Er was eens…|Verhaal

Afgelopen januari gepubliceerd (in twee delen) op de site: Voorleestuin.be

Er was eens een kind, een jongetje, dat vaak Roodkapje werd genoemd. Dit kwam niet omdat hij altijd een roodkapje ophad. Nee natuurlijk niet. Dit kwam door zijn oma, die altijd rode mutsjes voor hem haakte. Vroeger. En hem dan Roodkapje noemde. Oma hield van gekke namen. Oma noemde zijn mama altijd Muisje en als ze papa nodig had riep ze: ‘hee bolle!’

Dat was heel gek want papa was juist helemaal niet bol.

‘Doe je rits eens dicht,’ zei mama terwijl ze het mandje op de grond zette om zelf zijn rits dicht te doen.

‘Dat kan ik zelf wel hoor,’ zei hij streng. Mama vergat soms dat hij geen kleuter meer was.

‘En je capuchon?’ Ze ging al met haar handen naar hem toe maar hij schudde snel zijn hoofd. Hij ging natuurlijk niet met een mandje én een rode capuchon op naar oma. Wat dacht mama wel niet zeg!

‘Je weet de weg? Op de stoep blijven, dan linksaf om het park heen…’

‘ja- ha,’ zuchtte hij. ‘Daarna weer naar links en de derde straat naar rechts.’

Mama knikte tevreden. ‘En niet door het park dus he?’

‘Nee-hee.’ Hij stak zijn hand uit en pakte het mandje aan. ‘Als ik straks terug ben mag ik nog gamen, he?’

‘Ga nu maar.’ Mama duwde hem zachtjes de goede richting op.

Het mandje was niet licht. Er zaten wat dingen in om oma op te vrolijken, had mama verteld.

Oma was thuis van haar werk, ze was gevallen met haar fiets. Ze had zo’n snelle fiets. ‘Levensgevaarlijk die dingen!’ riep papa een paar dagen geleden toen mama de telefoon uitdrukte en vertelde wat er was gebeurd met oma.

Hij wisselde voor de vierde keer van hand. Het mandje leek steeds zwaarder te worden.

Wat zou er inzitten?

Hij zette het op de grond en keek: een tijdschrift, een reep chocolade (He, jammer met nootjes, die lustte hij niet) een klein bakje druiven (die gaat oma straks aan hem geven, oma vindt fruit belangrijk. Iets met vitamines ofzo) de zelfgemaakte cake van mama, waar papa en hij geen plakje van mochten proeven, een spuitbus slagroom én een bosje tulpen.

Toen hij weer verder wilde lopen zag hij dat hij precies bij het bruggetje stond. Het bruggetje waar ze vaak de eendjes voeren, het bruggetje naar het park.

Als hij over het bruggetje, over het slingerende fietspad langs de glijbaan en de wipkip zou lopen zou hij sneller zijn. Als hij deze weg zou nemen zou hij vast en zeker twee keer zo snel zijn. Mama zei zelf altijd dat dit de snelste weg was naar oma.

In de verte zag hij de bovenkant van de glijbaan, hoorde hij kinderen lachen en een fietsbel vrolijk rinkelen. Oma vindt het vast fijn als hij er eerder is. Ze is dol op chocolade met nootjes.

Zijn voetstappen klonken gek op de brug. Hij zag tussen de kieren door een witte en een bruine eend. Jammer dat hij geen brood mee had, dacht hij.

‘Ho! Pas op!’ Vlak voor zijn voeten stopte een fietswiel. Hij keek op.

De geschrokken meneer stapte af en zette zijn fiets tegen de reling. In zijn hand hield hij een zak vol met brood.

‘Daar deed ik je bijna pijn, jongeman.’ De stem van de man klonk donker en boos, maar hij glimlachte.

Tussen zijn donkere, lange haren en wilde baard glommen zijn groene ogen en witte tanden.

‘Sorry meneer, ik keek naar de eenden.’

‘Houd jij ook zo van eenden? Hier. Help mij maar even.’ Een harige hand met lange vuile nagels graaide in de zak brood en gaf hem drie sneetjes oud witbrood.

‘Of heb je haast?’

‘Een beetje,’ zei hij en gooide ondertussen stukjes brood naar de twee eenden.

‘Waar moet je heen met dat mandje? Ziet er goed uit.’ Hij veegde met de mouw van zijn vest wat kwijl van zijn mond.

‘Mooi he? zei hij en stak zijn twee armen naar voren. ‘Echt wol. Weet je waar dat van gemaakt is?’

Natuurlijk wist hij dat, hij was geen peuter meer. ‘Ja van een schaap.’

‘Bingo!’ zei de baard en hij geeft hem nog een half sneetje krentenbrood.

‘Waar ging je heen zei je nou?’

‘O, naar mijn oma. Ze heeft een zere rug ik ga haar wat spulletjes brengen.’

‘Alleen? En je weet de weg? Daar geloof ik niks van!’ De groene ogen van de man keken hem verbaasd aan.

‘Pfff, ik ben er al duizend keer geweest. Het fietspad af, het andere bruggetje over en meteen naar rechts. Daarna de eerste straat links en dan het eerste huis. Simpel.’

Nog voordat de man iets kon zeggen, zei hij: ‘Ja ik weet wat links en rechts is, ik ben al groot.’

De twee harige handen hielden de broodzak op zijn kop en schudden de kruimels in het water.

‘Waarom pluk je onderweg niet nog wat bl… eh brámen voor je oma? Die zijn hartstikke gezond. Daar zal ze blij mee zijn. Weet je waar ze groeien?’ Met een puntige nagel wees hij naar een klein zijpaadje waar alle mensen altijd met de honden lopen. Het was niet ver van het pad. Bramen zijn natuurlijk ook fruit. Met vitamines. Hij kon best even stoppen om wat bramen te plukken nu hij toch de snelle weg had genomen.

Hij drukte op de bel: Ding-Dong!

En nog eens.

Toen deed hij het klepje van de brievenbus open en riep: ‘Oma?’

‘De sleutel ligt onder de mat!’ riep een krakerige stem terug.

