Over vluchtgedrag, eeuwige rust en een mooi bureau|Column

Afbeelding: unsplash

Een tijdje geleden las ik een non-fictie boek van Stephen King. Ik had het al jaren geleden kunnen doen want het boek was al tijden op de markt maar om de een of andere reden koos ik normaal altijd voor de spannende, grappige en verrassende verhalen van King. Deze keer niet. Ik wilde gaan schrijven en wat doe je dan? Dan ga je uitstelgedrag vertonen, bijvoorbeeld door een boek te lezen óver schrijven. Ik vond het een prima uitstel excuus. Helaas lees ik nogal snel en kom ik ook graag onder de huishoudelijke verplichtingen uit, dus binnen een mum van tijd was het boek uit. Het was leuk, vermakelijk en vol tips. Ik had goede moed gekregen.
Een belangrijke tip die ik las was: stel jezelf een aantal woorden dat je moet schrijven, sluit jezelf op in een ruimte zonder mensen en schrijf deze woorden. Al wordt het een enorm bagger verhaal, schrijf ze maar op. Nou, dat klonk voor een dwangneuroot natuurlijk als muziek in de oren. Je moet weten, ik houd van limieten en doelen stellen. Zo zal ik met mijn vijf kilometer hardlooprondje nooit of te nimmer gaan wandelen- ik riskeer soms zelfs mijn leven door voor auto’s zomaar over te steken- en ben ik soms bijna aan het kotsten om niet onder een bepaalde tijd te lopen. En voor wie? Voor niemand of voor mezelf want ik loop alleen.
Dit afgezonderd schrijven én een bepaald aantal woorden halen was mij dus op het lijf geschreven. Dacht ik. De theorie was mooi en prachtig. De realiteit om te janken, want hoe zou ik dat moeten doen? Overdag is het niet haalbaar. Er moet gewerkt of gezorgd worden. Dus het zou in de avond moeten gebeuren. Als iedereen eens eindelijk plat ligt, de vaatwasser draait, de laatste was in de droger zit en de boel weer aan kant is, is het negen uur/ half tien. Laten we voor het gemak negen uur aanhouden. De ruimte waarin ik dat schrijven zou moeten doen; aan de eettafel of languit op mijn nieuwe bank is dan meestal bezet door dochter of vriend. De eerstgenoemde heeft een soort spraakgebrek, in de zin van dat ze niet kan stoppen met praten. Nooit. Geen moment. Ze wilde een keer graag in mijn blog voorkomen, nou bij deze dan. Yrsa Machacek is mijn allerliefste dochter maar ze houdt geen moment haar waffel. Al sta ik met mijn jas aan te zweten en al met één hand aan de deurklink om boodschappen te gaan doen, schuift ze alsnog een telefoon onder mijn neus met een filmpje dat ik écht even moet zien. Als ik weer binnenloop met twee zware tassen krijg ik meteen een update over alle komende ontslagen bij Ajax, hoe veel keer haar filmpje geliket en gedeeld is en terwijl ik de boodschappen in de kast ruim ratelt het door. Aan één stuk. Waarover weet ik niet want ik heb mezelf dan inmiddels geestelijk verwijderd uit de situatie.
Op internet lees en zie ik vaak hoe mensen schrijven aan hun mooie bureautjes. Lekkere koffie ernaast, laptop open en een mooi notitieblok met glimmende pen ernaast. Ik schrijf zelf echt niet langzaam, maar ik hoor updates over mensen die een boek schrijven dat ik bij mezelf denk: hoe dan!? Zitten deze mensen van acht tot acht aan een stuk door te tikken ofzo? Zijn ze een rijke erfgenaam, kinder- en partner- én werkloos? Ik heb dus van negen tot half elf (Oké, tien uur want ik wil ook nog een serie kijken) de tijd en dan moet ik ook nog rennend door het huis met mijn laptop opzoek naar een schuilplek. Ik hoor Stephen Kings woorden dan in mijn hoofd: sluit je ergens op. Ik denk niet dat hij het letterlijk bedoelde, maar ik vind dat wel een goed idee. Er zijn twee deuren met een slot in huis en de ene is de wc. Het is de enige wc/badkamer en dus valt deze ruimte af. Ik zou ook waarschijnlijk een aandoening oplopen door alle zwarte schimmel dus hij valt twee keer af. Blijft over: mijn slaapkamer. Geen slechte optie. Behalve dat het zo lui overkomt én het heel verleidelijk is om niet stiekem een dutje te doen. Gelukkig wordt dat altijd tegengehouden door de twee kinderen die op dezelfde verdieping in bed liggen en vragen (lees: schreeuwen) wat ik aan het doen ben. Tegen de tijd dat ik heb teruggelezen waar ik gebleven was in mijn verhaal, appt mijn dochter mij boos van beneden dat ze thee wil drinken met me. Netto typtijd: twintig minuten.
Het boek dat ik las begon over het leven van Stephen King zelf en hoe hij vrij vroeg in zijn leven trouwde en kinderen kreeg. Hierdoor en door zijn niet rijke ouders belandde hij veelal in ‘domme’ baantjes (naast zijn studie). In zijn begintijd schreef hij in zijn pauzes, ’s avonds laat in het washok aan een klein kinderbureautje tussen het wasgoed en pas veel later kocht hij een echt luxe bureau om aan te werken. Dit bleek geen succes. Het leidde tot drank, drugs en andere narigheid. Het bureau, duur en pontificaal midden in zijn werkkamer moest weg. Dat werkte niet. Aan deze paar zinnen houdt ik mij dan maar vast wanneer ik een stukje schrijf aan de tafel terwijl ik ondertussen lego poppetjes in elkaar zet, thee maak, billen afveeg en de kat voer. Ik probeer niet te mopperen terwijl er eentje expres op het toetsenbord begint te rammen, lego door de kamer mietert of bijna van de keukentafel lazert. Stephen King had zijn droomwerkplek en het was een fiasco, denk ik dan maar. Al krijg ik zelfs zonder dat grote, luxe bureau al trek in een borrel en probeer ik stiekem hobby’s te bedenken die alleen heel ver buitenshuis uitgevoerd kunnen worden.

