Nog even…|Verhaal

~Opgenomen in de Sweek bundel na inzending voor de zeer korte verhalenwedstrijd met als thema: brief.~

Tailly, 3-3-2018

Mijn Liefste,

Nog even en het is alweer een jaar geleden. Ik mis je iedere dag een beetje meer dan de dag ervoor.

Het was niet altijd zo. In het begin, vlak nadat je vertrokken was, vond ik rust in ontkenning. Ik deed voorkomen alsof de tijd ná jou de betere tijd in mijn leven was. Uren lag ik alleen op het strand te bakken in de zon. Avond aan avond zat ik op de veranda te genieten van de stilte. Het was ook heerlijk, maar anders en maar voor even zo bleek.

Al snel werd het onrustig, onstuimig en een grauwe sluier hing over mijn dagen. Soms probeerde ik er nog tegenin te gaan, maar al snel kwam de acceptatie dat het zo zou zijn en ik liet mij buiten liever niet meer zien.

Het zou alleen niet zo blijven. Was het maar zo! Het werd uiteraard nóg slechter, donkerder en killer. Ik verkilde-tot op het bot- en stompte af tot een schim van wie ik ooit was, ik verbleekte.

De dagen met jou leken verder weg dan ooit en ook al had je mij beloofd terug te keren, mijn vertrouwen hierin werd naarmate die dag naderde steeds kleiner. Niet logisch maar niet minder waar. Gevoel is niet rationeel.

Maar nu lijkt het tij zich te keren, bleek er nog ergens hoop in mij verscholen. De dagen zijn telbaar, ook al doet nog niets je komst vermoeden: je komt eraan.

Nog 18 dagen tot ons weerzien, mijn lieve lente.

Vizier|Verhaal

Hij zit. Heb je hem in het vizier?

Vermoeid had hij de laptop opengeklapt en staarde naar het blanco scherm. ‘Kom op,’ fluisterde hij tegen zichzelf. Zijn online lezers wachtten al vanaf zeven uur op een update. Het was inmiddels half tien. 250 woorden, wat moord en doodslag en dan het liefst luguber.

…Evelien opende de deur, de aangereikte pizzadoos en nog voordat ze kon betalen was de bezorger gevlogen. Verbijsterd liet ze de geopende doos vallen, opgerolde ingewanden kletsten op het stoepje.
Hij zuchtte en probeerde er niet aan te denken dat er niemand op zijn verjaardag was gekomen vandaag. Het mislukte.
‘Tring.’
Met een sprankje hoop opende hij de deur. Op zijn stoepje stond een pizzadoos. Er zat geen pizza in, dat zag hij meteen. Hij kokhalsde.

Met trillende vingers, in de war en de doos in de kliko vervolgde hij zijn werk.
…waarna de achterdeur open kraakte en doffe stappen dichterbij kwamen. Evelien…
Een vlaag tocht streek langs zijn hals. Kippenvel.
Met puddingbenen liep hij naar zijn achterdeur en sloot hem resoluut.
Terug achter het scherm nam hij een flinke slok uit de onderweg mee gegriste fles.

…Evelien hoorde de voetstappen op de bovenverdieping.
Hij stopte met typen, haalde onregelmatig adem en hoorde het ook. Hij slikte. Stond op.

Plots: deuren vlogen open. De trap maakte kabaal. Lichten vlogen aan en toeters schalden.
‘Gefeliciteerd!’ Ze stormden de kamer binnen. Zijn vrienden. De etters.

Missie geslaagd. Zullen we hem een virusscanner cadeau doen? Zijn laptop camera afplakken?
-😊

Zomersneeuw| verhaal

“Lentebloemen?” roept ze verrast, of enigszins sarcastisch; het is tenslotte geen lente meer. Ze buigt met haar gezicht richting de verse narcissen die ik voor haar meegebracht heb. Diep inhaleert ze de geur.

“Zoals ik altijd al zeg, mijn reuk is weg.” Resoluut trekt ze haar hoofd terug en vraagt mij de bloemen in een vaas te zetten. Op de salontafel. Maar ik moet wel opletten dat ik de juiste vaas pak, niet die hele zware want dan kan ze zelf het water niet verversen. Er is, zo moet ik weten, niemand om haar daarbij te helpen, ze zal dat allemaal alleen moeten doen, ze ratelt door vanuit de keuken waar ze voor mij uit heen is gelopen. Leunend op haar stok.