Was oma soms verkouden, of deed haar rug zo veel pijn dat ze niet goed meer kon praten?

‘Hoi Oma! Ik ben het,’ riep hij en hij keek oma’s woonkamer door. De gordijnen waren gesloten, het was donker maar op de bank onder een stapel dekens zag hij iets bewegen.

‘Kom verder kindje,’ zei ze weer met schorre stem en een hand met een paarse handschoen aan kwam onder de dekens vandaan. Ze wenkte hem: ‘Kom eens hier.’

Stapje voor stapje schuifelde hij dichterbij.

Ze had ook een paarse glittermuts op zag hij toen hij vlak naast de bank stond. Hij kon alleen één oor zien, de rest hield ze onder de dekens.

Hij kreeg een gekke kriebel in zijn buik.

‘Oma ik heb lekkere dingen voor je mee van mama,’ zei hij zachtjes.

‘Dank je, dank je, kindje.’

Hij keek nog eens naar het oor van oma. Wat was hij gek groot, dat was hem nog nooit opgevallen.

‘Oma, waarom steekt uw oor zo uit?’

‘Dat, kindje is om je beter te kunnen horen.’

Hij keek naar de paarse handschoen.

‘Oma waarom heeft u van die gekke handschoenen aan?’

‘Dat kindje…ehh, bemoei je daar eens even niet mee! Ja?!’ zei de stem boos.

‘Nou, oma wat geeft u een grote mond!’ zei hij geschrokken.

De dekens kwamen langzaam in beweging.

Oma ging rechtop zitten. Deed haar handschoenen uit.

Een hand met vieze, lange nagels trok de paarse muts van haar hoofd.

‘Grote mond? Grote mond! Dat maak ik zelf wel uit. Kom hier jij!’ Van onder de dekens sprong de harige man op hem en greep hem bij zijn arm.

‘Natuurlijk heb ik een grote mond. Ik sterf van de honger. Meekomen jij, kleintje!’ Hij sleurde hem mee naar de grote voorraadkast.

‘Waar is oma? Wat heb je met mijn oma gedaan?’ riep hij boos.

‘Houd je snavel jij!’ Met een harde duw smeet hij hem in de kast en draaide hem op slot.

Het was donker in de kast. Alleen door het sleutelgat scheen een straaltje licht. ‘Hoi Roodkapje,’ klonk er vanuit het donker achter hem. Het was de stem van oma. ‘Oma. Noem me toch niet altijd zo,’ zuchtte hij terwijl hij zijn oog tegen het sleutelgat aan drukte.

De gordijnen waren dicht, maar alle lichten brandden.

In een grote sporttas zag hij oma’s laptop, haar tablet en zilveren kandelaars gepropt zitten.

‘Zo, dat is dat,’ mompelde de man tevreden en ritste de tas dicht.

‘En nu eerst ETEN!’ Hij vulde een pan met water en zette het vuur hoog.

Nadat hij groentes in het kokende water had gedaan, pakte hij de grootste snijplank en het scherpste mes.

Hij legde het mes naast de plank op de keukentafel en zei: ‘Alleen het vlees nog. Ik heb genoeg voor drie weken soep.’ En hij keek naar de kastdeur. Hij stond op, pakte de sleutel van tafel en liep op de kast af toen…

Ding-Dong.

‘Wel getverderrie,’ mopperde de man.

Ding- Dong.

‘Dat is de buurvrouw, mevrouw Jager,’ zei oma tegen de dichte deur.

‘Stil daarbinnen! Laat ik jullie niet nog eens horen of er zwaait wat!’ gromde de man hen toe.

De voordeur werd geopend.

‘HELP, HELP, MEVROUW JAGER, HELP ONS! HIJ HEEFT ONS OPGESLOTEN!! Met voeten en vuisten ramde hij tegen de dichte kastdeur.

Er klonk gestommel, geschreeuw en gegil vanuit de woonkamer. Toen werd het stil.

Voetstappen kwamen langzaam op de kastdeur af, de sleutel ging in het slot en langzaam, heel langzaam ging de deur open.

En daar in de deuropening stond het allerkleinste en waarschijnlijk ook het alleroudste vrouwtje dat hij ooit zag. Met in haar hand een grote bruine handstas. Ze klopte even op de tas en zei: ´Ik had knikkers voor je mee, kindje. Drie grote zakken. Deze tas weegt een ton. Daar had die vuilak niet van terug.´ Ze sloeg een oude hand voor haar mond. ‘Pardon,´ zei ze.

Oma schonk de thee in en mevrouw Jager verdeelde de chocolade op een schaaltje.

‘Nou jongen. Je hebt gelijk, ik zal je geen Roodkapje meer noemen. Je bent al zo groot. En moedig, erg moedig. Ik durfde mij niet te verroeren.’

Ze keek hem aan. ‘Hoe zal ik je dan noemen. Iets met held? Super Hero?’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee oma. Ik weet hoe u mij kan noemen: Sil. Want dat is tenslotte gewoon mijn naam.’

Oma lachte en proostte met de thee. ‘Op Sil, zei ze blij. Sil proostte mee. Voorzichtig.

‘Was er niet een tv programma vroeger? Sil de Strandjutter?’ Oma keek mevrouw Jager vragend aan.

‘Omá…’ zei Sil streng.

‘Sorry Sil.’

En ze leefden nog lang en gelukkig.