Het zit zo| Column

In de eerste instantie wilde ik deze allereerste blogpost hier het leed dat een eerste blogpost schrijven heet noemen. Om nog even lekker in de sfeer van foute titels te blijven, maar vooral omdat het gewoon de waarheid is.

Het is nogal een dingetje. Al mag je van Pauline Cornelissen (Ken je niet? Even op Google intikken, dat doen we ondertussen allemaal wel toch? Ga hier niet uitleggen dat ze theatermaker en columnist is) het woord liever niet op deze manier gebruiken.  En eigenlijk is het dat ook helemaal niet. Een dingetje. Nee, tegenwoordig blogt iedereen er op los. De onderwerpen zijn divers, verrassend en eindeloos. Het bloggen kan zakelijk en informatief of op ongedwongen gezellige toon de recepten van je oma uittikken. Wil je bloggen en heb je toevallig kinderen dan zit je helemaal nooit verlegen om een onderwerp. Blogs over eerste hapjes, inentingen, kleding, speelgoed, gebroken nachten en supermarktbezoeken met dreumesen zijn allemaal ingrediënten voor een succesvolle blogpost. Lezers gegarandeerd.

Een groep die natuurlijk niet mag ontbreken in deze hele summiere opsomming zijn de ambitieuze amateurschrijvers. Blogs met vervolgverhalen, óver verhalen, met gedichten of over dichters duiken regelmatig op in mijn Facebooktijdlijn. Ja, ik weet het, dat komt natuurlijk ook omdat ik lid ben van deze groepen.

Een paar jaar geleden wilde ik ook bloggen. Ik verzon de enorm pakkende naam ‘Zeevruchten’ en had hele goede voornemens.  Ik wilde  mijzelf niet in een van de bovenstaande hokjes proberen te schrijven. Lastig.  Ik schreef mezelf linea recta de mamablogger hoek in. Met als twijfelachtige ondertitel: Loedermoeder. Ik wilde het niet, het gebeurde wel dus tijd voor de reset. Het is lastig maar niet onmogelijk.

Bij jezelf blijven. En schrijven. Nou daar gaan we dan.

Het was koud. De windkracht was een lekker Nederlandse windkracht zes, het was nat en misschien lag er ook wel sneeuw. Misschien? Ja, misschien. Dat van die wind weet ik ook niet helemaal zeker. Ik was er wel bij zo rond vijf uur in de ochtend op deze kille negen december maar het was mijn eerste. Ik heb niet zo goed opgelet. Negen maanden hiervoor (Even zelf uitrekenen, rekenen is namelijk niet zo mijn ding) gebeurde dat ene je weet wel- H. Mulisch zou het een Vonk naar aarde sturen hebben genoemd- en op deze dag was ik er klaar voor. Blijkbaar.

Het werd vervolgens nog een aantal keer, oké 39 keer om precies te zijn, negen december en dat brengt ons weer naar het hier en nu.

Iets noemenswaardigs gebeurd in de tussenliggende jaren? Genoeg, genoeg. Maar geen dingen die nu het noemen waard zijn in deze context. Kinderen, werk, huis, vriend, school, enzovoorts. In willekeurige volgorde opgenoemd, let wel. Daarover meer, hopelijk niet alleen maar, te lezen onder het kopje blog/column. Kijk, het moet natuurlijk wel een beetje gezellig blijven.

En nu? Nu gaan we schrijven. Althans ik. En dat is onder andere hier te lezen.

Is het dan anders dan alle andere blogs die er te vinden zijn? Dat moet wel. We zijn tenslotte allemaal uniek. Maar waarover dan? Geen zorgen, ik verzin wel wat.

Ik zit al deze woorden lang een reden te verzinnen om mijn favoriete zin van Harry M. hier ergens in aan te kunnen halen of gebruiken.

Het is niet gelukt. Even dacht ik nog dat ik zou kunnen gaan zeveren over mijn favoriete schrijfplek (Die heb ik niet, maar dan verzon ik er wel snel eentje) of gewoon een allround favoriete plek, want die heb ik wel al loop ik er liever niet mee te koop. Nou vooruit, anders kan ik de zin niet gebruiken:

Midden in een noord-frans bos is een open plek. Het gras lijkt er groener dan elders, met her en der  bomen die ontsnapt uit het bos zijn en statig de wacht houden over de donkergrijze graven. De zon lijkt er altijd te schijnen als wij er zijn. Uitbundig. De eerste keer dat ik er kwam. De afgelopen keer dat ik er was ook. Daar begreep ik Quinten uit de Ontdekking van de Hemel toen hij over zíjn plek dacht:

Het was of het er warmer en stiller was dan op andere plekken, waar het even warm en stil was.

Er was eens…|Verhaal

Afgelopen januari gepubliceerd (in twee delen) op de site: Voorleestuin.be

Er was eens een kind, een jongetje, dat vaak Roodkapje werd genoemd. Dit kwam niet omdat hij altijd een roodkapje ophad. Nee natuurlijk niet. Dit kwam door zijn oma, die altijd rode mutsjes voor hem haakte. Vroeger. En hem dan Roodkapje noemde. Oma hield van gekke namen. Oma noemde zijn mama altijd Muisje en als ze papa nodig had riep ze: ‘hee bolle!’

Dat was heel gek want papa was juist helemaal niet bol.

‘Doe je rits eens dicht,’ zei mama terwijl ze het mandje op de grond zette om zelf zijn rits dicht te doen.

‘Dat kan ik zelf wel hoor,’ zei hij streng. Mama vergat soms dat hij geen kleuter meer was.

‘En je capuchon?’ Ze ging al met haar handen naar hem toe maar hij schudde snel zijn hoofd. Hij ging natuurlijk niet met een mandje én een rode capuchon op naar oma. Wat dacht mama wel niet zeg!

‘Je weet de weg? Op de stoep blijven, dan linksaf om het park heen…’

‘ja- ha,’ zuchtte hij. ‘Daarna weer naar links en de derde straat naar rechts.’

Mama knikte tevreden. ‘En niet door het park dus he?’

‘Nee-hee.’ Hij stak zijn hand uit en pakte het mandje aan. ‘Als ik straks terug ben mag ik nog gamen, he?’

‘Ga nu maar.’ Mama duwde hem zachtjes de goede richting op.

Het mandje was niet licht. Er zaten wat dingen in om oma op te vrolijken, had mama verteld.

