1 april|Verhaal

Geschreven voor de wedstrijd Magie en Tovenaars van Schrijverspunt. Het werd niks. Ik hoop maar dat dit was omdat er te weinig tovenaars inzitten die Garrovsko heten en de vuurspuwende vulkanen met draken erop ontbreken. Niet omdat het een slecht verhaal was. 

Heiloo, 1-4-2019

Beste lezer,
Om nu meteen te beginnen met: wanneer je dit leest ben ik er niet meer, is wat cru maar hoogstwaarschijnlijk wel de waarheid. En laat het in deze brief nu juist daar om gaan. De waarheid. Dus beschouw het bij deze als gezegd. Ik ben weg. Maar waarheen, dat zal ik uitleggen, zeker niet in de laatste plaats om postuum mijn ‘gekke oma’ haar naam te zuiveren. Mocht ik onverhoopt terugkeren- ouder dan Methusalem maar ogenschijnlijk achtentwintig, dan zal ik dit verhaal uit eerste hand kunnen vertellen. Nu zal ik het moeten doen met wat ik heb, je weet wel: roeien met die riemen…

Er bestaat nog een wereld, een andere wereld dan deze. Ik begrijp dat je nu per direct de brief weg wilt gooien, maar wacht even. Ik heb bewijs. Sterker nog, ik kijk er nu naar en als jij zo dadelijk de bruine envelop die bij deze brief zit openmaakt (wacht alsjeblieft nog even, eerst verder lezen) dan heb jij het in handen. Dan heb jij bewijs dat de wereld waar vele verhalen over geschreven zijn- onder het mom van Fantasy- een realiteit is. Alleen zoals de realiteit vaker placht te doen: hij gaat je fantasie te boven. Geen onuitspreekbare namen voor landen die niet bestaan (ik noem even: de sage van Gdmorrog), weinig tot geen draken en ik meen ook niet veel mannen in lange gewaden of monnikskleden. Hoe dan wel? Ik kan je slechts een klein idee geven, een glimp, omdat dat alles is wat ik heb.

Op 30 december overleed Anna, mijn oma. De moeder van mijn moeder. Haar appartement waar zij haar laatste jaren sleet moest leeg. Ze woonde er alleen, zoals ze haar hele leven had gedaan. Met uitzondering van de tijd dat mijn moeder thuis woonde, toen waren ze met zijn tweetjes. Tijdens dit leegruimen vond ik het bewijs. Niet in een oude, eikenhouten kist met groot hangslot. Ik vond het in een grijze schoenendoos van de Scapino, achter de kunstkerstboom in de berging. Ik denk dat ze zelf niet meer wist dat het daar stond, aangezien ze, naast het roepen dat ze 150 jaar oud was, de laatste jaren van haar leven constant riep om de brieven van Xander. Wij hadden tot dan aan toe van ons leven nooit van Xander gehoord- althans niet uit haar mond. Ik weet dat het met een X moet worden geschreven omdat de schoenendoos deze brieven bevatte. Onder andere. Ook een drietal foto’s, die ik ondertussen op authenticiteit heb laten onderzoeken. De inkt waarmee de brieven geschreven zijn, is ook nagekeken omdat ik de kleur (zwart met glitter: galaxy) zo bijzonder vond. Niet alleen de kleur bleek bijzonder, er bleek een spoor onbekend DNA materiaal in te zitten. (Ik hoop dat je er niet met vette vingers aan wilt zitten? Bedankt.)

De eerste brief die ik uit zijn al geopende envelop haalde rook vreemd. Dat viel mij als eerst op, niet het sierlijke, priegelig kleine handschrift in die glitterinkt. Het rook verwachtingsvol, naar de eerste lentedag, alles wat je niet verwachtte van een oud stuk papier (gewoon wit, niet lichtbeige of perkament achtig).
Ik las het volgende:

Dus, mijn liefste Anna dan is dit het. Niet het einde, maar wel het onze. Ik respecteer jouw keuze, mijn hart zal nooit meer helen maar Markus en Aafje zullen de brokstukken bij elkaar houden. Het spijt mij dat ze niet mee kunnen, dat ik niet mee kan. Ik hoop dat jij en dat derde wonder dat je bij je draagt het beter zullen hebben. Weet dat degene die je achter laat je nooit zullen vergeten en wij hopen dat jij ons veilig kunt houden. Zwijg. Het ga jullie goed. Liefs X.
De brieven lagen blijkbaar op volgorde van nieuw naar oud en ik las de laatste paragraaf van de laatste brief. Natuurlijk begon ik hierna bij de onderste van de stapel. Om te beginnen bij het begin. Waarom ik dan meteen begin met het einde? Omdat ik de waarheid wil vertellen en dit is hoe het ging. Ik las het einde eerst. Wat niet deerde, want ik wist tenslotte hoe het met mijn oma eindigde-in het appartement dat aan de berging vastzat op haar 78ste, naakt op de badkamervloer waar wij haar na 24 lange uren pas vonden. Dood. Alleen.

Hier een fragment uit de eerste brief.

…en jou gezicht, Anna! Ik zie nog zo voor me hoe je keek toen je voor het eerst een libelle zag. ‘Libelle?’ zei je en pakte haar voorzichtig op en fluisterde: ‘een elfje…’ en gaf haar een van je speciale, heerlijke zachte kusjes op het puntje van haar neus. Ik kwam pas echt niet meer bij toen ze tegen je begon te praten! Ik had er een plaat van moeten maken, of hoe noemde jij dat? Een foto?