Appeltje-Eitje| Verhaal

~Opgenomen in de verhalenbundel “Droomverhalen”~

 

‘Nadat ik vervolgens die appel – groot en rot, ik ruik hem nog- afwendde met mijn linkerarm leek het vrijwel direct alsof mijn rechterzij uit elkaar spatte. Maar dat, die appel en de pijn die ik nu zelfs nog vaag voel sluimeren, was niet het ergst. Nee de wanhoop, de collectieve paniek van de anderen om mij heen lijkt wel in mijn hart gekropen. Kijk, mijn handen trillen er zelfs van.’
Eva stak haar hand naar voren over de ontbijttafel. Tussen de retro beschuitbus en het porseleinen botervlootje hield ze haar slanke, bleke hand met de lichtroze gelakte niet al te lange nagels. Perfecte handen om divers etenswaar mee te etaleren op de foto’s die ze maakte voor haar foodblog. Ze trilden inderdaad licht, maar dit zou ook kunnen komen door de zakelijke bespreking die voor half elf op het programma stond deze ochtend.
‘Ja, lijkt me wel een gave film hoor,’ zei de warrige haardos met ontbloot bovenlichaam vanaf de andere kant van de tafel.
‘Wat?’ Eva’s stem had de trilling van haar handen overgenomen.
‘Wat ik zeg. Gave film denk ik. Ik bedoel, als je handen er nu al van trillen zal het wel wat zijn toch?’ Zonder haar aan te kijken nam hij een slok uit het gebloemde antieke kopje en zette het naast het bijpassende schoteltje op het tafelkleed. In gedachte zag ze de lichtbruine thee al een kring maken onder het kopje en in haar dure linnen kleed.
Eva stond op en schoof haar stoel ruw achteruit. ‘Fijn dat je altijd zo goed naar mij luistert. Veel succes vandaag Eva, met je bespreking. En ik hoop dat je vannacht niet meer zo naar droomt,’ sneerde ze spottend naar haar niet luisterende wederhelft.

Ze trok haar sleutel uit het slot en pakt haar grote rieten tas uit haar fietsmand. Zogenaamd een nonchalant lijkende strandtas maar deze kwam niet voor negen euro vijfennegentig van de woensdagmiddagmarkt. Hier was een hele woensdagmiddag online speuren aan gespendeerd plus een behoorlijk aantal euro’s.
In de schaduw van de grote Waag overzag ze het plein vol terrasjes. Het was nog vroeg maar dankzij de eerste mooie lentedag van dit jaar waren de meeste stoelen gevuld. Even zag ze zichzelf weer als tiener, gearmd met haar vriendinnen op zaterdagnacht over dit zelfde plein zwalken; de tafels en stoelen reeds opgestapeld naast de deuren van de verschillende cafés.
De lentebries, die in tegenstelling tot de lentezon wel tot bij haar kon komen deed de haartjes op haar blote armen omhoog schieten. Hij maande haar tot actie en ze liep resoluut op het lege tafeltje in het midden van het plein af.
Ziezo wat nu, dacht ze en keek even naar de tijd op haar telefoon. Ruim twintig minuten te vroeg. Ze appte haar locatie naar het door het bureau doorgegeven nul-zes nummer en besloot de kaart te raadplegen. Als ze nu eens een specialiteit van het huis en een cappuccino nam, dan kon ze er nog een klein item op Facebook aan wijden. Fotootje/filtertje en klaar.
Nu ze op de plaats van bestemming was en zich nergens meer druk over hoefde te maken zag de droom van vannacht kans om weer naar de actieve delen van haar gedachten te kronkelen. Het liet haar maag een beetje draaien, haar hartslag iets versnellen evenals haar ademhaling en de kleine trilling in haar handen was weer terug. Of kwam dit door haar boosheid? Door de realisatie dat haar droomrelatie niet meer was dan een gefilterde foto op facebook; inhoudsloos en zonder een enkele vorm van de waarheid te reflecteren.

Zo zat ze een tijdje terwijl de nachtmerrie – waarvan de specifieke details ontbraken maar waar het gevoel des te beklemmender door werd- wedijverde met de overpeinzingen over haar droomman totdat de lege stoel aan het tafeltje naar achter schoof en er een persoon bij haar aanschoof.
‘Goedemorgen, Eva neem ik aan? Ik zal mij even voorstellen, mijn naam is Harm. Wij hebben elkaar nog niet gesproken geloof ik?’ Eva nam de uitgestoken hand aan, glimlachte en zei: ‘Klopt, ik ben Eva. Eva de Waard. Ik heb contact gehad met Esther, over de mail en de telefoon.’
De grijnzende grijzende man van middelbare leeftijd maar met een hippe hipsterbaard, Harm dus, liet haar hand los en vist een map uit de tas naast hem op de grond.
‘Goed. Waar het in deze campagne voornamelijk om draait…o, ik weet niet of je de brochure van de opdrachtgever al hebt ontvangen?’
Eva schudde ontkennend haar hoofd, Harm draaide de map 180 graden om en schoof hem haar kant op.
‘De opdrachtgever is de grootste appelproducent van Nederland en wil graag…’ Harms woorden worden naar de achtergrond gedwongen door het suizen van het bloed door haar hoofd, door de krachtige slagen van haar hart en door de geluidloze schreeuwen van alle vezels in haar lichaam.
Het plein rondom haar lijkt te zijn verdwenen en het enige dat ze ziet zijn de grote groen met rode appels op de pagina’s voor haar. Ze ziet in gedachte de rotte appel weer op haar afkomen, ruikt de geur weer en de steek in haar rechterzij steekt de kop weer op.
Resoluut drukt ze de map terug over het tafeltje.
Met beverige stem zegt ze: ‘En voor wanneer was dit precies? Wat is de deadline?’ Ze zou hoe dan ook zorgen dat ze die niet kon halen. Alle interne alarmbellen gingen af. Zelfs al zou dit betekenen dat ze alsnog die mega suffe opdracht van Daphne moest aannemen in New York.
‘De bedoeling is om de eerste artikelen over twee weken online te hebben. Ga je dat redden?’ Harm keek vol zelfvertrouwen naar Eva op maar zijn glimlach verstilde bij het zien van haar verschrikte blik.
‘Ach wat jammer. Ik vlieg volgende week voor een opdracht naar New York. Het ligt al maanden vast.’ Ze haalde in een soort van verontschuldiging haar schouders op en maakte meteen de mentale notitie om vanmiddag Daphne te mailen en de opdracht alsnog aan te nemen. Ze voelde een soort van opluchting, vast ook door het idee om even van thuis weg te zijn. Even weg bij hem.