Bijna voel ik mij schuldig over de meegebrachte bloemen.

De sleutel uit het sleutelkastje naast de voordeur stop ik in mijn broekzak voordat ik op mijn tenen reik naar een vaas.

Een lichte. Maar ook weer niet te licht, dan kiept hij weer snel.

Over drie uur zal ik de deur weer voor haar afsluiten. In gedachten herhaal ik de code: een, negen, twee, vijf. 1925. Gister is ze 92 jaar geworden.

Zomerzon werpt brede banen licht tussen de lamellen door.

Ze zit midden op de groene ribfluwelen bank in een van deze banen met haar ogen dicht. Als een kat.

Haar smalle enkels en polsen verraden de breekbaarheid van haar lichaam onder de dikke lagen kleding. Ze is licht; het is alsof de kussens haar niet hoeven te dragen.

Haar handen, knokige dooraderde klauwtjes, liggen ineengevouwen in haar schoot. Zacht wrijft ze deze over en langs elkaar.

Ik schraap mijn keel. Zweet loopt in kleine straaltjes van mijn rug. Niet vanwege het harde werken. Mevrouw heeft alles al brandschoon. Soms verdenk ik haar ervan de dag voor mijn wekelijkse komst zelf snel het hele huis door te werken. De deuren en ramen zitten potdicht. De zon beukt meedogenloos op de ramen en mijn hoofd bonkt licht.

Vandaar.

“Wat is er kindje, ben je klaar? Zou je anders de koffie voor ons willen zetten? De kopjes heb ik al voor ons klaar gezet.”

Zonder morsen schenk ik het water en schep de koffie in de machine. Uit de servieskast pak ik onze kopjes en zet ze klaar. De koelkast zoemt en trekt mijn aandacht. Ik trek hem open. Wat houdbare producten, ongeopend en het koelen niet waard staan voor een pak melk en een pot mayonaise. Maanden over datum. De koffie pruttelt dat ze klaar is terwijl ik de koelkast bevrijd van de dingen die niet meer kunnen.

Herfstbladeren, eikeltjes en twee kleine vogeltjes sieren mijn kopje. Mevrouw heeft dat met de kleine aardbeitjes erop. We nippen en ze vraagt of ik alle natte doeken te drogen heb gehangen. Ik knik. De stofzuiger staat weer uit elkaar gehaald in de krappe trapkast. Ze vouwt haar handen om het kopje. “Kindje, ik kan ze niet meer warm krijgen. Zelfs nu niet. Moet je voelen.” Haar uitgestoken hand raakt met de vingertoppen de mijne en ik voel vier koude puntjes. Denk ik. Ik knik. Of er nog iemand op haar verjaardag is geweest, vraag ik haar en neem een grotere slok van mijn koffie.

Haar blik wordt troebel. “Wie zou er op mijn verjaardag moeten komen? Er is niemand meer over. Niemand. Dat is de ellende van oud worden. Ik ben altijd maar alleen.”

Ik slik.

“Maar morgen is het donderdag, dan komt uw zoon toch?”

Ze zucht. Diep. “Ja, morgen komt Rob. Dan doen we even wat boodschapjes.” Ze kijkt op van haar kopje en vraagt of ik heb gezien hoe leeg de koelkast is. Ik beaam. Maar voor vanavond heeft ze nog soep verzekert ze mij. En in de vriezer ligt brood.

“Honger heb ik niet hoor. Wel gehad. Heb ik je wel eens verteld over die winter? Wanneer was het ook alweer?” Haar blik gaat op oneindig en mijn gedachten ook. Ze vertelt.

Dan schuift een wolk voor de zon. Een kleine windvlaag bevestigt het weerbericht van vanmorgen en de klok begint te slaan. Het is twaalf uur en ik moet verder. Mijn kopje is leeg. Op de tafel naast de narcissen mag ik hem laten staan. Zij zal ze later opruimen. Want ze heeft verder weinig omhanden, zegt ze.