Opeens begreep ik hoe mijn oma altijd aan haar wonderlijke inspiratie kwam voor haar bedtijdverhaaltjes tijdens mijn vele logeerpartijen. Ik dacht dat ze een eindeloze fantasie bezat, maar de verhalen over krokodillen zo groot als draken waren herinneringen. Ze vertelde altijd dat ze niet echt vuur konden spuwen, maar dat de krachtmensen (in mijn zesjarige belevingswereld waren dit een soort tovenaars) het je wel konden laten geloven. Je zag het echt. Maar het was er niet. De brief gaat nog drie kantjes verder en ik kwam al snel tot de conclusie dat er iets was opgebloeid tussen Oma en Xander. Als je van romantisch gezever houdt, moet je het zelf maar even doorlezen. Ik ga verder met de derde brief:

Liefste,
Als je deze brief vindt, die ik in jouw zak heb gestoken vanmorgen toen Marcus en Aafje net naar mijn zus waren gebracht, is het niet gelukt. Je zult alleen zijn aangekomen in je eigen wereld en ik beloof je zo snel mogelijk de kinderen weer op te halen. Het is een enorme teleurstelling voor ons beide. Als ik niet naar jouw kant kan komen, kunnen de kinderen ook niet heen en weer reizen. Je zult terug moeten keren. Ik ga er van uit je snel weer te zien. Neem wel voldoende tijd om te genieten van alle dingen die je hier altijd zo mist. Hoe noemde je het? De regen, mist, de drukte en stoffigheid en natuurlijk je familie. Je andere familie…

Ik moest een paar keer de namen lezen, voordat er een belletje ging rinkelen. Mark en Aaf. Zij waren de kindertjes in oma’s verhalen over eenhoorns, reuze slangen, tamme mieren en pratende salamanders. De wereld die oma schetste, de wereld van Aaf en Mark was groener dan groen, de appels glommen altijd aan de bomen, de aardbeien waren immens en sappig en de hemel was immer blauw. Het rook er naar, naar…ik denk naar de brieven. Ruik er maar voorzichtig aan. Waar doet het je aan denken? Fris, schoon en bloemig? Zoiets toch? En Mark en Aaf waren bijzonder, want zij konden iets wat wij niet kunnen. Zij kenden de geheimen van de magie. Ze konden zich verplaatsen zonder reizen, konden spullen verschuiven vanaf grote afstand en praatten met elkaar zonder woorden. Ze konden zien wat er verderop gebeurde, zonder er te zijn. Zonder hun ogen. Ik was vroeger zo jaloers.

Trouwens, nog even over de foto’s. De eerste keer dat ik ze zag, daar in de berging waar ik op de grijze betonnen vloer was gaan zitten, schrok ik mij rot. Ik weet natuurlijk niet of jij mij wel eens hebt gezien, maar de foto waarop het gelukkige gezinnetje staat afgebeeld met vader moeder, zoon en dochter deed mijn hart even overslaan. Het was net of ik naar mezelf keek. Ik zou best eens met open mond hebben kunnen kijken. Maar ach, niemand zag mij. Je snapt dat ik het niet zelf was, maar blijkbaar gruwelijk veel op mijn opa lijk. Niemand had het mij ooit verteld. Natuurlijk.
Nadat ik de foto’s had bekeken, alle brieven doorgelezen en weer met de eerste die dus de laatste was eindigde, had ik mijn conclusie getrokken. Mijn besluit genomen.

Het was de p.s. onder de laatste brief die mij…wacht lees zelf maar:

Ps. Je hebt nog zeker vijf weken voordat de baby komt. Lieverd, alsjeblieft, als je ook maar een moment twijfelt kom dan terug voordat het te laat is.

Mijn moeder is een couveuse kindje. Ze kwam bijna vijf weken te vroeg ter wereld. Mijn oma had geen keuze meer.

De keren dat mijn oma, met tranen in haar ogen, uit het raam in het niets staarde zijn ontelbaar en in mijn geheugen gegrift. De verhalen die ze mij vertelde deden haar ogen altijd stralen, maar de rest van de avond hing er een grauwe sluier van melancholie over haar gezicht.

Ik heb de brieven van voor tot achter gelezen. Als jij ook die moeite neemt, weet je ook hoe je deze andere wereld kunt bereiken. Blijf maar hier. Maar ik ga. Ik ga Xander zoeken, Aafje en Marcus en vertellen hoe ze gemist zijn al die jaren.