*
‘Je zorgt maar dat het lukt! Die bespreking kan makkelijk via Skype.’ Hij drukte, eerst twee keer mis, op het rode knopje – geen echt knopje, slecht een weergave ervan- van de telefoon en legde hem iets harder dan nodig op zijn bureau.
Met zijn zachte kantoorklauwtjes- zo noemde zijn vrouw ze altijd- wreef hij even over zijn gezicht en haalde vervolgens zijn handen door zijn nog niet dunner wordende blonde haar. Of leek het wel minder? Hij voelde nog eens maar kon geen uitsluitsel aan zichzelf geven.
Hij pakte zijn agenda erbij, een echte neplederen, en bladerde terug. Hij telde binnensmonds mee en kwam tot de conclusie dat hij na zijn vliegangstcursus toch zeker minimaal zeven keer gevlogen had. Zonder een greintje last. Wat was dit dan?
Drie kleine maar ferme klopjes op de deur, die vrijwel meteen na de derde klop openging, deden hem uit zijn agenda opkijken.
‘Je weet dat de vlucht vanavond is en de bespreking morgenochtend?’ Twee boze bruine ogen keken hem vanonder een strakke, donkere pony aan. Ze hield haar leesbril in haar linkerhand aan het pootje bungelen. Het is nog maar een paar jaar geleden dat ze die dingen begon te gebruiken, het maakte haar oud vond hij. Hij nam haar vluchtig in zich op en liet zijn ogen langs haar onberispelijke secretaresse outfit gaan: zwarte kokerrok, wit bloesje met korte mouwen en niet al te hoge hakken.
‘Wat is er aan de hand? Is het zachte ei weer in je naar boven gekomen? De held op sokken? Kom op Geer, wat denk je dat die cursus heeft gekost?’
Gerard haalde onverschillig zijn schouders op. Het was toch fiscaal aftrekbaar, of niet soms?
‘Zal ik dan meteen maar even navragen of er ruimte is op de herhaalcursus? Je weet dat je de tweede bespreking niet weer over de computer kan laten lopen. Ik boek je vlucht voor vanavond om, maar daarna is dit gedoe voorbij.’
Van het stralende humeur waarmee ze vanmorgen aan de ontbijttafel was verschenen, ze waren gisteravond extra vroeg onder de wol gedoken zoals dat zo lekker ouderwets heet, is niets meer over. De sacherijnige blik maakte haar, net als het dragen van die stomme leesbril, oud en ongezellig.
‘Prima. Verder nog iets?’ Gerard bewoog zijn muis over de muismat en staarde naar het zwarte, maar voor zijn vrouw en tevens secretaresse, onzichtbare computerscherm.
Ze schudde even snel haar hoofd, haar kleine donkere staartje schudde koddig mee en verliet de kamer.

‘Wil je nog een glaasje?’ Laura zijn vrouw stond met haar rug naar hem toe de groentes te wokken. Het was Vrijdag Vegadag. Gelukkig mogen druiven dus wel, ook gebottelde.
Hij schonk zonder antwoord af te wachten alvast beide glazen halfvol en liep zachtjes op haar af. Misschien had hij niet zo bot moeten doen vandaag dacht hij terwijl hij haar zachtjes wilde aantikken om haar glas aan te rijken. Juist op dat moment besloot Laura al uit zichzelf om te kijken en het glas met rode wijn belandde over haar hagelwitte schort. Haar aanblik ging in een enkele seconde van keurige huisvrouw naar woeste slager.
Gerard deinsde achteruit, liep daarbij zijn stoel omver en bleef bleek en trillend bij de open keukendeur staan, zichzelf ondersteunend aan de deurpost. ‘Wat doe je Geer? Gooi eens een oude doek. Wat sta je daar nou?’ Zichzelf droogdeppend met de pannenlap en door wokkend zag ze niet hoe haar man zichzelf op de grond liet zakken en zachtjes begon te huilen.
Een herinnering kwam naar boven. Of was het wel een herinnering? Misschien was het een droom of een waanbeeld? Een man, zijn gezicht is niet te zien komt op hem af. Hij zit zelf in zijn stoel maar de man staat en helt voorover. Over hem heen. Hij gaat op hem vallen, dat is zeker. Zijn kleding zit onder dezelfde vlekken als het schort van zijn vrouw. Alleen is het geen wijn. Een grote natte brei zit op de plaats van deze onbekende meneer zijn buik. Repen groen shirt hangen over zijn gehavende lichaam. Darmen, althans hij denkt dat het darmen moeten zijn, bulken naar buiten door de opengereten wond. Als hij zijn gezicht afwendt ziet hij verschillende tassen. Iemand naast hem slaakt een gil en pakt zijn arm vast waardoor zijn laptop hard dichtklapt op zijn schoot. Hij hoort zichzelf roepen: ‘We gaan eraan. We vallen.’
Hij hoorde iemand roepen: ‘Geer, Geer!’ Een natte lap sloeg hard in zijn gezicht en de chaos van zijn gedachten verdween en maakte plaatst voor de aanblik van zijn vertrouwde keuken.
‘Gerard Koning, verdorie doe normaal!’ Gerard zijn ogen haakten in de bruine, ongeruste ogen van zijn vrouw en dit liet zijn hartslag dalen, zijn ademhaling kalmeren en zijn schudden overgaan tot een lichte trilling.
‘Misschien kan ik beter voor de uitgebreide herhalingscursus gaan Lau,’ zei Gerard terwijl hij geruststellend probeerde te glimlachen.
Laura omarmde hem stevig en knikte. ‘Ik zal morgen meteen even bellen. Anders kunnen we de zaak wel opdoeken, zacht ei.’

