan het doen ben. Tegen de tijd dat ik heb teruggelezen waar ik gebleven was in mijn verhaal, appt mijn dochter mij boos van beneden dat ze thee wil drinken met me. Netto typtijd: twintig minuten.
Het boek dat ik las begon over het leven van Stephen King zelf en hoe hij vrij vroeg in zijn leven trouwde en kinderen kreeg. Hierdoor en door zijn niet rijke ouders belandde hij veelal in ‘domme’ baantjes (naast zijn studie). In zijn begintijd schreef hij in zijn pauzes, ’s avonds laat in het washok aan een klein kinderbureautje tussen het wasgoed en pas veel later kocht hij een echt luxe bureau om aan te werken. Dit bleek geen succes. Het leidde tot drank, drugs en andere narigheid. Het bureau, duur en pontificaal midden in zijn werkkamer moest weg. Dat werkte niet. Aan deze paar zinnen houdt ik mij dan maar vast wanneer ik een stukje schrijf aan de tafel terwijl ik ondertussen lego poppetjes in elkaar zet, thee maak, billen afveeg en de kat voer. Ik probeer niet te mopperen terwijl er eentje expres op het toetsenbord begint te rammen, lego door de kamer mietert of bijna van de keukentafel lazert. Stephen King had zijn droomwerkplek en het was een fiasco, denk ik dan maar. Al krijg ik zelfs zonder dat grote, luxe bureau al trek in een borrel en probeer ik stiekem hobby’s te bedenken die alleen heel ver buitenshuis uitgevoerd kunnen worden.

Het zit zo| Column

In de eerste instantie wilde ik deze allereerste blogpost hier het leed dat een eerste blogpost schrijven heet noemen. Om nog even lekker in de sfeer van foute titels te blijven, maar vooral omdat het gewoon de waarheid is.

Het is nogal een dingetje. Al mag je van Pauline Cornelissen (Ken je niet? Even op Google intikken, dat doen we ondertussen allemaal wel toch? Ga hier niet uitleggen dat ze theatermaker en columnist is) het woord liever niet op deze manier gebruiken.  En eigenlijk is het dat ook helemaal niet. Een dingetje. Nee, tegenwoordig blogt iedereen er op los. De onderwerpen zijn divers, verrassend en eindeloos. Het bloggen kan zakelijk en informatief of op ongedwongen gezellige toon de recepten van je oma uittikken. Wil je bloggen en heb je toevallig kinderen dan zit je helemaal nooit verlegen om een onderwerp. Blogs over eerste hapjes, inentingen, kleding, speelgoed, gebroken nachten en supermarktbezoeken met dreumesen zijn allemaal ingrediënten voor een succesvolle blogpost. Lezers gegarandeerd.

Een groep die natuurlijk niet mag ontbreken in deze hele summiere opsomming zijn de ambitieuze amateurschrijvers. Blogs met vervolgverhalen, óver verhalen, met gedichten of over dichters duiken regelmatig op in mijn Facebooktijdlijn. Ja, ik weet het, dat komt natuurlijk ook omdat ik lid ben van deze groepen.

Een paar jaar geleden wilde ik ook bloggen. Ik verzon de enorm pakkende naam ‘Zeevruchten’ en had hele goede voornemens.  Ik wilde  mijzelf niet in een van de bovenstaande hokjes proberen te schrijven. Lastig.  Ik schreef mezelf linea recta de mamablogger hoek in. Met als twijfelachtige ondertitel: Loedermoeder. Ik wilde het niet, het gebeurde wel dus tijd voor de reset. Het is lastig maar niet onmogelijk.

Bij jezelf blijven. En schrijven. Nou daar gaan we dan.

Het was koud. De windkracht was een lekker Nederlandse windkracht zes, het was nat en misschien lag er ook wel sneeuw. Misschien? Ja, misschien. Dat van die wind weet ik ook niet helemaal zeker. Ik was er wel bij zo rond vijf uur in de ochtend op deze kille negen december maar het was mijn eerste. Ik heb niet zo goed opgelet. Negen maanden hiervoor (Even zelf uitrekenen, rekenen is namelijk niet zo mijn ding) gebeurde dat ene je weet wel- H. Mulisch zou het een Vonk naar aarde sturen hebben genoemd- en op deze dag was ik er klaar voor. Blijkbaar.

Het werd vervolgens nog een aantal keer, oké 39 keer om precies te zijn, negen december en dat brengt ons weer naar het hier en nu.