Oma was thuis van haar werk, ze was gevallen met haar fiets. Ze had zo’n snelle fiets. ‘Levensgevaarlijk die dingen!’ riep papa een paar dagen geleden toen mama de telefoon uitdrukte en vertelde wat er was gebeurd met oma.

Hij wisselde voor de vierde keer van hand. Het mandje leek steeds zwaarder te worden.

Wat zou er inzitten?

Hij zette het op de grond en keek: een tijdschrift, een reep chocolade (He, jammer met nootjes, die lustte hij niet) een klein bakje druiven (die gaat oma straks aan hem geven, oma vindt fruit belangrijk. Iets met vitamines ofzo) de zelfgemaakte cake van mama, waar papa en hij geen plakje van mochten proeven, een spuitbus slagroom én een bosje tulpen.

Toen hij weer verder wilde lopen zag hij dat hij precies bij het bruggetje stond. Het bruggetje waar ze vaak de eendjes voeren, het bruggetje naar het park.

Als hij over het bruggetje, over het slingerende fietspad langs de glijbaan en de wipkip zou lopen zou hij sneller zijn. Als hij deze weg zou nemen zou hij vast en zeker twee keer zo snel zijn. Mama zei zelf altijd dat dit de snelste weg was naar oma.

In de verte zag hij de bovenkant van de glijbaan, hoorde hij kinderen lachen en een fietsbel vrolijk rinkelen. Oma vindt het vast fijn als hij er eerder is. Ze is dol op chocolade met nootjes.

Zijn voetstappen klonken gek op de brug. Hij zag tussen de kieren door een witte en een bruine eend. Jammer dat hij geen brood mee had, dacht hij.

‘Ho! Pas op!’ Vlak voor zijn voeten stopte een fietswiel. Hij keek op.

De geschrokken meneer stapte af en zette zijn fiets tegen de reling. In zijn hand hield hij een zak vol met brood.

‘Daar deed ik je bijna pijn, jongeman.’ De stem van de man klonk donker en boos, maar hij glimlachte.

Tussen zijn donkere, lange haren en wilde baard glommen zijn groene ogen en witte tanden.

‘Sorry meneer, ik keek naar de eenden.’

‘Houd jij ook zo van eenden? Hier. Help mij maar even.’ Een harige hand met lange vuile nagels graaide in de zak brood en gaf hem drie sneetjes oud witbrood.

‘Of heb je haast?’

‘Een beetje,’ zei hij en gooide ondertussen stukjes brood naar de twee eenden.

‘Waar moet je heen met dat mandje? Ziet er goed uit.’ Hij veegde met de mouw van zijn vest wat kwijl van zijn mond.

‘Mooi he? zei hij en stak zijn twee armen naar voren. ‘Echt wol. Weet je waar dat van gemaakt is?’

Natuurlijk wist hij dat, hij was geen peuter meer. ‘Ja van een schaap.’

‘Bingo!’ zei de baard en hij geeft hem nog een half sneetje krentenbrood.

‘Waar ging je heen zei je nou?’

‘O, naar mijn oma. Ze heeft een zere rug ik ga haar wat spulletjes brengen.’

‘Alleen? En je weet de weg? Daar geloof ik niks van!’ De groene ogen van de man keken hem verbaasd aan.

‘Pfff, ik ben er al duizend keer geweest. Het fietspad af, het andere bruggetje over en meteen naar rechts. Daarna de eerste straat links en dan het eerste huis. Simpel.’

Nog voordat de man iets kon zeggen, zei hij: ‘Ja ik weet wat links en rechts is, ik ben al groot.’

De twee harige handen hielden de broodzak op zijn kop en schudden de kruimels in het water.

‘Waarom pluk je onderweg niet nog wat bl… eh brámen voor je oma? Die zijn hartstikke gezond. Daar zal ze blij mee zijn. Weet je waar ze groeien?’ Met een puntige nagel wees hij naar een klein zijpaadje waar alle mensen altijd met de honden lopen. Het was niet ver van het pad. Bramen zijn natuurlijk ook fruit. Met vitamines. Hij kon best even stoppen om wat bramen te plukken nu hij toch de snelle weg had genomen.

Hij drukte op de bel: Ding-Dong!

En nog eens.

Toen deed hij het klepje van de brievenbus open en riep: ‘Oma?’

‘De sleutel ligt onder de mat!’ riep een krakerige stem terug.

Was oma soms verkouden, of deed haar rug zo veel pijn dat ze niet goed meer kon praten?

‘Hoi Oma! Ik ben het,’ riep hij en hij keek oma’s woonkamer door. De gordijnen waren gesloten, het was donker maar op de bank onder een stapel dekens zag hij iets bewegen.

‘Kom verder kindje,’ zei ze weer met schorre stem en een hand met een paarse handschoen aan kwam onder de dekens vandaan. Ze wenkte hem: ‘Kom eens hier.’

Stapje voor stapje schuifelde hij dichterbij.

Ze had ook een paarse glittermuts op zag hij toen hij vlak naast de bank stond. Hij kon alleen één oor zien, de rest hield ze onder de dekens.

Hij kreeg een gekke kriebel in zijn buik.

‘Oma ik heb lekkere dingen voor je mee van mama,’ zei hij zachtjes.

‘Dank je, dank je, kindje.’

Hij keek nog eens naar het oor van oma. Wat was hij gek groot, dat was hem nog nooit opgevallen.

‘Oma, waarom steekt uw oor zo uit?’

‘Dat, kindje is om je beter te kunnen horen.’

Hij keek naar de paarse handschoen.

‘Oma waarom heeft u van die gekke handschoenen aan?’

‘Dat kindje…ehh, bemoei je daar eens even niet mee! Ja?!’ zei de stem boos.

‘Nou, oma wat geeft u een grote mond!’ zei hij geschrokken.

De dekens kwamen langzaam in beweging.

Oma ging rechtop zitten. Deed haar handschoenen uit.

Een hand met vieze, lange nagels trok de paarse muts van haar hoofd.

‘Grote mond? Grote mond! Dat maak ik zelf wel uit. Kom hier jij!’ Van onder de dekens sprong de harige man op hem en greep hem bij zijn arm.

‘Natuurlijk heb ik een grote mond. Ik sterf van de honger. Meekomen jij, kleintje!’ Hij sleurde hem mee naar de grote voorraadkast.