*
‘Goedemiddag. Ik hoop niet dat mijn muziek te hard staat?’ Richard kijkt naar zijn twee dichtstbijzijnde reisgenoten en wijst met een gebruinde vinger naar zijn koptelefoon die hij even van een oor afhoudt. De blonde meneer, aan zijn pak te zien is hij op zakenreis, neemt niet de moeite op te kijken van zijn scherm. Met een geconcentreerde blik leest hij stug door en haalt zo nu en dan een bleke, ietwat mollige hand door zijn dunner wordende haar.
Nou best, dan zal hij mijn muziek ook niet horen, denkt Richard en ziet ondertussen dat het blonde meisje – het zal vast een vrouw zijn maar in zijn oude ogen is dit een meisje- een duim omhoog steken. Ook zij kijkt niet op van haar boek.
Haar blonde haren, ze zullen vast lang zijn dat hebben die meiden allemaal tegenwoordig, zitten in een grote rommelige bundel boven op haar hoofd. Haar slanke vingers met lichtroze gelakte nagels slaan langzaam een pagina van het boek om.
Zal ze blauwe ogen hebben net als Emilie, zijn dochter? Met twee handen strijkt hij zijn lange grijze haren achter zijn oren, slaat zijn benen over elkaar en wipt zachtjes met zijn in een lederen sandaal gehulde voet op en neer.
‘Zou u daar mee willen stoppen?’ zegt de laptop meneer zonder op te kijken.
‘Hoezo, stoort het u?’ Richard beweegt zijn voet nog steeds.
De vermoeide ogen van de laptop man kijken hem nu aan en Richard ziet niet wat hij verwachtte. Geen irritatie, geen boosheid maar slechts angst en verwarring. Zenuwen.
‘Geen probleem,’ zegt Richard en zet beide voeten naast elkaar op de vliegtuigvloer.
Had hij Emilie toch moeten bellen? Het is meer dan tien jaar geleden dat ze elkaar gesproken hebben en om dan nu opeens voor haar deur te verschijnen is niet niks.
Zal hij het niet gedaan hebben om op het laatste moment nog terug te kunnen krabbelen? Om, nadat hij helemaal naar The Big Apple is gevlogen met haar adres in zijn broekzak, niet aan te bellen maar rechtsomkeer te maken?
Hij ziet het blonde meisje haar boek dichtklappen en op haar schoot leggen. “Dromen verklaard” leest hij in paarse letters op de kaft.
Kippenvel kruipt langzaam over zijn blote armen.
Zal hij haar niet hebben durven bellen door zijn droom van vorige week? Die afschuwelijke bizarre nachtmerrie waarin zijn dochter schreeuwde zonder geluid, met grote blauwe ogen die hem vol weerzin aankeken.
De hele week heeft het hem een naar onderbuikgevoel bezorgd. Hij laat zijn blik nog eens gaan over het boek en het bijbehorende meisje. Zal Emilie ook haar nagels lakken? Misschien heeft ze haar haren wel rood geverfd inmiddels, of…
Er ontstaat wat commotie in de rij stoelen achter hem en nog voordat hij zich heeft kunnen omdraaien om te ontdekken waar de drukte om gaat klinkt er een luide stem in een onbekende taal. Hij schreeuwt boze woorden. Duidelijk en onverstaanbaar.
Richard staat op.
Een warme, snijdende pijn schiet door zijn rug en neemt bezit van zijn hele romp.
Hij ziet de ogen van het meisje groot worden en haar handen naar haar rechterzij gaan waar een rode vlek zich verspreidt op haar witte shirt. Ze opent haar mond maar er komt geen geluid. Niets.
Ze valt opzij met haar hoofd op de schoot en op de laptop van haar buurman, haar gezicht slechts enkele centimeters verwijderd van de grote witte appel met de hap eruit.
Richard maait met zijn armen om houvast te krijgen, hij voelt zichzelf licht worden in zijn hoofd en helt over naar de meneer.
De pulserende pijn in zijn lichaam, de knallen om hem heen in het vliegtuig, de paniek, het geschreeuw, en de ogen vol afschuw van de meneer naast hem beginnen allemaal te vervagen. Te vervagen als in dichte mist. Tot hij zich weggezogen voelt worden als uit een diepe slaap. Terug naar waar hij hoorde ooit. Hoopt hij.
Weg.

Afbeelding: Unsplash, J. Ortega

Nog even…|Verhaal

~Opgenomen in de Sweek bundel na inzending voor de zeer korte verhalenwedstrijd met als thema: brief.~

Tailly, 3-3-2018

Mijn Liefste,

Nog even en het is alweer een jaar geleden. Ik mis je iedere dag een beetje meer dan de dag ervoor.

Het was niet altijd zo. In het begin, vlak nadat je vertrokken was, vond ik rust in ontkenning. Ik deed voorkomen alsof de tijd ná jou de betere tijd in mijn leven was. Uren lag ik alleen op het strand te bakken in de zon. Avond aan avond zat ik op de veranda te genieten van de stilte. Het was ook heerlijk, maar anders en maar voor even zo bleek.

Al snel werd het onrustig, onstuimig en een grauwe sluier hing over mijn dagen. Soms probeerde ik er nog tegenin te gaan, maar al snel kwam de acceptatie dat het zo zou zijn en ik liet mij buiten liever niet meer zien.

Het zou alleen niet zo blijven. Was het maar zo! Het werd uiteraard nóg slechter, donkerder en killer. Ik verkilde-tot op het bot- en stompte af tot een schim van wie ik ooit was, ik verbleekte.

De dagen met jou leken verder weg dan ooit en ook al had je mij beloofd terug te keren, mijn vertrouwen hierin werd naarmate die dag naderde steeds kleiner. Niet logisch maar niet minder waar. Gevoel is niet rationeel.

Maar nu lijkt het tij zich te keren, bleek er nog ergens hoop in mij verscholen. De dagen zijn telbaar, ook al doet nog niets je komst vermoeden: je komt eraan.

Nog 18 dagen tot ons weerzien, mijn lieve lente.

Vizier|Verhaal

Hij zit. Heb je hem in het vizier?

Vermoeid had hij de laptop opengeklapt en staarde naar het blanco scherm. ‘Kom op,’ fluisterde hij tegen zichzelf. Zijn online lezers wachtten al vanaf zeven uur op een update. Het was inmiddels half tien. 250 woorden, wat moord en doodslag en dan het liefst luguber.

…Evelien opende de deur, de aangereikte pizzadoos en nog voordat ze kon betalen was de bezorger gevlogen. Verbijsterd liet ze de geopende doos vallen, opgerolde ingewanden kletsten op het stoepje.
Hij zuchtte en probeerde er niet aan te denken dat er niemand op zijn verjaardag was gekomen vandaag. Het mislukte.
‘Tring.’
Met een sprankje hoop opende hij de deur. Op zijn stoepje stond een pizzadoos. Er zat geen pizza in, dat zag hij meteen. Hij kokhalsde.