Groeten,
Xandra

Hoe om te gaan met een agressief everzwijn|Column

Nou inderdaad, wat een aparte titel voor een blog van Maartje. En was ze niet voor het eerst in driehonderd jaar een weekend zonder kinderen weg? Hoe is dat gegaan dan? Is ze aangevallen?!
Als eerst kan ik je geruststellen. Ik heb nul everzwijnen ontmoet de afgelopen dagen. Zelfs nog nooit in mijn leven. En ja, het weekend weg was in alle opzichten geslaagd. Mooi weer, goed gezelschap, niet stilletjes geweend om het zware gemis (ik was bij de ring Amsterdam al aan het kinderloze bestaan gewend) en prachtige locaties. Dit levert dus totaal geen materiaal voor een stukje schrijven. Wie wil er nou horen hoe iemand anders genoten heeft? Men leest graag kommer, kwel en leedvermaak. Gaat niet lukken.
Ik was van plan het hele weekend maar niet meer aan te halen. Tot het woelvarken weer in mijn leven kwam. Niet in levende lijve, maar daardoor niet minder aanwezig. Want naast alle kinderachtige, irrationele angsten zoals zombies, kerkhoven, spoken en ander gespuis, heb ik ook legitieme fobieën. Hoog genoteerd in de lijst van angsten voor zaken die wel bestaan, staat het everzwijn- beter bekend als het woelvarken door mijn panische gegil: ‘kijk, daar hebben ze weer gewoeld!’
Tijdens dit weekend zaten we op een avond kinderloos te eten en te genieten van de jonge ouders die steeds roder van ellende werden door hun gillende dreumes, toen mijn vriend mij weer eens bespotte met mijn woelvarkenfobie. ‘Een varken. Wie is er nu bang voor een varken,’ zei hij spottend en ik greep naar mijn telefoon. ‘Ze zijn alleseters hoor,’ begon ik ter verdediging en typte haastig zoektermen in. ‘Als de Maffia je te pakken heeft, voeren ze je zo aan de varkens!’ zei ik en mijn vriend begon zich te schamen voor eventuele Nederlandssprekende mensen om ons heen. Ik draaf soms nogal door. Nadat google pakte, las ik snel de afmetingen van een volwassen zwijn hardop voor. Die zijn niet misselijk: kop- kont 180cm, schofthoogte 90 cm en tussen de 250 en 300 kg is geen wereldrecord. Vriend gaf me gelijk dat ze niet klein zijn. Dat moge duidelijk zijn ook. Aangezien ik een warm toetje had besteld (je kent ze wel, chococake met zacht binnenste) en we tijd moesten doden, mocht ik tips opzoeken en voorlezen over aanvallen van everzwijnen. Die komen dus gewoon voor. Inderdaad als ze jonkies hebben, maar in de Ardennen vaker dan elders. (Mijn oksels begonnen reeds te klotsen) Door de velen wegen worden er vaak zwijnen aangereden en ook door de jacht raken ze gewond. En laten die dieren nou toch een beetje knorrig worden als ze gewond zijn. En dan zetten ze de aanval in. (Iets met ik au, jij ook au?)
In de hoop jouw leven op een dag te kunnen redden, deel ik graag de tips die ik las. Ja je kan ze ook zelf opzoeken op het internet, maar ik heb er nog nader denkwerk op los gelaten. Want daar heb je tijdens de aanval zelf geen tijd voor. Ze schijnen razendsnel te zijn. Dus, stel je voor: je loopt nietsvermoedend in de Ardennen (Of op de Veluwe) te recreëren tussen de bomen en in de verte zie je een wild zwijn op je afkomen. Dan is dit de beste oplossing:

Ga nooit rennen
Superkutte tip, want het is sowieso een soort van instinctief iets én het is de enige vaardigheid waar ik nog wel eens voor oefen. Dus niet rennen. Je mag wel langzaam achteruit lopen.

Klap in de handen
De melodie/ het ritme maakt geloof ik niet uit. Ook moet je er langzaam en hard bij praten. Niet gillen. Omdat het waarschijnlijk lastig is iets zinnigs te zeggen en de herhaling van ‘braaf varkentje, braaf varkentje,’ het niet zo brave varkentje kan gaan tegenstaan, leek het mij handig om dán de tips hardop te vertellen. Hoogstwaarschijnlijk loop je er niet in je eentje en nog waarschijnlijker heeft diegene deze blog nooit gelezen. Deel dus snel, al klappend, de tips. Eventueel in zangvorm, je bent tenslotte nog steeds op een uitstapje.

Klim in een boom of op een auto
Mocht het varken nog niet invallen maar juist willen aanvallen dan is het tijd om het hogerop te zoeken. Er stond op de pagina die ik las: het everzwijn kan niet klimmen. Nee, dat leek mij ook nogal lastig met een lichaamsgewicht van 300kg en alleen een paar kleine hoefjes. De klim in de boom/ op de auto tip moet je natuurlijk ruim zien. Alles wat beklimbaar is zal voldoen. Mits hoeven er geen grip zullen hebben. Het lijkt een handige tip, totdat je eens goed kijkt naar de bomen in een bos. Ze zijn niet zo beklimbaar en al weten de zwijnen de auto’s goed te raken, ze liggen meestal niet voor het oprapen op de gele wandelroute van zeven km. Kortom: is er iets te klimmen. Doen. Zo niet dan raadt ik de volgende tip af.

Verschuil je achter een boom
Omdat ze slechte ogen hebben zou een verschuiling achter een boom kunnen werken. 1- probeer er maar helemaal achter te passen. Dat lukt maar weinig mensen. 2- Sinds wanneer houden bomen mensengeur tegen? Ik neem aan dat ze een goed ontwikkelde neus hebben om dat slechte zicht te compenseren. 3-En moet je nog klappen en praten of moet je doen of je opeens weg bent? Teveel vragen.

Hier hielden de reguliere tips op.
Mijn eigen opties (nog nooit uitgevoerd):
-Zorg dat je niet naar mens ruikt. Hoe precies? Door het insmeren met uitwerpselen van andere varkens leek mij naast goor ook riskant. Wie weet ziet hij je als een lekker wijfje of een concurrent. Veel parfum en dranklucht zou het proberen waard zijn dacht ik zo. (Nou, inderdaad. Misschien heb ik er daardoor nooit eentje in het echt gezien.)
-Lokvoer. Het wordt afgeraden de dieren te voeren, maar er moet toch een ultiem gerecht zijn dat ze alle pijn en mensenvlees meteen doet vergeten. Dit verdient nader onderzoek. Of wie het weet mag het zeggen.
-Aanval is de beste verdediging. Die snuitjes zijn vast erg gevoelig. Wandel met een stok en geef een gerichte tik op de wroetschijf van de snoet. Dit zal wel moed en precisie vereisen. En weinig tot nul dierenliefde.
– Ga voortaan wandelen met de kinderen. Hoe meer hoe beter. Lawaai zal ze op afstand houden of je kunt die pareltjes voor de zwijnen werpen. Als die weekendjes erg goed bevallen.
(Ja. Grapje. Natuurlijk.)