Iets noemenswaardigs gebeurd in de tussenliggende jaren? Genoeg, genoeg. Maar geen dingen die nu het noemen waard zijn in deze context. Kinderen, werk, huis, vriend, school, enzovoorts. In willekeurige volgorde opgenoemd, let wel. Daarover meer, hopelijk niet alleen maar, te lezen onder het kopje blog/column. Kijk, het moet natuurlijk wel een beetje gezellig blijven.

En nu? Nu gaan we schrijven. Althans ik. En dat is onder andere hier te lezen.

Is het dan anders dan alle andere blogs die er te vinden zijn? Dat moet wel. We zijn tenslotte allemaal uniek. Maar waarover dan? Geen zorgen, ik verzin wel wat.

Ik zit al deze woorden lang een reden te verzinnen om mijn favoriete zin van Harry M. hier ergens in aan te kunnen halen of gebruiken.

Het is niet gelukt. Even dacht ik nog dat ik zou kunnen gaan zeveren over mijn favoriete schrijfplek (Die heb ik niet, maar dan verzon ik er wel snel eentje) of gewoon een allround favoriete plek, want die heb ik wel al loop ik er liever niet mee te koop. Nou vooruit, anders kan ik de zin niet gebruiken:

Midden in een noord-frans bos is een open plek. Het gras lijkt er groener dan elders, met her en der  bomen die ontsnapt uit het bos zijn en statig de wacht houden over de donkergrijze graven. De zon lijkt er altijd te schijnen als wij er zijn. Uitbundig. De eerste keer dat ik er kwam. De afgelopen keer dat ik er was ook. Daar begreep ik Quinten uit de Ontdekking van de Hemel toen hij over zíjn plek dacht:

Het was of het er warmer en stiller was dan op andere plekken, waar het even warm en stil was.

Er was eens…|Verhaal

Afgelopen januari gepubliceerd (in twee delen) op de site: Voorleestuin.be

Er was eens een kind, een jongetje, dat vaak Roodkapje werd genoemd. Dit kwam niet omdat hij altijd een roodkapje ophad. Nee natuurlijk niet. Dit kwam door zijn oma, die altijd rode mutsjes voor hem haakte. Vroeger. En hem dan Roodkapje noemde. Oma hield van gekke namen. Oma noemde zijn mama altijd Muisje en als ze papa nodig had riep ze: ‘hee bolle!’

Dat was heel gek want papa was juist helemaal niet bol.

‘Doe je rits eens dicht,’ zei mama terwijl ze het mandje op de grond zette om zelf zijn rits dicht te doen.

‘Dat kan ik zelf wel hoor,’ zei hij streng. Mama vergat soms dat hij geen kleuter meer was.

‘En je capuchon?’ Ze ging al met haar handen naar hem toe maar hij schudde snel zijn hoofd. Hij ging natuurlijk niet met een mandje én een rode capuchon op naar oma. Wat dacht mama wel niet zeg!

‘Je weet de weg? Op de stoep blijven, dan linksaf om het park heen…’

‘ja- ha,’ zuchtte hij. ‘Daarna weer naar links en de derde straat naar rechts.’

Mama knikte tevreden. ‘En niet door het park dus he?’

‘Nee-hee.’ Hij stak zijn hand uit en pakte het mandje aan. ‘Als ik straks terug ben mag ik nog gamen, he?’

‘Ga nu maar.’ Mama duwde hem zachtjes de goede richting op.

Het mandje was niet licht. Er zaten wat dingen in om oma op te vrolijken, had mama verteld.

Oma was thuis van haar werk, ze was gevallen met haar fiets. Ze had zo’n snelle fiets. ‘Levensgevaarlijk die dingen!’ riep papa een paar dagen geleden toen mama de telefoon uitdrukte en vertelde wat er was gebeurd met oma.

Hij wisselde voor de vierde keer van hand. Het mandje leek steeds zwaarder te worden.

Wat zou er inzitten?

Hij zette het op de grond en keek: een tijdschrift, een reep chocolade (He, jammer met nootjes, die lustte hij niet) een klein bakje druiven (die gaat oma straks aan hem geven, oma vindt fruit belangrijk. Iets met vitamines ofzo) de zelfgemaakte cake van mama, waar papa en hij geen plakje van mochten proeven, een spuitbus slagroom én een bosje tulpen.

Toen hij weer verder wilde lopen zag hij dat hij precies bij het bruggetje stond. Het bruggetje waar ze vaak de eendjes voeren, het bruggetje naar het park.