Met trillende vingers, in de war en de doos in de kliko vervolgde hij zijn werk.
…waarna de achterdeur open kraakte en doffe stappen dichterbij kwamen. Evelien…
Een vlaag tocht streek langs zijn hals. Kippenvel.
Met puddingbenen liep hij naar zijn achterdeur en sloot hem resoluut.
Terug achter het scherm nam hij een flinke slok uit de onderweg mee gegriste fles.

…Evelien hoorde de voetstappen op de bovenverdieping.
Hij stopte met typen, haalde onregelmatig adem en hoorde het ook. Hij slikte. Stond op.

Plots: deuren vlogen open. De trap maakte kabaal. Lichten vlogen aan en toeters schalden.
‘Gefeliciteerd!’ Ze stormden de kamer binnen. Zijn vrienden. De etters.

Missie geslaagd. Zullen we hem een virusscanner cadeau doen? Zijn laptop camera afplakken?
-😊

Zomersneeuw| verhaal

“Lentebloemen?” roept ze verrast, of enigszins sarcastisch; het is tenslotte geen lente meer. Ze buigt met haar gezicht richting de verse narcissen die ik voor haar meegebracht heb. Diep inhaleert ze de geur.

“Zoals ik altijd al zeg, mijn reuk is weg.” Resoluut trekt ze haar hoofd terug en vraagt mij de bloemen in een vaas te zetten. Op de salontafel. Maar ik moet wel opletten dat ik de juiste vaas pak, niet die hele zware want dan kan ze zelf het water niet verversen. Er is, zo moet ik weten, niemand om haar daarbij te helpen, ze zal dat allemaal alleen moeten doen, ze ratelt door vanuit de keuken waar ze voor mij uit heen is gelopen. Leunend op haar stok.

Bijna voel ik mij schuldig over de meegebrachte bloemen.

De sleutel uit het sleutelkastje naast de voordeur stop ik in mijn broekzak voordat ik op mijn tenen reik naar een vaas.

Een lichte. Maar ook weer niet te licht, dan kiept hij weer snel.

Over drie uur zal ik de deur weer voor haar afsluiten. In gedachten herhaal ik de code: een, negen, twee, vijf. 1925. Gister is ze 92 jaar geworden.

Zomerzon werpt brede banen licht tussen de lamellen door.

Ze zit midden op de groene ribfluwelen bank in een van deze banen met haar ogen dicht. Als een kat.

Haar smalle enkels en polsen verraden de breekbaarheid van haar lichaam onder de dikke lagen kleding. Ze is licht; het is alsof de kussens haar niet hoeven te dragen.

Haar handen, knokige dooraderde klauwtjes, liggen ineengevouwen in haar schoot. Zacht wrijft ze deze over en langs elkaar.

Ik schraap mijn keel. Zweet loopt in kleine straaltjes van mijn rug. Niet vanwege het harde werken. Mevrouw heeft alles al brandschoon. Soms verdenk ik haar ervan de dag voor mijn wekelijkse komst zelf snel het hele huis door te werken. De deuren en ramen zitten potdicht. De zon beukt meedogenloos op de ramen en mijn hoofd bonkt licht.

Vandaar.

“Wat is er kindje, ben je klaar? Zou je anders de koffie voor ons willen zetten? De kopjes heb ik al voor ons klaar gezet.”

Zonder morsen schenk ik het water en schep de koffie in de machine. Uit de servieskast pak ik onze kopjes en zet ze klaar. De koelkast zoemt en trekt mijn aandacht. Ik trek hem open. Wat houdbare producten, ongeopend en het koelen niet waard staan voor een pak melk en een pot mayonaise. Maanden over datum. De koffie pruttelt dat ze klaar is terwijl ik de koelkast bevrijd van de dingen die niet meer kunnen.

Herfstbladeren, eikeltjes en twee kleine vogeltjes sieren mijn kopje. Mevrouw heeft dat met de kleine aardbeitjes erop. We nippen en ze vraagt of ik alle natte doeken te drogen heb gehangen. Ik knik. De stofzuiger staat weer uit elkaar gehaald in de krappe trapkast. Ze vouwt haar handen om het kopje. “Kindje, ik kan ze niet meer warm krijgen. Zelfs nu niet. Moet je voelen.” Haar uitgestoken hand raakt met de vingertoppen de mijne en ik voel vier koude puntjes. Denk ik. Ik knik. Of er nog iemand op haar verjaardag is geweest, vraag ik haar en neem een grotere slok van mijn koffie.

Haar blik wordt troebel. “Wie zou er op mijn verjaardag moeten komen? Er is niemand meer over. Niemand. Dat is de ellende van oud worden. Ik ben altijd maar alleen.”

Ik slik.

“Maar morgen is het donderdag, dan komt uw zoon toch?”

Ze zucht. Diep. “Ja, morgen komt Rob. Dan doen we even wat boodschapjes.” Ze kijkt op van haar kopje en vraagt of ik heb gezien hoe leeg de koelkast is. Ik beaam. Maar voor vanavond heeft ze nog soep verzekert ze mij. En in de vriezer ligt brood.

“Honger heb ik niet hoor. Wel gehad. Heb ik je wel eens verteld over die winter? Wanneer was het ook alweer?” Haar blik gaat op oneindig en mijn gedachten ook. Ze vertelt.

Dan schuift een wolk voor de zon. Een kleine windvlaag bevestigt het weerbericht van vanmorgen en de klok begint te slaan. Het is twaalf uur en ik moet verder. Mijn kopje is leeg. Op de tafel naast de narcissen mag ik hem laten staan. Zij zal ze later opruimen. Want ze heeft verder weinig omhanden, zegt ze.

Winterjassen opzij drukkend vind ik mijn eigen spijkerjasje terug. ‘Dat is toch veel te koud!’ Ze loopt op mij toe maar ik heb al braaf mijn jas dichtgedaan, tot de laatste knoop aan toe. Goedkeurend knikt ze naar me. “Ga maar snel kindje, anders kom je nog te laat.” Ze doet een pas naar achter, richting haar leven, naar de rest van deze stille dag. De deur draai ik achter mij in het slot, al twee jaar lang.