Ken je die mop van die vrouw die op vakantie ging?|column

Kijk, met zwembad én aan het strand.’ Vriend geeft mij zijn telefoon en ik kijk naar de zoveelste foto van een hotel, met een zwembad.
‘Ja, blauw water en een groot hotel, maar waar is het in godsnaam?’ vraag ik zuchtend en geef de telefoon weer terug. Vriend kijkt al iets minder blij, ik hoor hem nog net niet denken: daar gáán we weer. Maar inderdaad daar ga ik weer. Ik kom weer met mijn monoloog over dat ik niet aan een zwembad ga liggen, zeker niet in een bikini, en na een half uur op het strand heb ik het ook wel bekeken. En trouwens is het daar nu nog helemaal niet zo warm als op de foto’s. Als afsluiter druk ik hem het overzicht van Weeronline onder zijn neus.
We veranderen weer van land en zoeken verder. Ondertussen kruipt de datum steeds dichter bij.

‘Ik weet waar jullie heengaan. Jullie zitten straks gewoon in Heiloo. Thuis,’ zegt iemand en de rest lacht. Die denken precies hetzelfde. Wij lachen als boeren met kiespijn. Vriend heeft al meerdere uitjes en werk afgezegd en tegen ieder die dat wilde horen verteld dat hij een paar dagen heerlijk naar een warm oord gaat. Misschien zelfs wel de Canarische Eilanden.
Als we ’s avonds voor de tigste keer door alle vakantieaanbiedingen heen scrollen opper ik voor de grap om echt thuis te blijven. Hup, kinderen naar de logeeroppas en lekker uiteten, uitslapen en boekjes lezen. Opeens zit ik te janken. Ik denk dat vriend toen meteen al zijn als favorieten aangevinkte vakanties heeft gedeletet op dat moment. Hysterisch som ik alles op en gooi het lekker op één hoop: we hebben nog niemand voor de katten, Dochter moet naar haar vader in Alkmaar maar wel nog naar school in Heiloo, ik heb nog een ouderavond, we zouden drie dagen en nu zijn het er al zes en ik ben nog nooit zonder kinderen op vakantie geweest en ik heb nog nooit gevlogen.

Vriend, praktisch als mannen zijn, had juist gedacht dat het een leuke combi was: voor het eerst vliegen én voor het eerst weg zonder kinderen. Ik begon er bijna van te kotsen inmiddels. Nog even en ik zou zeker ook nog een snelcursus moeten doen voor mijn rijbewijs. Nee, die heb ik ook niet. En ja, het zou kunnen dat het leuk is dit allemaal voor mijn veertigste nog te doen maar als dat huilend en kotsend moet zie ik er de toegevoegde waarde niet van in.

‘Ja, maar jij roept altijd dat je weg wilt zonder kinderen…’ probeert hij nog wanhopig.
Het ís waar.
‘Kunnen we alsjeblieft gewoon naar België, bier drinken en dorpjes bekijken en…’ zeg ik en ik word er opeens weer een beetje blij van, van dit uitje.
‘Best. Als je maar normaal doet nu. En ik zeg wel tegen iedereen dat je niet durft te vliegen,’ zegt hij en begint te zoeken naar hotelletjes in de Ardennen. Zonder morren.
Het kan zijn dat ik toen in mijn euforie zelfs een oorlogsmuseum heb voorgesteld plus misschien een nachtje in ons ‘tweede’ huis in Frankrijk. Maar dat zeg ik liever niet want dan ben ik dus alsnog een klein beetje gewoon thuisgebleven.

De sollicitatie

‘Goedemiddag, neemt u plaats.’
‘Bedankt. Ik kom hier voor de functie…’ zeg ik en hij onderbreekt mij direct.
‘Molenaar, is het? Ja ik zie het al. U heeft zich online aangemeld?’
Ik knik.
‘Goed. U heeft de informatie die wij u mailde goed doorgenomen?’
‘Informatie? Het waren alleen foto’s.’
Hij kijkt mij aan en weer naar zijn formulieren voor zich op tafel: ‘Ja, precies. Dat bedoelde ik. Prachtig niet? Ik vind ze zelf vreselijk ontroerend. Nog steeds.
Ik zal weldra wat uitgebreider op de functie zelf ingaan. Eerst wil ik nog mededelen dat, mocht u aangenomen worden, er een ontgroeningsritueel vlak voor aanvang is. Meestal komen er het nodige bloed, poep en vaak ook hechtingen bij kijken. Heeft u daar problemen mee?’
Met grote ogen schuif ik mijn stoel naar achter en wil opstaan.
‘Wacht. Vergeet niet dat het een baan is voor minimaal 18 jaar. Op papier. In werkelijkheid is hij voor het leven.’
Ik ga weer zitten. Mijn pijngrens is vrij hoog.
‘Hoe zit u qua stressbestendigheid?’
Ik kijk hem vragend aan.
‘Kunt u presteren met jarenlang een paar uur slaap per nacht? En multitasking, is dat aan u besteed?
Ik slik. ‘Jawel…’
Hij kijkt in zijn papieren: ‘Bent u 24/7 beschikbaar?’
‘Wat is de salariëring?’ Ik durf het eindelijk te vragen.
‘Wat?’ Hij lacht. ‘Heeft u niet gelezen dat het een om een onbetaalde baan gaat?’
‘Ja, ja, natuurlijk,’ zeg ik vlug. ‘Waar kan ik tekenen?’
‘ Hier op de stippellijn. U kunt over negen maanden beginnen.’

Schrijfwedstrijd ‘Moeder’ van de VAK Delft~ Bij de zes genomineerden van de 225 geëindigd.