‘Waar is oma? Wat heb je met mijn oma gedaan?’ riep hij boos.

‘Houd je snavel jij!’ Met een harde duw smeet hij hem in de kast en draaide hem op slot.

Het was donker in de kast. Alleen door het sleutelgat scheen een straaltje licht. ‘Hoi Roodkapje,’ klonk er vanuit het donker achter hem. Het was de stem van oma. ‘Oma. Noem me toch niet altijd zo,’ zuchtte hij terwijl hij zijn oog tegen het sleutelgat aan drukte.

De gordijnen waren dicht, maar alle lichten brandden.

In een grote sporttas zag hij oma’s laptop, haar tablet en zilveren kandelaars gepropt zitten.

‘Zo, dat is dat,’ mompelde de man tevreden en ritste de tas dicht.

‘En nu eerst ETEN!’ Hij vulde een pan met water en zette het vuur hoog.

Nadat hij groentes in het kokende water had gedaan, pakte hij de grootste snijplank en het scherpste mes.

Hij legde het mes naast de plank op de keukentafel en zei: ‘Alleen het vlees nog. Ik heb genoeg voor drie weken soep.’ En hij keek naar de kastdeur. Hij stond op, pakte de sleutel van tafel en liep op de kast af toen…

Ding-Dong.

‘Wel getverderrie,’ mopperde de man.

Ding- Dong.

‘Dat is de buurvrouw, mevrouw Jager,’ zei oma tegen de dichte deur.

‘Stil daarbinnen! Laat ik jullie niet nog eens horen of er zwaait wat!’ gromde de man hen toe.

De voordeur werd geopend.

‘HELP, HELP, MEVROUW JAGER, HELP ONS! HIJ HEEFT ONS OPGESLOTEN!! Met voeten en vuisten ramde hij tegen de dichte kastdeur.

Er klonk gestommel, geschreeuw en gegil vanuit de woonkamer. Toen werd het stil.

Voetstappen kwamen langzaam op de kastdeur af, de sleutel ging in het slot en langzaam, heel langzaam ging de deur open.

En daar in de deuropening stond het allerkleinste en waarschijnlijk ook het alleroudste vrouwtje dat hij ooit zag. Met in haar hand een grote bruine handstas. Ze klopte even op de tas en zei: ´Ik had knikkers voor je mee, kindje. Drie grote zakken. Deze tas weegt een ton. Daar had die vuilak niet van terug.´ Ze sloeg een oude hand voor haar mond. ‘Pardon,´ zei ze.

Oma schonk de thee in en mevrouw Jager verdeelde de chocolade op een schaaltje.

‘Nou jongen. Je hebt gelijk, ik zal je geen Roodkapje meer noemen. Je bent al zo groot. En moedig, erg moedig. Ik durfde mij niet te verroeren.’

Ze keek hem aan. ‘Hoe zal ik je dan noemen. Iets met held? Super Hero?’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee oma. Ik weet hoe u mij kan noemen: Sil. Want dat is tenslotte gewoon mijn naam.’

Oma lachte en proostte met de thee. ‘Op Sil, zei ze blij. Sil proostte mee. Voorzichtig.

‘Was er niet een tv programma vroeger? Sil de Strandjutter?’ Oma keek mevrouw Jager vragend aan.

‘Omá…’ zei Sil streng.

‘Sorry Sil.’

En ze leefden nog lang en gelukkig.

Appeltje-Eitje| Verhaal

~Opgenomen in de verhalenbundel “Droomverhalen”~

 

‘Nadat ik vervolgens die appel – groot en rot, ik ruik hem nog- afwendde met mijn linkerarm leek het vrijwel direct alsof mijn rechterzij uit elkaar spatte. Maar dat, die appel en de pijn die ik nu zelfs nog vaag voel sluimeren, was niet het ergst. Nee de wanhoop, de collectieve paniek van de anderen om mij heen lijkt wel in mijn hart gekropen. Kijk, mijn handen trillen er zelfs van.’
Eva stak haar hand naar voren over de ontbijttafel. Tussen de retro beschuitbus en het porseleinen botervlootje hield ze haar slanke, bleke hand met de lichtroze gelakte niet al te lange nagels. Perfecte handen om divers etenswaar mee te etaleren op de foto’s die ze maakte voor haar foodblog. Ze trilden inderdaad licht, maar dit zou ook kunnen komen door de zakelijke bespreking die voor half elf op het programma stond deze ochtend.
‘Ja, lijkt me wel een gave film hoor,’ zei de warrige haardos met ontbloot bovenlichaam vanaf de andere kant van de tafel.
‘Wat?’ Eva’s stem had de trilling van haar handen overgenomen.
‘Wat ik zeg. Gave film denk ik. Ik bedoel, als je handen er nu al van trillen zal het wel wat zijn toch?’ Zonder haar aan te kijken nam hij een slok uit het gebloemde antieke kopje en zette het naast het bijpassende schoteltje op het tafelkleed. In gedachte zag ze de lichtbruine thee al een kring maken onder het kopje en in haar dure linnen kleed.
Eva stond op en schoof haar stoel ruw achteruit. ‘Fijn dat je altijd zo goed naar mij luistert. Veel succes vandaag Eva, met je bespreking. En ik hoop dat je vannacht niet meer zo naar droomt,’ sneerde ze spottend naar haar niet luisterende wederhelft.