Het slot van mijn fiets knerpt open en trekt de aandacht van de overbuurman. Geknield zit hij in zijn tuintje de zwarte aarde tussen de strijdende struikjes om te woelen met wat gereedschap. Hij staat op, klopt zijn handen onhandig af aan de zijkanten van zijn broek en maakt aanstalten mijn kant op te komen. Het pad aflopend ga ik hem vanzelf tegemoet.

“Goedemorgen. Of nee, goedemiddag alweer!” zegt hij, ietwat nerveus glimlachend.

“Hoi.” Ik zet mijn trappers recht. Startklaar.

“Jij bent de oude hulp toch? Mag ik wat vragen?”

Ik moet lachen. “Zo oud ben ik toch ook weer niet?”

Schaapachtig kijkt hij mij aan, ik ben minimaal twintig jaar jonger.

“Nou ja, je begrijpt me wel.”

Ik snap hem niet.

“Eh, weet je misschien wanneer het te koop komt?” Hij wijst naar het huis waar ik net de deur van heb dichtgedraaid.

Ik haal mijn schouders op. “Nee, geen idee. Dat zal haar zoon wel weten denk ik?”

Hij vraagt mij of ik het niet weet.

Wat zal ik niet weten? Ik heb geen idee, kijk hem aan en schud mijn hoofd.

Hij haalt een zanderige hand door zijn haar. Stof dwarrelt om zijn gezicht. “Twee maanden geleden zat ik daar ook.” Hij wijst in de richting van zijn tuintje. “Een tuin vergt toch meer aandacht dan je zou denken, zelfs een van dit formaat.” Het is een klein tuintje.

“Het was een warme lente dag geweest, rond een uur of zeven stopte er een politieauto bij haar voor de deur. Later hoorde ik dat zij kwamen vertellen dat haar zoon overleden was. Auto ongeluk.”

Ik blijf hem aankijken.

“Diezelfde nacht overleed ze. Rob was de enige die ze nog had. Wij, mijn vrouw en ik, vermoeden dat ze van verdriet gestorven is.”

Hij kijkt naar zijn handen en pulkt de prut onder zijn nagels vandaan.

“Ow…kee?”

Ik zet mijn voet op het pedaal en stap op de in beweging gebrachte fiets.

“Ik moet gaan, ik ben al laat.”

De wind waait de bloesem uit de kersenboom in haar tuin de straat door.

Het dwarrelt op mijn haar, schouders en in mijn gezicht. Als zomersneeuw ligt het op mij en mijn hart, dat de gemiste slagen inhaalt.

Onder de oppervlakte|Verhaal

Ik draai de dop van de spiksplinternieuwe spiegelreflexcamera en adem diep in. De warme geuren van het oude bos vermengen zich met mijn hoge verwachtingen; valse, zo blijkt als ik mijn blik over de militaire begraafplaats laat gaan. Mijn gezonde spanning, mijn-eigenlijk misplaatste- uitgelatenheid, verhoogd tot een bijna climax door de geur van vers gemaaid gras verdwijnt zonder aankondiging en teleurstelling slaat toe als mosterdgas in een loopgraaf.

Als ik de honderd jaar oude begraafplaats oploop, camera nog net niet voor mijn rechteroog word ik overvallen door de aanblik.

De donkere identieke ijzeren kruizen staan in grote rijen zij aan zij. Rug aan rug. Maar schots en scheef. Enorme eiken laten smalle banen late middagzon selectief door op het glooiende gras. De wortels hebben ondergrondse wegen gebaand, zonder mededogen. Onder de oppervlakte is het ieder voor zich.

De stilte wordt verbroken door mijn spreken, ik ben overrompeld doordat de witte kruizen ontbreken. De helder witte kruizen die ik liggend op mijn buik in het gras haarscherp zou fotograferen. Bij voorkeur tegen een donkere woeste wolkenlucht en met helrode roosjes aan de voeten.

‘Wat moet ik hier nu mee!’

Dan heft hij zijn hoofd op, stopt met schrijven en schraapt beleefd de keel opdat ik geen hartverzakking krijg. Zittend tegen een van de kruizen kijkt hij mij aan. De zomerzon schittert in zijn ogen, het licht hem op en uit de werkelijkheid zo lijkt het.

‘Zit jij ook verkeerd?’

Ik knik.

‘Dit was niet wat ik verwachtte,’ antwoord ik.

‘Ja, dat gevoel ken ik,’ zegt hij glimlachend.

‘Ik ben Zara, en jij?’

Hij haalt zijn schouders op.

‘Doet dat er toe?’

Mijn schouders geven antwoord, want wie ben ik om dat te zeggen.

‘Mag ik?’ vraag ik zwaaiend met mijn camera.

Hij knikt, recht zijn rug en vouwt zijn handen achter zijn hoofd.

Ik kniel, richt en schiet als hij knipoogt met ogen vol zon. Niets zo prachtig als het licht juist te vangen.

Ik heb het te pakken, het licht. Op het kleine beeldscherm van de camera verschijnt ze schijnend op het eenzame donkere ijzeren kruis: “Ein unbekannter Soldat.”

Er was eens een elf november|Verhaal

~Sil is aan het wisselen én wilde graag een eng verhaal. Het wordt in november geplaatst op de site: Voorleestuin.be~

‘Eet eens door,’ zei mama en wees naar zijn bord met broccoli. Sil keek naar buiten, het schemerde al. Nog even en de eerste lampionnen zouden aan de stokjes bungelend met een kind erachter voorbij komen.
‘Ik heb geen trek meer, ik zit vol.’ Hij schoof het bord van zich af en keek nog eens door het raam de straat in. Nog niemand.
Mama stak de kaarsjes in de uitgeholde pompoenen aan en liep ermee naar de voordeur.
‘Kijk eens wie we hier hebben,’ riep ze vanuit de gang. Sil was niet benieuwd. Hij wist dat het Neles zijn buurjongen was. Ze hadden tenslotte afgesproken om samen te gaan deze elf november.
Op school hadden ze een grote, zwarte spinnenlampion geknutseld met juf. Sils broertje was er een beetje bang voor; goed gelukt dus!