De onzichtbaarheidsfactor|Blog

Meestal ren ik mijn rondjes in het donker maar vandaag had ik het weer eens voor elkaar om bij daglicht mijn rondje te kunnen hardlopen. Het voordeel is dat je overdag eens kunt variëren met de route (’s avonds blijf ik tussen de huizen), het nadeel is dat er wat meer mensen op straat zijn. Zo liep ik nog in de eerste tweehonderd meter fris te joggen, toen er vanuit de tegenovergestelde richting een groepje mensen naderde. Het was een bont gezelschap: kleurige dreads, gitaren op de rug en in verschillende kleuren. Ze liepen met drie of vier man naast elkaar en ik naderde in rap tempo. (Of dat denk ik tenminste met mijn gemiddelde van 5:40 minuten per km) Ik kwam dichter bij, nog dichterbij en opeens dacht ik: o jezus ik ben mijn Sixth Sense Onzichtbaarheidskills even vergeten…
Wat dat is? Ik zal het even uitleggen. Sommige mensen zullen zich erin herkennen en weer anderen zullen geen idee hebben wat ik bedoel. Juist diegenen moeten even goed opletten nu. Het gebeurt mij namelijk vrij vaak dat ik het gevoel heb in “The Sixth Sense” te zitten (je weet wel, dat je denk dat je er gewoon bent, maar dan blijkt dat je gewoon niet meer bestaat.)  Er is nog een soortgelijke film (“The Others”) met eenzelfde thema. Een paar voorbeelden om uit te leggen wat ik nu precies hiermee bedoel heb ik voor handen.
– Met grote regelmaat gebeurt het in winkels. Ik schijn daar te verdwijnen zodra ik in een rij sta. Het is heus. Mensen voegen bruut van links of rechts in en gooien de spullen op de band terwijl ik heel hard zuchtend mijn beurt voorbij zie gaan.
– Als ik naast iemand fiets en er komen tegenliggers aan, die ook naast elkaar fietsen dan moet ik maken dat ik in mijn remmen knijp want ze minderen geen vaart, kijken dwars door mij heen en nemen soms zelfs even extra ruimte als ik voorbij rijd. Zelfs als ik naast mijn kind fiets geldt deze onzichtbaarheidsfactor.
– Wanneer ik in het donker mét mooie lichtjes om mijn armen bij de verlichte zebrapaden wil overjoggen doe ik dit met gevaar voor eigen leven. Meestal is het op een haartje na. Ze crossen door. Nooit geweten dat joggers geen voetgangers zijn. Ik ga dus supersnel (zoals ik al zei) maar blijkbaar zien ze alleen in hun ooghoek een gek lampje voorbij hupsen zonder dat er een mens aan vast zit.
Je krijgt wel een beetje een beeld zo? Ik ben niet klein, ik ben niet dun en ik kijk niet schichtig naar beneden in de hoop niet opgemerkt te worden. Toch hangt er blijkbaar ergens een soort lafheidsaura om mij heen. Op mijn werk vinden al mijn klanten mij aardig. Hoe verschillend ze ook zijn, ik kan met iedereen door één deur. Zou dat een mens onzichtbaar maken? Aanpassingsvermogen.? Pas ik mij zo erg aan dat ik als een kameleon in mijn omgeving opga?
Het zal heus zijn voordelen hebben. Naast het feit dat mensen- degene die mij wel zien- mij aardig zullen vinden (of makkelijk) kan je met deze speciale gave onder veel ongemakkelijke en opdringerige praatjes uitkomen. De krantenverkopers bij de ingang van de supermarkt vragen mij nooit iets. Maar toen ik vanmiddag op het groepje gezellige muzikanten af rende en niemand mij leek op te merken (echt serieus: hele lege straat waar midden op de straat iemand rent,. Op je af.) had ik geen zin om half de rododendrons in te moeten duiken. Ik vond dat ik wel recht had op iets meer ruimte dan het struikgewas dus maakte ik mezelf lekker breed op het kleine strookje waar ik langs ze heen zou kunnen piepen en gaf de buitenste persoon een prachtig mooie schouderbeuk. Bam. Want wie niet zien wil, moet maar voelen.
Grote kans dat hij zich omdraaide, over zijn schouder wreef en mij nakeek terwijl hij dacht: ik voelde het toch echt, maar ik zie niemand. Waarna hij verward, met kippenvel van top tot teen doorliep om zich ’s avonds in occulte wetenschappen te gaan verdiepen om mij op te kunnen roepen. Waardoor er nu portalen naar andere dimensies opengezet worden en geesten en demonen onze wereld overnemen…Oké, ik draaf door. Maar mocht je iemand met een gitaar op zijn rug door Heiloo zien lopen dan zal het mij niet verbazen wanneer hij zachtjes: ‘I see dead people’ fluistert terwijl snot uit zijn neus loopt. Maar ik rende door en keek niet om. Alsof er nooit een groepje mensen was. En wie weet…