Ze trok haar sleutel uit het slot en pakt haar grote rieten tas uit haar fietsmand. Zogenaamd een nonchalant lijkende strandtas maar deze kwam niet voor negen euro vijfennegentig van de woensdagmiddagmarkt. Hier was een hele woensdagmiddag online speuren aan gespendeerd plus een behoorlijk aantal euro’s.
In de schaduw van de grote Waag overzag ze het plein vol terrasjes. Het was nog vroeg maar dankzij de eerste mooie lentedag van dit jaar waren de meeste stoelen gevuld. Even zag ze zichzelf weer als tiener, gearmd met haar vriendinnen op zaterdagnacht over dit zelfde plein zwalken; de tafels en stoelen reeds opgestapeld naast de deuren van de verschillende cafés.
De lentebries, die in tegenstelling tot de lentezon wel tot bij haar kon komen deed de haartjes op haar blote armen omhoog schieten. Hij maande haar tot actie en ze liep resoluut op het lege tafeltje in het midden van het plein af.
Ziezo wat nu, dacht ze en keek even naar de tijd op haar telefoon. Ruim twintig minuten te vroeg. Ze appte haar locatie naar het door het bureau doorgegeven nul-zes nummer en besloot de kaart te raadplegen. Als ze nu eens een specialiteit van het huis en een cappuccino nam, dan kon ze er nog een klein item op Facebook aan wijden. Fotootje/filtertje en klaar.
Nu ze op de plaats van bestemming was en zich nergens meer druk over hoefde te maken zag de droom van vannacht kans om weer naar de actieve delen van haar gedachten te kronkelen. Het liet haar maag een beetje draaien, haar hartslag iets versnellen evenals haar ademhaling en de kleine trilling in haar handen was weer terug. Of kwam dit door haar boosheid? Door de realisatie dat haar droomrelatie niet meer was dan een gefilterde foto op facebook; inhoudsloos en zonder een enkele vorm van de waarheid te reflecteren.

Zo zat ze een tijdje terwijl de nachtmerrie – waarvan de specifieke details ontbraken maar waar het gevoel des te beklemmender door werd- wedijverde met de overpeinzingen over haar droomman totdat de lege stoel aan het tafeltje naar achter schoof en er een persoon bij haar aanschoof.
‘Goedemorgen, Eva neem ik aan? Ik zal mij even voorstellen, mijn naam is Harm. Wij hebben elkaar nog niet gesproken geloof ik?’ Eva nam de uitgestoken hand aan, glimlachte en zei: ‘Klopt, ik ben Eva. Eva de Waard. Ik heb contact gehad met Esther, over de mail en de telefoon.’
De grijnzende grijzende man van middelbare leeftijd maar met een hippe hipsterbaard, Harm dus, liet haar hand los en vist een map uit de tas naast hem op de grond.
‘Goed. Waar het in deze campagne voornamelijk om draait…o, ik weet niet of je de brochure van de opdrachtgever al hebt ontvangen?’
Eva schudde ontkennend haar hoofd, Harm draaide de map 180 graden om en schoof hem haar kant op.
‘De opdrachtgever is de grootste appelproducent van Nederland en wil graag…’ Harms woorden worden naar de achtergrond gedwongen door het suizen van het bloed door haar hoofd, door de krachtige slagen van haar hart en door de geluidloze schreeuwen van alle vezels in haar lichaam.
Het plein rondom haar lijkt te zijn verdwenen en het enige dat ze ziet zijn de grote groen met rode appels op de pagina’s voor haar. Ze ziet in gedachte de rotte appel weer op haar afkomen, ruikt de geur weer en de steek in haar rechterzij steekt de kop weer op.
Resoluut drukt ze de map terug over het tafeltje.
Met beverige stem zegt ze: ‘En voor wanneer was dit precies? Wat is de deadline?’ Ze zou hoe dan ook zorgen dat ze die niet kon halen. Alle interne alarmbellen gingen af. Zelfs al zou dit betekenen dat ze alsnog die mega suffe opdracht van Daphne moest aannemen in New York.
‘De bedoeling is om de eerste artikelen over twee weken online te hebben. Ga je dat redden?’ Harm keek vol zelfvertrouwen naar Eva op maar zijn glimlach verstilde bij het zien van haar verschrikte blik.
‘Ach wat jammer. Ik vlieg volgende week voor een opdracht naar New York. Het ligt al maanden vast.’ Ze haalde in een soort van verontschuldiging haar schouders op en maakte meteen de mentale notitie om vanmiddag Daphne te mailen en de opdracht alsnog aan te nemen. Ze voelde een soort van opluchting, vast ook door het idee om even van thuis weg te zijn. Even weg bij hem.

*
‘Je zorgt maar dat het lukt! Die bespreking kan makkelijk via Skype.’ Hij drukte, eerst twee keer mis, op het rode knopje – geen echt knopje, slecht een weergave ervan- van de telefoon en legde hem iets harder dan nodig op zijn bureau.
Met zijn zachte kantoorklauwtjes- zo noemde zijn vrouw ze altijd- wreef hij even over zijn gezicht en haalde vervolgens zijn handen door zijn nog niet dunner wordende blonde haar. Of leek het wel minder? Hij voelde nog eens maar kon geen uitsluitsel aan zichzelf geven.
Hij pakte zijn agenda erbij, een echte neplederen, en bladerde terug. Hij telde binnensmonds mee en kwam tot de conclusie dat hij na zijn vliegangstcursus toch zeker minimaal zeven keer gevlogen had. Zonder een greintje last. Wat was dit dan?
Drie kleine maar ferme klopjes op de deur, die vrijwel meteen na de derde klop openging, deden hem uit zijn agenda opkijken.
‘Je weet dat de vlucht vanavond is en de bespreking morgenochtend?’ Twee boze bruine ogen keken hem vanonder een strakke, donkere pony aan. Ze hield haar leesbril in haar linkerhand aan het pootje bungelen. Het is nog maar een paar jaar geleden dat ze die dingen begon te gebruiken, het maakte haar oud vond hij. Hij nam haar vluchtig in zich op en liet zijn ogen langs haar onberispelijke secretaresse outfit gaan: zwarte kokerrok, wit bloesje met korte mouwen en niet al te hoge hakken.
‘Wat is er aan de hand? Is het zachte ei weer in je naar boven gekomen? De held op sokken? Kom op Geer, wat denk je dat die cursus heeft gekost?’
Gerard haalde onverschillig zijn schouders op. Het was toch fiscaal aftrekbaar, of niet soms?
‘Zal ik dan meteen maar even navragen of er ruimte is op de herhaalcursus? Je weet dat je de tweede bespreking niet weer over de computer kan laten lopen. Ik boek je vlucht voor vanavond om, maar daarna is dit gedoe voorbij.’
Van het stralende humeur waarmee ze vanmorgen aan de ontbijttafel was verschenen, ze waren gisteravond extra vroeg onder de wol gedoken zoals dat zo lekker ouderwets heet, is niets meer over. De sacherijnige blik maakte haar, net als het dragen van die stomme leesbril, oud en ongezellig.
‘Prima. Verder nog iets?’ Gerard bewoog zijn muis over de muismat en staarde naar het zwarte, maar voor zijn vrouw en tevens secretaresse, onzichtbare computerscherm.
Ze schudde even snel haar hoofd, haar kleine donkere staartje schudde koddig mee en verliet de kamer.