Winterjassen opzij drukkend vind ik mijn eigen spijkerjasje terug. ‘Dat is toch veel te koud!’ Ze loopt op mij toe maar ik heb al braaf mijn jas dichtgedaan, tot de laatste knoop aan toe. Goedkeurend knikt ze naar me. “Ga maar snel kindje, anders kom je nog te laat.” Ze doet een pas naar achter, richting haar leven, naar de rest van deze stille dag. De deur draai ik achter mij in het slot, al twee jaar lang.

Het slot van mijn fiets knerpt open en trekt de aandacht van de overbuurman. Geknield zit hij in zijn tuintje de zwarte aarde tussen de strijdende struikjes om te woelen met wat gereedschap. Hij staat op, klopt zijn handen onhandig af aan de zijkanten van zijn broek en maakt aanstalten mijn kant op te komen. Het pad aflopend ga ik hem vanzelf tegemoet.

“Goedemorgen. Of nee, goedemiddag alweer!” zegt hij, ietwat nerveus glimlachend.

“Hoi.” Ik zet mijn trappers recht. Startklaar.

“Jij bent de oude hulp toch? Mag ik wat vragen?”

Ik moet lachen. “Zo oud ben ik toch ook weer niet?”

Schaapachtig kijkt hij mij aan, ik ben minimaal twintig jaar jonger.

“Nou ja, je begrijpt me wel.”

Ik snap hem niet.

“Eh, weet je misschien wanneer het te koop komt?” Hij wijst naar het huis waar ik net de deur van heb dichtgedraaid.

Ik haal mijn schouders op. “Nee, geen idee. Dat zal haar zoon wel weten denk ik?”

Hij vraagt mij of ik het niet weet.

Wat zal ik niet weten? Ik heb geen idee, kijk hem aan en schud mijn hoofd.

Hij haalt een zanderige hand door zijn haar. Stof dwarrelt om zijn gezicht. “Twee maanden geleden zat ik daar ook.” Hij wijst in de richting van zijn tuintje. “Een tuin vergt toch meer aandacht dan je zou denken, zelfs een van dit formaat.” Het is een klein tuintje.

“Het was een warme lente dag geweest, rond een uur of zeven stopte er een politieauto bij haar voor de deur. Later hoorde ik dat zij kwamen vertellen dat haar zoon overleden was. Auto ongeluk.”

Ik blijf hem aankijken.

“Diezelfde nacht overleed ze. Rob was de enige die ze nog had. Wij, mijn vrouw en ik, vermoeden dat ze van verdriet gestorven is.”

Hij kijkt naar zijn handen en pulkt de prut onder zijn nagels vandaan.

“Ow…kee?”

Ik zet mijn voet op het pedaal en stap op de in beweging gebrachte fiets.

“Ik moet gaan, ik ben al laat.”

De wind waait de bloesem uit de kersenboom in haar tuin de straat door.

Het dwarrelt op mijn haar, schouders en in mijn gezicht. Als zomersneeuw ligt het op mij en mijn hart, dat de gemiste slagen inhaalt.

Onder de oppervlakte|Verhaal

Ik draai de dop van de spiksplinternieuwe spiegelreflexcamera en adem diep in. De warme geuren van het oude bos vermengen zich met mijn hoge verwachtingen; valse, zo blijkt als ik mijn blik over de militaire begraafplaats laat gaan. Mijn gezonde spanning, mijn-eigenlijk misplaatste- uitgelatenheid, verhoogd tot een bijna climax door de geur van vers gemaaid gras verdwijnt zonder aankondiging en teleurstelling slaat toe als mosterdgas in een loopgraaf.

Als ik de honderd jaar oude begraafplaats oploop, camera nog net niet voor mijn rechteroog word ik overvallen door de aanblik.

De donkere identieke ijzeren kruizen staan in grote rijen zij aan zij. Rug aan rug. Maar schots en scheef. Enorme eiken laten smalle banen late middagzon selectief door op het glooiende gras. De wortels hebben ondergrondse wegen gebaand, zonder mededogen. Onder de oppervlakte is het ieder voor zich.

De stilte wordt verbroken door mijn spreken, ik ben overrompeld doordat de witte kruizen ontbreken. De helder witte kruizen die ik liggend op mijn buik in het gras haarscherp zou fotograferen. Bij voorkeur tegen een donkere woeste wolkenlucht en met helrode roosjes aan de voeten.