De eindbaas

Sensa zuchtte en veegde met twee handen haar haren uit haar gezicht. Denkbeeldig. Maar als ze haren had gehad, of een gezicht, had zij dit zeker gedaan. 
´Je gaat verliezen zeker?’ vroeg Ratius.
Het tweepersoonsbed waar zij hun blik op hadden gericht was rommelig. Tussen de lakens lagen twee lijven verstrengeld. De slaapkamerdeur ging open en een derde partij stampte furieus naar binnen. 
‘Die luisteren nooit meer naar hun gevoel,’ gierde Ratius.
‘Kalm even ja. Ken je de uitdrukking over het laatst lachen? Over precies 48 uur ontmoet ze de ware. Over 48 uur bedankt ze in gedachte deze twee.’ Ze wijst naar het bed.
‘Hoe gaat het bij jou? Heeft hij zijn lot al geaccepteerd?’ Nu is het Sensa die met haar collega meekijkt.
Wederom een bed. Dit maal een hoge, met witte lakens waaronder magere armen en een grauw gezicht uitsteken.
‘Zo. Die ziet er niet best uit.’
‘Dat is niet de ziekte. Hij was macrobiotisch, vegetarisch en biologisch bezig. En vergeet niet dat hij veel aan hardlopen deed.’ 
‘Longkanker was het?’
‘Jep.’
‘Zuur.’
‘Hij heeft het geaccepteerd. Zodra hij hier binnen is neem ik hem even apart. Dat heeft hij wel verdiend.’ 
‘Ratius?’
‘Ja?’
‘Kunnen we het aan de mensheid zelf overlaten? Het lijkt te werken. Ze redden het zonder De Baas.’ Ze knikt in de richting van de geknevelde oude man.
‘Ik denk het wel. Ben je klaar voor het echte werk? Ik neem het Midden-Oosten, richt jij je op Rusland.’
‘Top. Moge de beste winnen.’

Jor Veers | verhaal

 

Opeens was hij daar. Ik probeerde hem lange tijd te negeren, zoals je soms doet wanneer je een bekende tegen komt in de supermarkt met een pak condooms in je hand. 

Maar het was tevergeefs.

Ik begon mijn hand op te steken, als begroeting. Zonder naar hem op te kijken. 

Het was niet genoeg voor hem.

Op veelal ongemakkelijke en onhandige momenten sprong hij tevoorschijn. Ik hield hem zoveel mogenlijk buiten mijn gezichtsveld. Nooit keek ik hem aan. 

Zijn aanwezigheid liet mijn hart sneller slaan, mijn handen zweten, mijn mondhoek trekken en hield me uit mijn slaap. Zijn aanwezigheid nam mijn leven over.

 Op een dag was ik het beu, klaar met negeren, ik wist tóch wel dat hij er was en hij wist dat ik hem opmerkte. Ik wilde mij leven terug.

‘Wat wil je van mij?’ Ik klonk gefrustreerd. Logisch.

‘Laat me mezelf eerst even voorstellen. Mijn naam is Veers, Jor Veers. Ik ben blij dat je mij eindelijk onder ogen komt.’

Ik bekeek hem eens, voor het eerst, goed.

Hij zag er belachelijk, ridicuul uit. Grote schoenen, kleine broek, paars haar en een idioot geel hoedje. En klein. Veel kleiner dan ik dacht.

Ik schoot opgelucht in de lach. ‘Je stelt eigenlijk niet zo veel voor. Ik had je enger, veel enger verwacht.’ 

Hij knikte beleefd en zei: ‘Was dit nu zo moeilijk?’ 

Een glimlach, een knipoog en weg was hij. Voorgoed.

*

Sometimes you just have to face them. 

Cursus SUG|blog

Dit jaar word ik 40. Ja, ik ga dit het hele jaar door herhalen. Als het dan straks december is hoop ik dat de klap beter te verwerken is. Dat mijn jongste in oktober vier wordt en dus naar de basisschool gaat én de oudste 18 zeg ik minder vaak, dat is toch om te janken.

40. Echt een grote meid. Tijd om het leven eens wat serieuzer te nemen misschien. Om mij heen zie ik veel mensen zzp-er zijn of worden. Gezonde leefstijlcursussen, voedingsadvies geven, sportles of gewoon hovenier. Je kunt alle kanten op, als je voor jezelf begint. Nou, supergoed idee! Ik ging eens even een brainstorm met mezelf houden, als een soort van wijze levenscoach, om te ontdekken wat nu eigenlijk mijn ‘ding’ is.

Na lang wikken en wegen weet ik wat mijn speciale talent is. En het toffe eraan is dat het hele concept nog niet bestaat. Niemand doet het nog! Gat in de markt natuurlijk. Wat het is? Ik denk dat ik mega goed ben in SUG cursussen ontwikkelen.
Ik hoor je denken: what the fuck is SUG? (O, sorry. Alleen ik denk in zulke grove taal? Nou goed, je vroeg het je wel af toch?)
Eerst zal ik even kort mijn brainstorm samenvatten: rode draad in mijn leven én mijn levensmotto is ‘van uitstel komt afstel.’ Slap? Waarom? Helemaal niet. Je stelt iets net zo lang uit, tot het niet meer kan/hoeft/ moet. Dit is niet per definitie slecht. Het is juist heel creatief. Want het is natuurlijk niet zo dat je dingen gewoon niet meer doet, en dan helemaal nooit meer. Nee. Zo werkt de geest niet. Er moet altijd een reden zijn waarom je iets niet/later/straks of morgen gaat doen. Je kan het niet zomaar niet doen. En daar komt de SUG methode (nog te ontwikkelen) om de hoek kijken.
De Smoezen, Uitstel en Goedpraat Methode.

Nu, ik zei al dat het nog in de kinderschoenen staat. Maar ik kan een paar voorbeelden geven om te laten zien hoe het werkt.

– Je doet een HBO opleiding en hebt werkelijk geen idee waar het over gaat en het boeit je ook weinig.
Smoes: maak een baby
Uitstel: deze moet je werpen en verzorgen, de studie komt later wel weer.
Goedpraatje: Ja, ik kreeg een baby en daar moest voor gezorgd worden. Nee, die studie afmaken gaat zo niet. Te druk.

Iets minder dramatisch?

– Je moet hoognodig de badkamer schoonmaken.
Smoes: het leven is te kort, de kinderen willen aandacht. O wacht, ze spelen al maar deze Netflix serie is retegoed.
Uitstel: iedereen gaat zo weer douchen, beter doe ik het later.
Goedpraatje: De badkamer is toch oud, je ziet het geeneens wanneer ik hem schoonmaak. (Dit is meer een leugen dan een goedpraatje, ik zag het wel degelijk.)