‘Wil je nog een glaasje?’ Laura zijn vrouw stond met haar rug naar hem toe de groentes te wokken. Het was Vrijdag Vegadag. Gelukkig mogen druiven dus wel, ook gebottelde.
Hij schonk zonder antwoord af te wachten alvast beide glazen halfvol en liep zachtjes op haar af. Misschien had hij niet zo bot moeten doen vandaag dacht hij terwijl hij haar zachtjes wilde aantikken om haar glas aan te rijken. Juist op dat moment besloot Laura al uit zichzelf om te kijken en het glas met rode wijn belandde over haar hagelwitte schort. Haar aanblik ging in een enkele seconde van keurige huisvrouw naar woeste slager.
Gerard deinsde achteruit, liep daarbij zijn stoel omver en bleef bleek en trillend bij de open keukendeur staan, zichzelf ondersteunend aan de deurpost. ‘Wat doe je Geer? Gooi eens een oude doek. Wat sta je daar nou?’ Zichzelf droogdeppend met de pannenlap en door wokkend zag ze niet hoe haar man zichzelf op de grond liet zakken en zachtjes begon te huilen.
Een herinnering kwam naar boven. Of was het wel een herinnering? Misschien was het een droom of een waanbeeld? Een man, zijn gezicht is niet te zien komt op hem af. Hij zit zelf in zijn stoel maar de man staat en helt voorover. Over hem heen. Hij gaat op hem vallen, dat is zeker. Zijn kleding zit onder dezelfde vlekken als het schort van zijn vrouw. Alleen is het geen wijn. Een grote natte brei zit op de plaats van deze onbekende meneer zijn buik. Repen groen shirt hangen over zijn gehavende lichaam. Darmen, althans hij denkt dat het darmen moeten zijn, bulken naar buiten door de opengereten wond. Als hij zijn gezicht afwendt ziet hij verschillende tassen. Iemand naast hem slaakt een gil en pakt zijn arm vast waardoor zijn laptop hard dichtklapt op zijn schoot. Hij hoort zichzelf roepen: ‘We gaan eraan. We vallen.’
Hij hoorde iemand roepen: ‘Geer, Geer!’ Een natte lap sloeg hard in zijn gezicht en de chaos van zijn gedachten verdween en maakte plaatst voor de aanblik van zijn vertrouwde keuken.
‘Gerard Koning, verdorie doe normaal!’ Gerard zijn ogen haakten in de bruine, ongeruste ogen van zijn vrouw en dit liet zijn hartslag dalen, zijn ademhaling kalmeren en zijn schudden overgaan tot een lichte trilling.
‘Misschien kan ik beter voor de uitgebreide herhalingscursus gaan Lau,’ zei Gerard terwijl hij geruststellend probeerde te glimlachen.
Laura omarmde hem stevig en knikte. ‘Ik zal morgen meteen even bellen. Anders kunnen we de zaak wel opdoeken, zacht ei.’

*
‘Goedemiddag. Ik hoop niet dat mijn muziek te hard staat?’ Richard kijkt naar zijn twee dichtstbijzijnde reisgenoten en wijst met een gebruinde vinger naar zijn koptelefoon die hij even van een oor afhoudt. De blonde meneer, aan zijn pak te zien is hij op zakenreis, neemt niet de moeite op te kijken van zijn scherm. Met een geconcentreerde blik leest hij stug door en haalt zo nu en dan een bleke, ietwat mollige hand door zijn dunner wordende haar.
Nou best, dan zal hij mijn muziek ook niet horen, denkt Richard en ziet ondertussen dat het blonde meisje – het zal vast een vrouw zijn maar in zijn oude ogen is dit een meisje- een duim omhoog steken. Ook zij kijkt niet op van haar boek.
Haar blonde haren, ze zullen vast lang zijn dat hebben die meiden allemaal tegenwoordig, zitten in een grote rommelige bundel boven op haar hoofd. Haar slanke vingers met lichtroze gelakte nagels slaan langzaam een pagina van het boek om.
Zal ze blauwe ogen hebben net als Emilie, zijn dochter? Met twee handen strijkt hij zijn lange grijze haren achter zijn oren, slaat zijn benen over elkaar en wipt zachtjes met zijn in een lederen sandaal gehulde voet op en neer.
‘Zou u daar mee willen stoppen?’ zegt de laptop meneer zonder op te kijken.
‘Hoezo, stoort het u?’ Richard beweegt zijn voet nog steeds.
De vermoeide ogen van de laptop man kijken hem nu aan en Richard ziet niet wat hij verwachtte. Geen irritatie, geen boosheid maar slechts angst en verwarring. Zenuwen.
‘Geen probleem,’ zegt Richard en zet beide voeten naast elkaar op de vliegtuigvloer.
Had hij Emilie toch moeten bellen? Het is meer dan tien jaar geleden dat ze elkaar gesproken hebben en om dan nu opeens voor haar deur te verschijnen is niet niks.
Zal hij het niet gedaan hebben om op het laatste moment nog terug te kunnen krabbelen? Om, nadat hij helemaal naar The Big Apple is gevlogen met haar adres in zijn broekzak, niet aan te bellen maar rechtsomkeer te maken?
Hij ziet het blonde meisje haar boek dichtklappen en op haar schoot leggen. “Dromen verklaard” leest hij in paarse letters op de kaft.
Kippenvel kruipt langzaam over zijn blote armen.
Zal hij haar niet hebben durven bellen door zijn droom van vorige week? Die afschuwelijke bizarre nachtmerrie waarin zijn dochter schreeuwde zonder geluid, met grote blauwe ogen die hem vol weerzin aankeken.
De hele week heeft het hem een naar onderbuikgevoel bezorgd. Hij laat zijn blik nog eens gaan over het boek en het bijbehorende meisje. Zal Emilie ook haar nagels lakken? Misschien heeft ze haar haren wel rood geverfd inmiddels, of…
Er ontstaat wat commotie in de rij stoelen achter hem en nog voordat hij zich heeft kunnen omdraaien om te ontdekken waar de drukte om gaat klinkt er een luide stem in een onbekende taal. Hij schreeuwt boze woorden. Duidelijk en onverstaanbaar.
Richard staat op.
Een warme, snijdende pijn schiet door zijn rug en neemt bezit van zijn hele romp.
Hij ziet de ogen van het meisje groot worden en haar handen naar haar rechterzij gaan waar een rode vlek zich verspreidt op haar witte shirt. Ze opent haar mond maar er komt geen geluid. Niets.
Ze valt opzij met haar hoofd op de schoot en op de laptop van haar buurman, haar gezicht slechts enkele centimeters verwijderd van de grote witte appel met de hap eruit.
Richard maait met zijn armen om houvast te krijgen, hij voelt zichzelf licht worden in zijn hoofd en helt over naar de meneer.
De pulserende pijn in zijn lichaam, de knallen om hem heen in het vliegtuig, de paniek, het geschreeuw, en de ogen vol afschuw van de meneer naast hem beginnen allemaal te vervagen. Te vervagen als in dichte mist. Tot hij zich weggezogen voelt worden als uit een diepe slaap. Terug naar waar hij hoorde ooit. Hoopt hij.
Weg.