Met dichtgeritste jassen, een rugzak op hun buik én de stralende spin in hun handen stonden Neles en Sil bij de voordeur. Mama keek een beetje ongerust. ‘Blijven jullie wel in de buurt en gaan jullie bij niemand naar binnen?’ vroeg ze voor de derde keer. Het was voor het eerst dat ze alleen Sintermaarten mochten lopen.
Sil en Neles knikten braaf. Tuurlijk gingen ze nergens naar binnen, dat kostte toch veel te veel tijd? Dan haalden ze te weinig snoep op.

‘Dankuwel,’ zei Sil netjes en liep het zoveelste tuinpad weer af. Hij stopte de minimars in de tas op zijn buik. Neles had een kleine Snickers gekozen. Hij at hem alvast op, van zingen krijg je trek.
‘Hej ukkies, riep een bekende stem vanaf de overkant van de straat. Ze zagen Dorus, de grote broer van Neles samen met twee vrienden. Dorus zat al in groep zes.
De drie jongens staken zonder te kijken de straat over en kwamen op ze af.
‘Hoeveel heb je al?’ vroeg Dorus aan zijn kleine broertje en trok de tas van Neles open. Hij pakte er zonder te vragen een lolly uit en stak die in zijn mond.
‘Jullie zingen zeker als een stel baby’s,’ zei de grootste van de drie jongens.
‘Ja, jullie hebben echt weinig,’ lachte Dorus vals.
‘We beginnen net hoor,’ zei Sil boos. ‘En we zijn géén baby’s!’
‘Niet?’ Dorus keek zijn twee vrienden aan en knipoogde naar ze. ‘Bewijs dat maar eens dan.’
‘Best,’ zei Sil.
Dorus wees met zijn vleermuislampion in de richting van het enige donkere huis in de straat.
‘Als jullie daar aanbellen, zingen en een snoepje krijgen, nou oké dan zijn jullie geen baby’s.’ De drie jongens begonnen alle drie tegelijk te lachen en stompen elkaar voor de grap op de schouders.

Het huis, ook wel het heksenhok genoemd, had een grote voortuin met enorme grote struiken en bomen. Bladeren groeiden over de ramen die nooit gelapt werden, op het stoepje voor de voordeur groeide mos en uit de half afgebroken schoorsteen steeg een kringeltje rook op.
Er woonde een oude mevrouw in met lang wit haar. Ze had altijd een lange zwarte jurk aan. Dit is wat de kinderen hadden gehoord. Niemand had haar ooit gezien. Overdag kwam ze nooit buiten. Alleen ’s avonds, als de zon lang onder was kraakte de voordeur open en verscheen ze gehuld in een zwarte lange jas. Althans, dat hadden ze gehoord, want zelf lagen ze dan allang in bed natuurlijk.

Voetje voor voetje schuifelden Neles en Sil in de richting van het huis. De drie vrienden volgden. Bij het begin van het pad stonden ze allemaal stil. Langs het met gras begroeide paadje stonden her en der lege jampotjes met kaarsjes erin.
‘Toe dan,’ zei Dorus en gaf de twee kleine vrienden een duwtje. Met Sil voorop liepen ze langzaam in de richting van de voordeur.
Ieder keer als ze langs een kaarsje liepen floepte het uit. Het werd steeds donkerder. Er brandden nog maar twee lampjes toen Neles zachtjes sorry zei en terug naar de stoep rende. Sil zette nog drie grote langzame stappen en stond op het met mos begroeide stoepje.
Hij deed zijn hand omhoog om aan te bellen toen de deur vanzelf open ging. Hij kraakte zachtjes. Vanuit het huis kwam de geur van oude soep, geurkaarsen en kruiden.
Achter zich hoorde hij de jongens roepen: ‘Sil, kom maar. Zo is het goed. Je bent geen baby.’
Bangerikken, dacht Sil en hij stapte het schemerige huis binnen.
‘Wie is daar?’ riep een stem vanuit de duisternis.
‘Is dit soms Sil?’
Na minuten die voor de achtergebleven jongens wel uren leken ging de voordeur weer krakend open. Met langzame stappen liep Sil het tuinpad weer af met in zijn hand een plastic zakje vol met lekkers. Hij hield het omhoog en zwaaide ermee. De vier jongens op de stoep staken hun duimen omhoog. Maar toen Sil dichter en dichterbij kwam deden ze steeds een klein stapje naar achter.
Sils gezicht was witter dan wit en zijn ogen waren zwart. Met grote stappen liep hij nu op de angstige jongens af.
Dorus begon als eerst te rennen. En te gillen. De rest volgde meteen. Als laatste keerde ook Neles zich om. Sil kon hem nog net bij zijn arm grijpen. ‘Wacht, Neles.’ Neles bleef staan. ‘Kijk,’ Sil en hij wees naar het huis. Daar voor het raam stond de oude vrouw met een zak meel en wat houtskool in haar handen. ‘Het is nep, Neles. Het is meel.’
Neles slaakte een opgeluchte zucht.

‘Elf november is de dag…’ zongen de twee vrienden uit volle borst. De mensen bij de deuren moesten erg lachen om Sils bleke gezicht. ‘Het lijkt wel Halloween,’ zeiden ze allemaal voordat ze hem een extra snoepje gaven.
‘Is ze écht geen heks?’ had Neles nog gevraagd. Sil had zijn hoofd geschud en verteld dat het de zus van zijn oma was. Anders was hij toch niet naar binnen gegaan? Hij had het zijn moeder beloofd. Neles moest hard lachen om de zogenaamde moedige vriend.
Sil keek nog een keer naar het donkere huis in de verte en liet zijn tong over zijn ontbrekende tanden gaan. Nog even en hij was uitgewisseld. Nog even en hij had zijn échte tanden. Hij keek op naar de volle maan en voelde zijn hoektanden al iets groeien. Onder het meel werden zijn wangen echt bleek en een rode gloed kwam in zijn ogen. ‘Nog even geduld,’ had tante gezegd.