Als hij over het bruggetje, over het slingerende fietspad langs de glijbaan en de wipkip zou lopen zou hij sneller zijn. Als hij deze weg zou nemen zou hij vast en zeker twee keer zo snel zijn. Mama zei zelf altijd dat dit de snelste weg was naar oma.

In de verte zag hij de bovenkant van de glijbaan, hoorde hij kinderen lachen en een fietsbel vrolijk rinkelen. Oma vindt het vast fijn als hij er eerder is. Ze is dol op chocolade met nootjes.

Zijn voetstappen klonken gek op de brug. Hij zag tussen de kieren door een witte en een bruine eend. Jammer dat hij geen brood mee had, dacht hij.

‘Ho! Pas op!’ Vlak voor zijn voeten stopte een fietswiel. Hij keek op.

De geschrokken meneer stapte af en zette zijn fiets tegen de reling. In zijn hand hield hij een zak vol met brood.

‘Daar deed ik je bijna pijn, jongeman.’ De stem van de man klonk donker en boos, maar hij glimlachte.

Tussen zijn donkere, lange haren en wilde baard glommen zijn groene ogen en witte tanden.

‘Sorry meneer, ik keek naar de eenden.’

‘Houd jij ook zo van eenden? Hier. Help mij maar even.’ Een harige hand met lange vuile nagels graaide in de zak brood en gaf hem drie sneetjes oud witbrood.

‘Of heb je haast?’

‘Een beetje,’ zei hij en gooide ondertussen stukjes brood naar de twee eenden.

‘Waar moet je heen met dat mandje? Ziet er goed uit.’ Hij veegde met de mouw van zijn vest wat kwijl van zijn mond.

‘Mooi he? zei hij en stak zijn twee armen naar voren. ‘Echt wol. Weet je waar dat van gemaakt is?’

Natuurlijk wist hij dat, hij was geen peuter meer. ‘Ja van een schaap.’

‘Bingo!’ zei de baard en hij geeft hem nog een half sneetje krentenbrood.

‘Waar ging je heen zei je nou?’

‘O, naar mijn oma. Ze heeft een zere rug ik ga haar wat spulletjes brengen.’

‘Alleen? En je weet de weg? Daar geloof ik niks van!’ De groene ogen van de man keken hem verbaasd aan.

‘Pfff, ik ben er al duizend keer geweest. Het fietspad af, het andere bruggetje over en meteen naar rechts. Daarna de eerste straat links en dan het eerste huis. Simpel.’

Nog voordat de man iets kon zeggen, zei hij: ‘Ja ik weet wat links en rechts is, ik ben al groot.’

De twee harige handen hielden de broodzak op zijn kop en schudden de kruimels in het water.

‘Waarom pluk je onderweg niet nog wat bl… eh brámen voor je oma? Die zijn hartstikke gezond. Daar zal ze blij mee zijn. Weet je waar ze groeien?’ Met een puntige nagel wees hij naar een klein zijpaadje waar alle mensen altijd met de honden lopen. Het was niet ver van het pad. Bramen zijn natuurlijk ook fruit. Met vitamines. Hij kon best even stoppen om wat bramen te plukken nu hij toch de snelle weg had genomen.

Hij drukte op de bel: Ding-Dong!

En nog eens.

Toen deed hij het klepje van de brievenbus open en riep: ‘Oma?’

‘De sleutel ligt onder de mat!’ riep een krakerige stem terug.

Was oma soms verkouden, of deed haar rug zo veel pijn dat ze niet goed meer kon praten?

‘Hoi Oma! Ik ben het,’ riep hij en hij keek oma’s woonkamer door. De gordijnen waren gesloten, het was donker maar op de bank onder een stapel dekens zag hij iets bewegen.

‘Kom verder kindje,’ zei ze weer met schorre stem en een hand met een paarse handschoen aan kwam onder de dekens vandaan. Ze wenkte hem: ‘Kom eens hier.’

Stapje voor stapje schuifelde hij dichterbij.

Ze had ook een paarse glittermuts op zag hij toen hij vlak naast de bank stond. Hij kon alleen één oor zien, de rest hield ze onder de dekens.

Hij kreeg een gekke kriebel in zijn buik.

‘Oma ik heb lekkere dingen voor je mee van mama,’ zei hij zachtjes.

‘Dank je, dank je, kindje.’