Afbeelding: Unsplash, J. Ortega

Nog even…|Verhaal

~Opgenomen in de Sweek bundel na inzending voor de zeer korte verhalenwedstrijd met als thema: brief.~

Tailly, 3-3-2018

Mijn Liefste,

Nog even en het is alweer een jaar geleden. Ik mis je iedere dag een beetje meer dan de dag ervoor.

Het was niet altijd zo. In het begin, vlak nadat je vertrokken was, vond ik rust in ontkenning. Ik deed voorkomen alsof de tijd ná jou de betere tijd in mijn leven was. Uren lag ik alleen op het strand te bakken in de zon. Avond aan avond zat ik op de veranda te genieten van de stilte. Het was ook heerlijk, maar anders en maar voor even zo bleek.

Al snel werd het onrustig, onstuimig en een grauwe sluier hing over mijn dagen. Soms probeerde ik er nog tegenin te gaan, maar al snel kwam de acceptatie dat het zo zou zijn en ik liet mij buiten liever niet meer zien.

Het zou alleen niet zo blijven. Was het maar zo! Het werd uiteraard nóg slechter, donkerder en killer. Ik verkilde-tot op het bot- en stompte af tot een schim van wie ik ooit was, ik verbleekte.

De dagen met jou leken verder weg dan ooit en ook al had je mij beloofd terug te keren, mijn vertrouwen hierin werd naarmate die dag naderde steeds kleiner. Niet logisch maar niet minder waar. Gevoel is niet rationeel.

Maar nu lijkt het tij zich te keren, bleek er nog ergens hoop in mij verscholen. De dagen zijn telbaar, ook al doet nog niets je komst vermoeden: je komt eraan.

Nog 18 dagen tot ons weerzien, mijn lieve lente.

Vizier|Verhaal

Hij zit. Heb je hem in het vizier?

Vermoeid had hij de laptop opengeklapt en staarde naar het blanco scherm. ‘Kom op,’ fluisterde hij tegen zichzelf. Zijn online lezers wachtten al vanaf zeven uur op een update. Het was inmiddels half tien. 250 woorden, wat moord en doodslag en dan het liefst luguber.

…Evelien opende de deur, de aangereikte pizzadoos en nog voordat ze kon betalen was de bezorger gevlogen. Verbijsterd liet ze de geopende doos vallen, opgerolde ingewanden kletsten op het stoepje.
Hij zuchtte en probeerde er niet aan te denken dat er niemand op zijn verjaardag was gekomen vandaag. Het mislukte.
‘Tring.’
Met een sprankje hoop opende hij de deur. Op zijn stoepje stond een pizzadoos. Er zat geen pizza in, dat zag hij meteen. Hij kokhalsde.

Met trillende vingers, in de war en de doos in de kliko vervolgde hij zijn werk.
…waarna de achterdeur open kraakte en doffe stappen dichterbij kwamen. Evelien…
Een vlaag tocht streek langs zijn hals. Kippenvel.
Met puddingbenen liep hij naar zijn achterdeur en sloot hem resoluut.
Terug achter het scherm nam hij een flinke slok uit de onderweg mee gegriste fles.

…Evelien hoorde de voetstappen op de bovenverdieping.
Hij stopte met typen, haalde onregelmatig adem en hoorde het ook. Hij slikte. Stond op.

Plots: deuren vlogen open. De trap maakte kabaal. Lichten vlogen aan en toeters schalden.
‘Gefeliciteerd!’ Ze stormden de kamer binnen. Zijn vrienden. De etters.

Missie geslaagd. Zullen we hem een virusscanner cadeau doen? Zijn laptop camera afplakken?
-😊

Zomersneeuw| verhaal

“Lentebloemen?” roept ze verrast, of enigszins sarcastisch; het is tenslotte geen lente meer. Ze buigt met haar gezicht richting de verse narcissen die ik voor haar meegebracht heb. Diep inhaleert ze de geur.

“Zoals ik altijd al zeg, mijn reuk is weg.” Resoluut trekt ze haar hoofd terug en vraagt mij de bloemen in een vaas te zetten. Op de salontafel. Maar ik moet wel opletten dat ik de juiste vaas pak, niet die hele zware want dan kan ze zelf het water niet verversen. Er is, zo moet ik weten, niemand om haar daarbij te helpen, ze zal dat allemaal alleen moeten doen, ze ratelt door vanuit de keuken waar ze voor mij uit heen is gelopen. Leunend op haar stok.

Bijna voel ik mij schuldig over de meegebrachte bloemen.

De sleutel uit het sleutelkastje naast de voordeur stop ik in mijn broekzak voordat ik op mijn tenen reik naar een vaas.

Een lichte. Maar ook weer niet te licht, dan kiept hij weer snel.

Over drie uur zal ik de deur weer voor haar afsluiten. In gedachten herhaal ik de code: een, negen, twee, vijf. 1925. Gister is ze 92 jaar geworden.

Zomerzon werpt brede banen licht tussen de lamellen door.

Ze zit midden op de groene ribfluwelen bank in een van deze banen met haar ogen dicht. Als een kat.