– Je gaat vanaf nu nooit meer de badkamer zo goor laten worden.
Smoes: ik ga het nu nog niet schoonmaken het is nog maar zo kort geleden.
Uitstel: Ik moet even nieuw schoonmaakmiddel hebben. En een emmer. Dan doe ik het.
Goedpraatje: Zo lang als hij de vorige keer vies was is bijna niet haalbaar. Het valt nog wel mee nu.

– Ik ga drie tot vier keer in de week hardlopen.
Smoes: zere benen, slecht weer, kater, geen tijd, wakkere kinderen en de week is weer voorbij dus begin ik maandag wel.
Uitstel: Als ik morgen ga, dan kan ik ook donderdag en zondag. Dat komt beter uit. Beter begin ik morgen, niet nu.
Goedpraatje: nu heb ik tenminste tijd over om iets te schrijven.

– Ik ga schrijven. Misschien wel een boek. Ik heb een heel uur de tijd. Zeeën dus echt.
Smoes: Ik moet nog even douchen, iets drinken, nog meer koffie, o wacht de vaatwasser/wasmachine/droger moet nog leeg of vol, de laptoplader is kwijt, de kattenbak is vies, de tafel moet nog opgeruimd, is er nog iets lekkers in huis?
Uitstel: doet het hele huishouden want anders zit je niet lekker, ik moet eerst nog even nadenken over wát te schrijven, morgen na het hardlopen heb ik ook nog wel een uur, misschien wel twee. Ja, morgen is veel beter. Ik ben ook erg moe nu. Dat wordt sowieso een slecht verhaal.
Goedpraatje: ik schrijf wel een halfbakken blog over een onzincursus die niet bestaat. Goed plan. De tijd zit er ook op en Netflix wacht op mij. Ben benieuwd of ze zwanger is geraakt in het begin van seizoen twee…

Henk

‘Ik denk dat we het snel moeten doen. Hij hoeft niet onnodig te lijden,’ zegt Esther en trekt zorgvuldig een pluk zevenkruid eruit en drukt het bovenop de vrij volle emmer met andere onkruiden.
‘Niet zo hard, straks hoort hij ons,’ fluistert Arend. ‘Geef even die schop aan, daar naast je.’ Hij wijst naar het oude, verroeste gereedschap. Even schieten zijn ogen naar Henk, die achter in de tuin nietsvermoedend doorgaat met zijn werk.
‘Boeit me niet. Ik ben klaar met die agressieveling. Hij moet gewoon weggemaakt. Misschien kan het met die schop? Of zal de spade scherper zijn?’ Esther krijgt iets verbetens in haar blik als ze over Henk praat. Arend is verbaasd dat ze hem het mededogen van een snelle dood gunt. Hij weet hoe bang ze voor hem is. Hoe ze hem haat.

‘Zal dat niet te veel rotzooi geven? Het moet geen slachtpartij worden, we hebben zaterdag natuurlijk jouw ouders met Ank en Rie hier voor de barbecue,’ fluistert Arend. Hij blijft maar fluisteren, denkt Esther. Ze kijkt hem even aan. Als hij zich zo blijft opstellen kan hij ook een mep met de schep krijgen. Wat een watje.
‘Jij moet het doen, jouw slag zal krachtiger zijn,’ besluit Esther en gaat met het harkje door de bijna leeg getrokken border. Ze zijn lekker opgeschoten vandaag. Het nieuwe perkgoed dat al klaarstaat bij de achterdeur kan er straks in. Misschien dat ze dit jaar de viooltjes in de verre border zet. Henk zal er met z’n destructieve poten niet lang doorheen kunnen lopen. Niet als ze dit plan nu eindelijk doorzetten.
Arend gooit de schop leeg in de kruiwagen en kijkt haar verschrikt aan. ‘Moet dat?’ Hij vergeet te fluisteren en Henk kijkt even hun kant op. Arend voelt een lichte vlaag van misselijkheid.
‘Ja dat moet. Ik help je wel als hij eenmaal…’ Ze maakt een beweging met haar vinger langs haar hals en lacht erbij. Henk ziet het. Ze zwaait vrolijk naar hem. De sukkel. Ze is er klaar mee. Leven onder zijn juk, opstaan op zijn tijden, zijn eten bereiden omdat hij anders de hele buurt bij elkaar schreeuwt en dan dat vreselijk agressieve gedrag van hem. De laatste keer dat hij het op zijn heupen kreeg heeft ze de hele straat uit moeten rennen. Henk achter haar aan.
‘Geef die spade daar eens aan. Ik graaf alvast een gat.’
Arend kiept de emmer leeg in de kruiwagen en geeft hem weer terug aan Esther. ‘Wat als ik zorg dat hij morgen weg is? Hebben we nog een doos? Dan zet ik hem vanavond over het hek bij de kinderboerderij.’ Hij kijkt naar Henk, die parmantig door de tuin banjert, her en der iets van de grond oppikt met zijn snavel en blijkbaar een engeltje op zijn hanenschouder heeft.
‘Morgen. En geen dag later,’ knikt Ester.