Hij keek nog eens naar het oor van oma. Wat was hij gek groot, dat was hem nog nooit opgevallen.

‘Oma, waarom steekt uw oor zo uit?’

‘Dat, kindje is om je beter te kunnen horen.’

Hij keek naar de paarse handschoen.

‘Oma waarom heeft u van die gekke handschoenen aan?’

‘Dat kindje…ehh, bemoei je daar eens even niet mee! Ja?!’ zei de stem boos.

‘Nou, oma wat geeft u een grote mond!’ zei hij geschrokken.

De dekens kwamen langzaam in beweging.

Oma ging rechtop zitten. Deed haar handschoenen uit.

Een hand met vieze, lange nagels trok de paarse muts van haar hoofd.

‘Grote mond? Grote mond! Dat maak ik zelf wel uit. Kom hier jij!’ Van onder de dekens sprong de harige man op hem en greep hem bij zijn arm.

‘Natuurlijk heb ik een grote mond. Ik sterf van de honger. Meekomen jij, kleintje!’ Hij sleurde hem mee naar de grote voorraadkast.

‘Waar is oma? Wat heb je met mijn oma gedaan?’ riep hij boos.

‘Houd je snavel jij!’ Met een harde duw smeet hij hem in de kast en draaide hem op slot.

Het was donker in de kast. Alleen door het sleutelgat scheen een straaltje licht. ‘Hoi Roodkapje,’ klonk er vanuit het donker achter hem. Het was de stem van oma. ‘Oma. Noem me toch niet altijd zo,’ zuchtte hij terwijl hij zijn oog tegen het sleutelgat aan drukte.

De gordijnen waren dicht, maar alle lichten brandden.

In een grote sporttas zag hij oma’s laptop, haar tablet en zilveren kandelaars gepropt zitten.

‘Zo, dat is dat,’ mompelde de man tevreden en ritste de tas dicht.

‘En nu eerst ETEN!’ Hij vulde een pan met water en zette het vuur hoog.

Nadat hij groentes in het kokende water had gedaan, pakte hij de grootste snijplank en het scherpste mes.

Hij legde het mes naast de plank op de keukentafel en zei: ‘Alleen het vlees nog. Ik heb genoeg voor drie weken soep.’ En hij keek naar de kastdeur. Hij stond op, pakte de sleutel van tafel en liep op de kast af toen…

Ding-Dong.

‘Wel getverderrie,’ mopperde de man.

Ding- Dong.

‘Dat is de buurvrouw, mevrouw Jager,’ zei oma tegen de dichte deur.

‘Stil daarbinnen! Laat ik jullie niet nog eens horen of er zwaait wat!’ gromde de man hen toe.

De voordeur werd geopend.

‘HELP, HELP, MEVROUW JAGER, HELP ONS! HIJ HEEFT ONS OPGESLOTEN!! Met voeten en vuisten ramde hij tegen de dichte kastdeur.

Er klonk gestommel, geschreeuw en gegil vanuit de woonkamer. Toen werd het stil.

Voetstappen kwamen langzaam op de kastdeur af, de sleutel ging in het slot en langzaam, heel langzaam ging de deur open.

En daar in de deuropening stond het allerkleinste en waarschijnlijk ook het alleroudste vrouwtje dat hij ooit zag. Met in haar hand een grote bruine handstas. Ze klopte even op de tas en zei: ´Ik had knikkers voor je mee, kindje. Drie grote zakken. Deze tas weegt een ton. Daar had die vuilak niet van terug.´ Ze sloeg een oude hand voor haar mond. ‘Pardon,´ zei ze.

Oma schonk de thee in en mevrouw Jager verdeelde de chocolade op een schaaltje.

‘Nou jongen. Je hebt gelijk, ik zal je geen Roodkapje meer noemen. Je bent al zo groot. En moedig, erg moedig. Ik durfde mij niet te verroeren.’

Ze keek hem aan. ‘Hoe zal ik je dan noemen. Iets met held? Super Hero?’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee oma. Ik weet hoe u mij kan noemen: Sil. Want dat is tenslotte gewoon mijn naam.’

Oma lachte en proostte met de thee. ‘Op Sil, zei ze blij. Sil proostte mee. Voorzichtig.

‘Was er niet een tv programma vroeger? Sil de Strandjutter?’ Oma keek mevrouw Jager vragend aan.

‘Omá…’ zei Sil streng.

‘Sorry Sil.’

En ze leefden nog lang en gelukkig.