‘Wat moet ik hier nu mee!’

Dan heft hij zijn hoofd op, stopt met schrijven en schraapt beleefd de keel opdat ik geen hartverzakking krijg. Zittend tegen een van de kruizen kijkt hij mij aan. De zomerzon schittert in zijn ogen, het licht hem op en uit de werkelijkheid zo lijkt het.

‘Zit jij ook verkeerd?’

Ik knik.

‘Dit was niet wat ik verwachtte,’ antwoord ik.

‘Ja, dat gevoel ken ik,’ zegt hij glimlachend.

‘Ik ben Zara, en jij?’

Hij haalt zijn schouders op.

‘Doet dat er toe?’

Mijn schouders geven antwoord, want wie ben ik om dat te zeggen.

‘Mag ik?’ vraag ik zwaaiend met mijn camera.

Hij knikt, recht zijn rug en vouwt zijn handen achter zijn hoofd.

Ik kniel, richt en schiet als hij knipoogt met ogen vol zon. Niets zo prachtig als het licht juist te vangen.

Ik heb het te pakken, het licht. Op het kleine beeldscherm van de camera verschijnt ze schijnend op het eenzame donkere ijzeren kruis: “Ein unbekannter Soldat.”

Er was eens een elf november|Verhaal

~Sil is aan het wisselen én wilde graag een eng verhaal. Het wordt in november geplaatst op de site: Voorleestuin.be~

‘Eet eens door,’ zei mama en wees naar zijn bord met broccoli. Sil keek naar buiten, het schemerde al. Nog even en de eerste lampionnen zouden aan de stokjes bungelend met een kind erachter voorbij komen.
‘Ik heb geen trek meer, ik zit vol.’ Hij schoof het bord van zich af en keek nog eens door het raam de straat in. Nog niemand.
Mama stak de kaarsjes in de uitgeholde pompoenen aan en liep ermee naar de voordeur.
‘Kijk eens wie we hier hebben,’ riep ze vanuit de gang. Sil was niet benieuwd. Hij wist dat het Neles zijn buurjongen was. Ze hadden tenslotte afgesproken om samen te gaan deze elf november.
Op school hadden ze een grote, zwarte spinnenlampion geknutseld met juf. Sils broertje was er een beetje bang voor; goed gelukt dus!

Met dichtgeritste jassen, een rugzak op hun buik én de stralende spin in hun handen stonden Neles en Sil bij de voordeur. Mama keek een beetje ongerust. ‘Blijven jullie wel in de buurt en gaan jullie bij niemand naar binnen?’ vroeg ze voor de derde keer. Het was voor het eerst dat ze alleen Sintermaarten mochten lopen.
Sil en Neles knikten braaf. Tuurlijk gingen ze nergens naar binnen, dat kostte toch veel te veel tijd? Dan haalden ze te weinig snoep op.

‘Dankuwel,’ zei Sil netjes en liep het zoveelste tuinpad weer af. Hij stopte de minimars in de tas op zijn buik. Neles had een kleine Snickers gekozen. Hij at hem alvast op, van zingen krijg je trek.
‘Hej ukkies, riep een bekende stem vanaf de overkant van de straat. Ze zagen Dorus, de grote broer van Neles samen met twee vrienden. Dorus zat al in groep zes.
De drie jongens staken zonder te kijken de straat over en kwamen op ze af.
‘Hoeveel heb je al?’ vroeg Dorus aan zijn kleine broertje en trok de tas van Neles open. Hij pakte er zonder te vragen een lolly uit en stak die in zijn mond.
‘Jullie zingen zeker als een stel baby’s,’ zei de grootste van de drie jongens.
‘Ja, jullie hebben echt weinig,’ lachte Dorus vals.
‘We beginnen net hoor,’ zei Sil boos. ‘En we zijn géén baby’s!’
‘Niet?’ Dorus keek zijn twee vrienden aan en knipoogde naar ze. ‘Bewijs dat maar eens dan.’
‘Best,’ zei Sil.
Dorus wees met zijn vleermuislampion in de richting van het enige donkere huis in de straat.
‘Als jullie daar aanbellen, zingen en een snoepje krijgen, nou oké dan zijn jullie geen baby’s.’ De drie jongens begonnen alle drie tegelijk te lachen en stompen elkaar voor de grap op de schouders.