Over vluchtgedrag, eeuwige rust en een mooi bureau|Column

Afbeelding: unsplash

Een tijdje geleden las ik een non-fictie boek van Stephen King. Ik had het al jaren geleden kunnen doen want het boek was al tijden op de markt maar om de een of andere reden koos ik normaal altijd voor de spannende, grappige en verrassende verhalen van King. Deze keer niet. Ik wilde gaan schrijven en wat doe je dan? Dan ga je uitstelgedrag vertonen, bijvoorbeeld door een boek te lezen óver schrijven. Ik vond het een prima uitstel excuus. Helaas lees ik nogal snel en kom ik ook graag onder de huishoudelijke verplichtingen uit, dus binnen een mum van tijd was het boek uit. Het was leuk, vermakelijk en vol tips. Ik had goede moed gekregen.
Een belangrijke tip die ik las was: stel jezelf een aantal woorden dat je moet schrijven, sluit jezelf op in een ruimte zonder mensen en schrijf deze woorden. Al wordt het een enorm bagger verhaal, schrijf ze maar op. Nou, dat klonk voor een dwangneuroot natuurlijk als muziek in de oren. Je moet weten, ik houd van limieten en doelen stellen. Zo zal ik met mijn vijf kilometer hardlooprondje nooit of te nimmer gaan wandelen- ik riskeer soms zelfs mijn leven door voor auto’s zomaar over te steken- en ben ik soms bijna aan het kotsten om niet onder een bepaalde tijd te lopen. En voor wie? Voor niemand of voor mezelf want ik loop alleen.
Dit afgezonderd schrijven én een bepaald aantal woorden halen was mij dus op het lijf geschreven. Dacht ik. De theorie was mooi en prachtig. De realiteit om te janken, want hoe zou ik dat moeten doen? Overdag is het niet haalbaar. Er moet gewerkt of gezorgd worden. Dus het zou in de avond moeten gebeuren. Als iedereen eens eindelijk plat ligt, de vaatwasser draait, de laatste was in de droger zit en de boel weer aan kant is, is het negen uur/ half tien. Laten we voor het gemak negen uur aanhouden. De ruimte waarin ik dat schrijven zou moeten doen; aan de eettafel of languit op mijn nieuwe bank is dan meestal bezet door dochter of vriend. De eerstgenoemde heeft een soort spraakgebrek, in de zin van dat ze niet kan stoppen met praten. Nooit. Geen moment. Ze wilde een keer graag in mijn blog voorkomen, nou bij deze dan. Yrsa Machacek is mijn allerliefste dochter maar ze houdt geen moment haar waffel. Al sta ik met mijn jas aan te zweten en al met één hand aan de deurklink om boodschappen te gaan doen, schuift ze alsnog een telefoon onder mijn neus met een filmpje dat ik écht even moet zien. Als ik weer binnenloop met twee zware tassen krijg ik meteen een update over alle komende ontslagen bij Ajax, hoe veel keer haar filmpje geliket en gedeeld is en terwijl ik de boodschappen in de kast ruim ratelt het door. Aan één stuk. Waarover weet ik niet want ik heb mezelf dan inmiddels geestelijk verwijderd uit de situatie.
Op internet lees en zie ik vaak hoe mensen schrijven aan hun mooie bureautjes. Lekkere koffie ernaast, laptop open en een mooi notitieblok met glimmende pen ernaast. Ik schrijf zelf echt niet langzaam, maar ik hoor updates over mensen die een boek schrijven dat ik bij mezelf denk: hoe dan!? Zitten deze mensen van acht tot acht aan een stuk door te tikken ofzo? Zijn ze een rijke erfgenaam, kinder- en partner- én werkloos? Ik heb dus van negen tot half elf (Oké, tien uur want ik wil ook nog een serie kijken) de tijd en dan moet ik ook nog rennend door het huis met mijn laptop opzoek naar een schuilplek. Ik hoor Stephen Kings woorden dan in mijn hoofd: sluit je ergens op. Ik denk niet dat hij het letterlijk bedoelde, maar ik vind dat wel een goed idee. Er zijn twee deuren met een slot in huis en de ene is de wc. Het is de enige wc/badkamer en dus valt deze ruimte af. Ik zou ook waarschijnlijk een aandoening oplopen door alle zwarte schimmel dus hij valt twee keer af. Blijft over: mijn slaapkamer. Geen slechte optie. Behalve dat het zo lui overkomt én het heel verleidelijk is om niet stiekem een dutje te doen. Gelukkig wordt dat altijd tegengehouden door de twee kinderen die op dezelfde verdieping in bed liggen en vragen (lees: schreeuwen) wat ik aan het doen ben. Tegen de tijd dat ik heb teruggelezen waar ik gebleven was in mijn verhaal, appt mijn dochter mij boos van beneden dat ze thee wil drinken met me. Netto typtijd: twintig minuten.
Het boek dat ik las begon over het leven van Stephen King zelf en hoe hij vrij vroeg in zijn leven trouwde en kinderen kreeg. Hierdoor en door zijn niet rijke ouders belandde hij veelal in ‘domme’ baantjes (naast zijn studie). In zijn begintijd schreef hij in zijn pauzes, ’s avonds laat in het washok aan een klein kinderbureautje tussen het wasgoed en pas veel later kocht hij een echt luxe bureau om aan te werken. Dit bleek geen succes. Het leidde tot drank, drugs en andere narigheid. Het bureau, duur en pontificaal midden in zijn werkkamer moest weg. Dat werkte niet. Aan deze paar zinnen houdt ik mij dan maar vast wanneer ik een stukje schrijf aan de tafel terwijl ik ondertussen lego poppetjes in elkaar zet, thee maak, billen afveeg en de kat voer. Ik probeer niet te mopperen terwijl er eentje expres op het toetsenbord begint te rammen, lego door de kamer mietert of bijna van de keukentafel lazert. Stephen King had zijn droomwerkplek en het was een fiasco, denk ik dan maar. Al krijg ik zelfs zonder dat grote, luxe bureau al trek in een borrel en probeer ik stiekem hobby’s te bedenken die alleen heel ver buitenshuis uitgevoerd kunnen worden.