Haar smalle enkels en polsen verraden de breekbaarheid van haar lichaam onder de dikke lagen kleding. Ze is licht; het is alsof de kussens haar niet hoeven te dragen.

Haar handen, knokige dooraderde klauwtjes, liggen ineengevouwen in haar schoot. Zacht wrijft ze deze over en langs elkaar.

Ik schraap mijn keel. Zweet loopt in kleine straaltjes van mijn rug. Niet vanwege het harde werken. Mevrouw heeft alles al brandschoon. Soms verdenk ik haar ervan de dag voor mijn wekelijkse komst zelf snel het hele huis door te werken. De deuren en ramen zitten potdicht. De zon beukt meedogenloos op de ramen en mijn hoofd bonkt licht.

Vandaar.

“Wat is er kindje, ben je klaar? Zou je anders de koffie voor ons willen zetten? De kopjes heb ik al voor ons klaar gezet.”

Zonder morsen schenk ik het water en schep de koffie in de machine. Uit de servieskast pak ik onze kopjes en zet ze klaar. De koelkast zoemt en trekt mijn aandacht. Ik trek hem open. Wat houdbare producten, ongeopend en het koelen niet waard staan voor een pak melk en een pot mayonaise. Maanden over datum. De koffie pruttelt dat ze klaar is terwijl ik de koelkast bevrijd van de dingen die niet meer kunnen.

Herfstbladeren, eikeltjes en twee kleine vogeltjes sieren mijn kopje. Mevrouw heeft dat met de kleine aardbeitjes erop. We nippen en ze vraagt of ik alle natte doeken te drogen heb gehangen. Ik knik. De stofzuiger staat weer uit elkaar gehaald in de krappe trapkast. Ze vouwt haar handen om het kopje. “Kindje, ik kan ze niet meer warm krijgen. Zelfs nu niet. Moet je voelen.” Haar uitgestoken hand raakt met de vingertoppen de mijne en ik voel vier koude puntjes. Denk ik. Ik knik. Of er nog iemand op haar verjaardag is geweest, vraag ik haar en neem een grotere slok van mijn koffie.

Haar blik wordt troebel. “Wie zou er op mijn verjaardag moeten komen? Er is niemand meer over. Niemand. Dat is de ellende van oud worden. Ik ben altijd maar alleen.”

Ik slik.

“Maar morgen is het donderdag, dan komt uw zoon toch?”

Ze zucht. Diep. “Ja, morgen komt Rob. Dan doen we even wat boodschapjes.” Ze kijkt op van haar kopje en vraagt of ik heb gezien hoe leeg de koelkast is. Ik beaam. Maar voor vanavond heeft ze nog soep verzekert ze mij. En in de vriezer ligt brood.

“Honger heb ik niet hoor. Wel gehad. Heb ik je wel eens verteld over die winter? Wanneer was het ook alweer?” Haar blik gaat op oneindig en mijn gedachten ook. Ze vertelt.

Dan schuift een wolk voor de zon. Een kleine windvlaag bevestigt het weerbericht van vanmorgen en de klok begint te slaan. Het is twaalf uur en ik moet verder. Mijn kopje is leeg. Op de tafel naast de narcissen mag ik hem laten staan. Zij zal ze later opruimen. Want ze heeft verder weinig omhanden, zegt ze.

Winterjassen opzij drukkend vind ik mijn eigen spijkerjasje terug. ‘Dat is toch veel te koud!’ Ze loopt op mij toe maar ik heb al braaf mijn jas dichtgedaan, tot de laatste knoop aan toe. Goedkeurend knikt ze naar me. “Ga maar snel kindje, anders kom je nog te laat.” Ze doet een pas naar achter, richting haar leven, naar de rest van deze stille dag. De deur draai ik achter mij in het slot, al twee jaar lang.

Het slot van mijn fiets knerpt open en trekt de aandacht van de overbuurman. Geknield zit hij in zijn tuintje de zwarte aarde tussen de strijdende struikjes om te woelen met wat gereedschap. Hij staat op, klopt zijn handen onhandig af aan de zijkanten van zijn broek en maakt aanstalten mijn kant op te komen. Het pad aflopend ga ik hem vanzelf tegemoet.

“Goedemorgen. Of nee, goedemiddag alweer!” zegt hij, ietwat nerveus glimlachend.

“Hoi.” Ik zet mijn trappers recht. Startklaar.

“Jij bent de oude hulp toch? Mag ik wat vragen?”

Ik moet lachen. “Zo oud ben ik toch ook weer niet?”

Schaapachtig kijkt hij mij aan, ik ben minimaal twintig jaar jonger.

“Nou ja, je begrijpt me wel.”

Ik snap hem niet.

“Eh, weet je misschien wanneer het te koop komt?” Hij wijst naar het huis waar ik net de deur van heb dichtgedraaid.

Ik haal mijn schouders op. “Nee, geen idee. Dat zal haar zoon wel weten denk ik?”

Hij vraagt mij of ik het niet weet.

Wat zal ik niet weten? Ik heb geen idee, kijk hem aan en schud mijn hoofd.

Hij haalt een zanderige hand door zijn haar. Stof dwarrelt om zijn gezicht. “Twee maanden geleden zat ik daar ook.” Hij wijst in de richting van zijn tuintje. “Een tuin vergt toch meer aandacht dan je zou denken, zelfs een van dit formaat.” Het is een klein tuintje.

“Het was een warme lente dag geweest, rond een uur of zeven stopte er een politieauto bij haar voor de deur. Later hoorde ik dat zij kwamen vertellen dat haar zoon overleden was. Auto ongeluk.”

Ik blijf hem aankijken.

“Diezelfde nacht overleed ze. Rob was de enige die ze nog had. Wij, mijn vrouw en ik, vermoeden dat ze van verdriet gestorven is.”

Hij kijkt naar zijn handen en pulkt de prut onder zijn nagels vandaan.

“Ow…kee?”

Ik zet mijn voet op het pedaal en stap op de in beweging gebrachte fiets.

“Ik moet gaan, ik ben al laat.”

De wind waait de bloesem uit de kersenboom in haar tuin de straat door.

Het dwarrelt op mijn haar, schouders en in mijn gezicht. Als zomersneeuw ligt het op mij en mijn hart, dat de gemiste slagen inhaalt.