Het huis, ook wel het heksenhok genoemd, had een grote voortuin met enorme grote struiken en bomen. Bladeren groeiden over de ramen die nooit gelapt werden, op het stoepje voor de voordeur groeide mos en uit de half afgebroken schoorsteen steeg een kringeltje rook op.
Er woonde een oude mevrouw in met lang wit haar. Ze had altijd een lange zwarte jurk aan. Dit is wat de kinderen hadden gehoord. Niemand had haar ooit gezien. Overdag kwam ze nooit buiten. Alleen ’s avonds, als de zon lang onder was kraakte de voordeur open en verscheen ze gehuld in een zwarte lange jas. Althans, dat hadden ze gehoord, want zelf lagen ze dan allang in bed natuurlijk.

Voetje voor voetje schuifelden Neles en Sil in de richting van het huis. De drie vrienden volgden. Bij het begin van het pad stonden ze allemaal stil. Langs het met gras begroeide paadje stonden her en der lege jampotjes met kaarsjes erin.
‘Toe dan,’ zei Dorus en gaf de twee kleine vrienden een duwtje. Met Sil voorop liepen ze langzaam in de richting van de voordeur.
Ieder keer als ze langs een kaarsje liepen floepte het uit. Het werd steeds donkerder. Er brandden nog maar twee lampjes toen Neles zachtjes sorry zei en terug naar de stoep rende. Sil zette nog drie grote langzame stappen en stond op het met mos begroeide stoepje.
Hij deed zijn hand omhoog om aan te bellen toen de deur vanzelf open ging. Hij kraakte zachtjes. Vanuit het huis kwam de geur van oude soep, geurkaarsen en kruiden.
Achter zich hoorde hij de jongens roepen: ‘Sil, kom maar. Zo is het goed. Je bent geen baby.’
Bangerikken, dacht Sil en hij stapte het schemerige huis binnen.
‘Wie is daar?’ riep een stem vanuit de duisternis.
‘Is dit soms Sil?’
Na minuten die voor de achtergebleven jongens wel uren leken ging de voordeur weer krakend open. Met langzame stappen liep Sil het tuinpad weer af met in zijn hand een plastic zakje vol met lekkers. Hij hield het omhoog en zwaaide ermee. De vier jongens op de stoep staken hun duimen omhoog. Maar toen Sil dichter en dichterbij kwam deden ze steeds een klein stapje naar achter.
Sils gezicht was witter dan wit en zijn ogen waren zwart. Met grote stappen liep hij nu op de angstige jongens af.
Dorus begon als eerst te rennen. En te gillen. De rest volgde meteen. Als laatste keerde ook Neles zich om. Sil kon hem nog net bij zijn arm grijpen. ‘Wacht, Neles.’ Neles bleef staan. ‘Kijk,’ Sil en hij wees naar het huis. Daar voor het raam stond de oude vrouw met een zak meel en wat houtskool in haar handen. ‘Het is nep, Neles. Het is meel.’
Neles slaakte een opgeluchte zucht.

‘Elf november is de dag…’ zongen de twee vrienden uit volle borst. De mensen bij de deuren moesten erg lachen om Sils bleke gezicht. ‘Het lijkt wel Halloween,’ zeiden ze allemaal voordat ze hem een extra snoepje gaven.
‘Is ze écht geen heks?’ had Neles nog gevraagd. Sil had zijn hoofd geschud en verteld dat het de zus van zijn oma was. Anders was hij toch niet naar binnen gegaan? Hij had het zijn moeder beloofd. Neles moest hard lachen om de zogenaamde moedige vriend.
Sil keek nog een keer naar het donkere huis in de verte en liet zijn tong over zijn ontbrekende tanden gaan. Nog even en hij was uitgewisseld. Nog even en hij had zijn échte tanden. Hij keek op naar de volle maan en voelde zijn hoektanden al iets groeien. Onder het meel werden zijn wangen echt bleek en een rode gloed kwam in zijn ogen. ‘Nog even geduld,’ had tante gezegd.